De kievit verdient een duwtje in de rug

De kievit verdient een duwtje in de rug

Voorjaar op de boerenbuiten. Buitelend door de plattelandslucht verdedigen mannetjes­kieviten hun territorium, hun zwart-witte prachtkleed glanzend in de lentezon. Een beeld dat we helaas op steeds minder plaatsen in Vlaanderen te zien krijgen, want het gaat niet goed met de kievitpopulatie. Daar proberen we echter iets aan te doen.

Kieviten zijn makkelijk herkenbaar aan hun zwart-witte verenkleed, ronde vleugels en kuif, die bij de mannetjes wat langer is dan bij de vrouwtjes. Verder kan je beide geslachten onderscheiden aan het koppatroon, dat bij vrouwtjes beige tinten vertoont en minder scherp afgelijnd is. Tijdens het broedseizoen krijgen de donkere veren van vooral de mannetjes een prachtige, overwegend groene metaalglans. Juvenielen onderscheiden we aan de ontbrekende of korte kuif en het schubbenpatroon op de vleugels, veroorzaakt door de beige veerrandjes. De roep is eveneens kenmerkend en met wat goede wil hoor je er ‘kiiievit’ in. Inderdaad, de soortnaam is een onomatopee.

Van weide- naar akkervogel

Kieviten overwinteren in de Polders of in Zuidwest-Europa. Hun terugkeer naar het binnenland luidt het begin van de lente in. Ze geven de voorkeur aan open landschappen, waarin ze hun belagers van op ruime afstand zien naderen. Een relatief kale bodem is ook belangrijk om voedsel te vinden. Kieviten zijn immers oogjagers, die op de typische plevierenmanier op ongewervelden foerageren: loop, stop, hap. Het voedsel van volwassen kieviten bestaat voornamelijk uit wormen, emelten en andere ongewervelden. Die vinden ze het makkelijkst in een vochtige bodem, want bij aanhoudende droogte kruipen wormen dieper de bodem in. Van oudsher was de kievit een steppevogel, die recenter als weidevogel te boek stond. Die tijd lijkt echter voorbij: weilanden in landbouwgebruik worden doorgaans intensief bemest, begraasd en gemaaid. Ook in tijdelijke graslanden broeden kieviten niet, want raaigrassen (= veevoer) groeien te snel om er tijdig een legsel in te voltooien en de grasmat is te dicht om op de beschreven manier te foerageren, zeker voor de kuikens. Deze productiegraslanden zijn bovendien veel armer aan ongewervelden dan permanente en natuurlijke graslanden.

Wat blijft er dan nog over? Braakliggende terreinen, waar kieviten relatief succesvol kunnen broeden dankzij de aanwezigheid van ongewervelden en dekking voor de kuikens, en kale akkers. Open akkercomplexen zijn relatief arm aan grondpredatoren, die doorgaans een meer gesloten en gevarieerd landschap verkiezen, maar er loeren andere gevaren. We kunnen stellen dat de gemiddelde Vlaamse kievit tegenwoordig geen weide-, maar een akkervogel is. Van andere soorten is echter bekend dat een ‘verhuis’ qua habitat vaak een teken aan de wand is dat het niet goed gaat met de soort. Dat geldt eveneens voor de kievit.

Dramatische afname

Sinds de start van het ABV-telproject (Algemene Broedvogels Vlaanderen) in 2007 laat de kievit een afname van maar liefst 73% optekenen. Deze terugval wordt voornamelijk toegeschreven aan de intensivering van de landbouw, de afname van insecten als stapelvoedsel voor de kuikens, klimaatverandering en toegenomen predatie. Soorten als buizerd, zwarte kraai, vos en steenmarter waren enkele decennia terug in veel lagere aantallen aanwezig tot zelfs afwezig, wat het gevolg was van intensieve menselijke vervolging. Deze soorten waren in staat om zich aan te passen aan het in sneltempo veranderende landschap, dat steeds meer volgebouwd raakt en ‘verrommelt’, en hun aantallen herstelden zich. Hoewel kieviten, net zoals de meeste steltlopers relatief oud kunnen worden (max. 25 jaar), zijn ze niet in staat om gelijke tred te houden met bovenvermelde evoluties.

Kievit (Adulte man) © Gerard Mornie

Het broedseizoen

Zoals bij de meeste vogelsoorten keren de mannetjes als eersten naar hun broedgebieden terug, afhankelijk van de weersomstandig­heden, vanaf midden februari. Uit ringonderzoek blijkt trouwens dat mannetjeskieviten veel trouwer zijn aan hun territoria dan vrouwtjes. Kieviten broeden in clusters bij elkaar: meerdere exemplaren in elkaars nabijheid vormen samen een sterkere luchtafweer (niet weg te denken anno 2026 …) tegen predatoren. In de loop van maart stelen mannetjeskieviten de show met hun spectaculaire, halsbrekende baltsvluchten, en op de grond gaan ze nestkuiltjes draaien en ‘strootjes werpen’ om de nestkuiltjes aan te kleden. Het vrouwtje kiest een van die nestkuiltjes uit om er doorgaans vier uitstekend gecamoufleerde eieren in te leggen. Het eerste kievitsei vinden was in Friesland een ‘nationale sport’ met nestvondsten vanaf begin maart, maar de piek van de eileg situeert zich toch eerder in april. Wanneer een legsel verloren gaat, kunnen kieviten tot grofweg eind mei herbeginnen. Na 26 tot 29 dagen broeden komen de kuikens uit het ei, waarna ze vrijwel meteen het nest verlaten. Het zijn dus nestvlieders, die zelfstandig naar voedsel zoeken: zoals de meeste steltlopersoorten worden ze niet door hun ouders gevoerd. Wel houden de oudervogels een oogje in het zeil en alarmeren ze met hun klaaglijke roep bij naderend gevaar, waarna de kuikens zich drukken en op hun schutkleur rekenen. Ondertussen worden predatoren met duikvluchten verjaagd of met afleidingsgedrag weggeleid van de kuikens. Zo beschermen broedende kieviten ook andere akkervogels en landbouwgewassen.

Kuikenoverleving als bottleneck

Toch blijkt net de kuikenoverleving gedurende de eerste twee levensweken de grootste ‘bottleneck’ voor de kievitpopulatie. Om de populatie op peil te houden is een broedsucces van 0,7 tot 1,0 vliegvlug jong per broedpaar noodzakelijk. Kuikens vinden echter vaak onvoldoende voedsel (ongewervelden) – volgens cijfers van Vogelbescherming Nederland zo’n 800 à 5.000 prooien per dag – en te weinig dekking tegen predatoren in de vorm van akkerranden, structuurrijke graslanden of kruidenrijke hoeken. Nochtans kunnen de oudervogels hun kuikens tot wel 3 km van de nestplaats vandaan leiden naar plaatsen die geschikt zijn om te foerageren en op te groeien, wat in het versnipperde Vlaanderen ongetwijfeld een tocht vol gevaren inhoudt. Bij plas-drassituaties, zoals vochtige graslanden of desnoods verslempte plekken op (maïs)akkers, vinden ze een hoger voedselaanbod dan op droge en steriele percelen. Ook hobbyweides, hoewel vaak verguisd in landbouw- en natuurmiddens, lijken een zekere aantrekkingskracht uit te oefenen op kievit families. Hun hierboven beschreven mobiliteit maakt het trouwens niet eenvoudig om het broedsucces te achterhalen. Na 35 tot 40 dagen zijn de jonge kieviten vliegvlug en daarmee stijgen hun overlevingskansen aanzienlijk. Oudervogels die hun legsels of kuikens daarentegen verloren hebben, vormen zogenaamde rouwgroepen. Een grote groep adulte kieviten in het late voorjaar op akkers aantreffen, is dus een slecht teken.

Nestbescherming

Tijdens de eifase zijn het niet predatoren, maar landbouwwerkzaamheden die de grootste verliezen bij op akkers broedende kieviten veroorzaken. Dat blijkt uit INBO-onderzoek uitgevoerd in 2020: toen bedroeg het nestsucces op akkers zonder nestbeschermingsmaatregelen 34 %, tegenover 82 % mét maatregelen. Het nestsucces drukt het percentage uitgekomen eieren uit en is niet te verwarren met het broedsucces. Momenteel (een kwestie van tijd?) is de kievit nog niet zeldzaam genoeg om in aanmerking te komen voor de compensatieregeling van het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB), een subsidie voor landbouwers die een (zone rond) een nest sparen wanneer er op hun perceel een bedreigde soort broedt. Sommige gemeenten of Regionale Landschappen hebben een vrijwilligerswerking rond nestbescherming voor kievit opgezet, maar helaas is dat in de Vlaamse Ardennen niet het geval. In het kader van het Actieplan Kievit wordt nestbescherming in de rest van Vlaanderen wel gefaciliteerd. Via de Werkgroep Weide- en Akkervogels (WWA) van Natuurpunt kan je je als nestbeschermer registreren, waarna je een onmisbaar toelatingsdocument verkrijgt om nesten te mogen opsporen. Dat vergt grondige observatie en een portie geduld. Wanneer we de vermoedelijke locatie van een kievits­nest kennen, proberen we het aan de hand van kijklijnen te vinden om het vervolgens te markeren. Zo wordt het nest tijdens de bewerkingen zichtbaar voor de landbouwer of loonwerker. Sowieso betreden we geen percelen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de landbouwer of eigenaar. In overleg met de landbouwer wordt het nest al dan niet op een schaaltje of in een rieten mandje geplaatst dat opnieuw ingegraven wordt en tijdens een eventuele volgende bewerking tijdelijk verplaatsbaar is. Tot slot volgen we het nest- en waar mogelijk het broedsucces van de beschermde nesten op. Ook de nesten van andere op de grond broedende akkervogels, voornamelijk scholekster, beschermen we. Vorig jaar vonden we op een maïsakker zelfs een broedgeval van kleine plevier, wat dankzij eenvoudige nestmarkering in drie vliegvlugge jongen resulteerde.

Kievitnest © Simon Desmet

Kortom, nestbescherming kan een nodige boost geven aan een lokale kievitpopulatie, ook al biedt het geen garantie op de overleving van de kuikens. Daarvoor zijn andere maatregelen op landschapsniveau nodig, zoals beheerovereenkomsten die land­bouwers met de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) kunnen afsluiten. Er wordt ook gewerkt aan technologische oplossingen op landbouwmachines in de vorm van automatische beeldherkenning of warmtedetectie van nesten van akkervogels. In het ideale geval is nestbescherming dus een tijdelijke noodmaatregel om de dalende trend van kievit alvast een halt toe te roepen. Het is onze bedoeling om nestbescherming in te zetten op die plaatsen waar de overleving van kuikens het hoogst is.

Hoe gaan we dat varkentje wassen?

Hoe gaan we dat varkentje wassen?

Er zijn zo van die beesten die ieders aandacht trekken, waarover aan de toog wordt gefilosofeerd, en die regelmatig ook in de pers opduiken: het everzwijn of wild zwijn is er bij uitstek een van.

Vanouds is het everzwijn een inheemse en sterk gegeerde jachtwildsoort, vooral bekend uit ‘de Ardennen’ en bij uitbreiding in nagenoeg het hele Belgische gebied ten zuiden en ten oosten van de Samber-Maas-lijn. Als zodanig zijn ever­zwijnen ook reeds heel lang als ‘standwild’ te beschouwen in de gemeente Voeren (alias ‘de Voerstreek’), het stukje Vlaanderen gelegen op de rechter Maasoever. Elders in Vlaanderen werd het everzwijn reeds rond de jaren 1800 door overbejaging en stroperij als vaste bewoner uitgeroeid, daarbij sterk vergemakkelijkt door de grootschalige ontbossingen in die periode (zie o.a. Bossen van Vlaanderen). Sindsdien, en tot voor een paar decennia, werden er slechts met wisselende tussenpozen geïsoleerde waarnemingen gedaan van everzwijnen doorheen zowat heel ­Vlaanderen.

En dat zwijn kwam weer …

Het jaar 2006 werd vervolgens een keerpunt in de everzwijnenhistoriek van Vlaanderen. In dat jaar werd voor het eerst in Limburg een everzwijn geschoten buiten de Voerstreek. Bovendien bleken ook in de regio rond Zedelgem (West-Vlaanderen) plots enkele tientallen everzwijnen in het wild aanwezig te zijn – kennelijk als resultaat van moedwillige introductie of nalatigheid ten aanzien van dieren die in gevangenschap werden gehouden. Vanuit landbouwkringen werd meteen alle hens aan dek geroepen: everzwijnen zijn er voor berucht om aanzienlijke schade te kunnen veroorzaken aan allerlei landbouw­gewassen, door rechtstreekse vraat aan de gewassen of het zaai- en plantgoed ervan (maïs en andere granen, aardappelen, …) of door het omwoelen van de grond of van de graszode (tuinen, sportterreinen, natuurgebiedjes, …). Ook de jagerij – door sommigen ervan verdacht de zwijnen opzettelijk te hebben geïntroduceerd als aanvullende jachtwildsoort – en de Vlaamse overheid zagen tegen een dreigend financieel debacle aan. De jachtwetgeving is immers zo geregeld dat diegene die ergens het jachtrecht heeft (in eigendom of in pacht) ook verantwoordelijk is voor de mogelijke schade door het jachtwild veroorzaakt. Wordt er geen jacht toegelaten, zoals vaak in overheidsdomeinen en natuurgebieden, dan draait de verbiedende overheid (of andere eigenaar, zoals bv. Natuurpunt) in principe op voor de kosten indien (buitensporige) schade wordt veroorzaakt door dieren afkomstig uit het jachtvrije gebied.

Geconfronteerd met deze nieuwe uitdagingen – in Vlaanderen was nauwelijks ervaring met of kennis aanwezig van jacht op everzwijnen – besliste het Vlaams Parlement in maart 2008 de everzwijnpopulatie(s) in Vlaanderen te reguleren met als streefdoel de volledige uitroeiing, een zogenaamde nultolerantie. Om deze doelstelling te realiseren werd in 2008 (een eerste versie van) het ‘Jachtvoorwaardenbesluit’ van kracht, dat voor het everzwijn voorziet in meer jacht- en bestrijdingsmogelijkheden. Naast de ‘gewone jacht’ (duurzaam gebruik) werd voortaan ook ‘bijzondere jacht’ (bij dreigende schade) en ‘bestrijding’ (bij effectieve schade) mogelijk. Na ingang van dit besluit toonden de afschotdata van het jachtseizoen 2008-2009 een sterke toename van het aantal geschoten everzwijnen en ook een toename in het areaal waar everzwijnen geschoten werden. Dit laatste wees mogelijk op een uitdijende verspreiding van de soort, maar kon deels ook te wijten zijn aan dispersie van zwervende dieren en/of uitzetting of vrijlating van everzwijnen.

Terwijl de geïsoleerde en geïntroduceerde populatiekern rond Zedelgem, onder uitgebreide persaandacht maar met veel zweet en tranen, na enkele jaren zo goed als opgeruimd raakte, lukte dit maar niet in Limburg. Daar bleken de (al dan niet uitgezette) everzwijnen in de uitgestrekte bosgebieden de jagers telkens in grote getale weer te slim af. In de periode 2012-2015 schommelde het jaarlijks aantal geschoten zwijnen er rond de 500, om dan vanaf 2016 gaandeweg spectaculair te stijgen, met uitschieters tot ongeveer 3000 per jaar. Ondanks deze stijgende afschotcijfers blijft de everzwijnenstand er globaal toenemen, zowel in dichtheid als in verspreiding. Inmiddels heeft de soort ook in Vlaams-Brabant en Antwerpen vaste poot aan de grond gekregen. In 2024 werden in die provincies respectievelijk rond de 500 en rond de 300 exemplaren geschoten – zonder dat de stand erdoor blijkt af te nemen, wel integendeel.

Everzwijn © Rik Desmet

Geografische inbedding

Inmiddels werd ook duidelijk dat het everzwijn, net als een reeks andere (grote) zoogdiersoorten zoals bv. ree, vos en wolf, een algehele toename of comeback aan het realiseren was in onze brede West-Europese contreien. De oorspronkelijke doelstelling van 2008 tot nultolerantie in heel Vlaanderen was daarbij de facto helemaal achterhaald en werd omgezet in een beleid dat plaatselijk, i.c. in oostelijk Vlaanderen, willens nillens gericht is op een gedoogstand – terwijl elders alsnog steeds de nultolerantie beoogd wordt. Via het aangepaste Jachtvoorwaardenbesluit van 2014 werd in 2016 voorzien in de opdeling van Vlaanderen in 10 zogenaamde faunabeheerzones1, waarbij per zone het beleid en beheer van het everzwijn wordt bepaald. De keuzes voor de geografische afbakening gebeurden in eerste instantie aan de hand van grote (hoewel voor het everzwijn vaak geen absolute) migratiebarrières zoals bevaarbare waterwegen, spoor- en auto(snel)wegen. Vervolgens werd een reeks landschapskenmerken als criterium gebruikt, zoals het aandeel natuurlijk habitat en overheidsdomeinen, het landgebruik, de teeltverhouding in de landbouw en de wegdensiteit. Verder werd een inschatting gemaakt van de mogelijke ‘natuurlijke draagkracht’ (d.i. zonder het voedselaanbod via het landbouwareaal mee te rekenen) van een regio voor het everzwijn. Daar bovenop werd, vooral om praktisch-logistieke redenen, ook nog eens rekening gehouden met administratieve grenzen van gemeentes en provincies.

Voor elk van deze bij ministerieel besluit (2016) vastgelegde faunabeheerzones dient het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) periodiek een overleg te organiseren tussen de betrokken terreinbeheerders, waaronder Natuurpunt, de landbouw- en jachtsector, en overheden met terreinen in de regio. Het doel van deze vergaderingen is te komen tot een consensus over de beheerdoelen van het everzwijn in een welbepaalde zone, waarbij deze consensus wordt ondertekend door alle partijen. In 2022 werd ook een (eerste) everzwijncoördinator van overheidswege aangesteld om het everzwijnenbeleid in Vlaanderen te stroomlijnen. Deze coördinator fungeert als neutrale partij, adviseert bij overlast en verbindt lokale actoren. Op niveau van Vlaanderen is ook binnen Natuurpunt sinds een tiental jaar ruim werk gemaakt van een gedifferentieerde visie, naargelang van de betrokken faunabeheerzone. Het beheer van everzwijnen in de eigen natuurgebieden is daarbij gericht op een balans tussen het toelaten van wilde zwijnen als inheemse soort en het beperken van overlast en schade in de omgeving (landbouw, tuinen, verkeer). De aanpak is niet louter gebaseerd op jacht, maar op een combinatie van preventie, populatiebeheer en samenwerking in faunabeheerzones.

De Vlaamse Ardennen zijn gelegen in de faunabeheerzone 3 en via de actuele consensustekst (2025-26) werd een 0-stand doelstelling vooropgesteld, met uitzondering van de gronden die eigendom zijn van Natuurpunt of door Natuurpunt beheerd worden, waar een 0-schade doelstelling geldt.

De 0-stand doelstelling werd overeengekomen voor regio’s en deelgebieden met een hoofdzakelijk intensief landbouwkarakter en zonder grote natuurkernen, waarbij er van uitgegaan kan worden dat er voor everzwijnen geen ruimte is om een permanente populatie op te bouwen. Toch wil Natuurpunt hier een slag om de arm houden en, geval per geval, het mogelijk voorkomen van een wild zwijn in een eigen natuurgebied evalueren ten aanzien van de te ondernemen acties. In elk geval is er afgesproken tot meldingsplicht bij het waarnemen van de soort (bv. via waarnemingen.be), en is het engagement aangegaan om medewerking te verlenen aan maatregelen op het terrein mits voldaan is aan een reeks criteria, zoals het rekening houden met de gehanteerde ecologische doelstellingen van het gebied.

Terzijde kan hier opgemerkt worden dat de benadering van het (inheemse) everzwijn als potentieel ‘schadelijke’ soort met recht en reden helemaal anders is dan die van onze inheemse roofdieren. Roofdieren als bv. vos, marter en wolf leven strikt territoriaal in grote leefgebieden, zodat hun aantallen per oppervlakte van nature steeds geplafonneerd blijven op een lage dichtheid. Everzwijnen daarentegen zijn niet territoriaal en leven in groepen, die – zolang er (landbouw)voedsel beschikbaar is – ongeremd steeds omvangrijker kunnen worden.

Everzwijn © Rik Desmet

Voorkomen in de Vlaamse Ardennen

Hoewel everzwijnen best in staat zijn om over tientallen kilometers uit te zwerven, zijn er in de regio van de Vlaamse Ardennen weinig concrete, recente waarnemingen van (echt wilde) everzwijnen. De soort is nu eenmaal heel lekker om op te eten en wordt tijdens zo’n zwerftocht zonder twijfel hier of daar wel eens ‘in stilte’ gestroopt. Daarnaast worden everzwijnen af en toe kennelijk ook wel in gevangenschap gehouden, wellicht als big opgekweekt.

Zo werd in september 2016 het Opvang­centrum voor vogels en wilde dieren (VOC) van Geraardsbergen opgetrommeld om warempel drie tamme, vrijlopende everzwijnen – met spoed, want de Renewi-wielerwedstrijd ging er eerstdaags passeren – te komen wegvangen van tussen de huizen in de Geraardsbergse Gaverstraat. Waar de dieren vandaan kwamen, raakte nooit bekend. Het VOC meldt overigens sinds ruim een decennium nagenoeg elk jaar wel een oproep te krijgen om weer ergens een ontsnapt hangbuikzwijn of ander tam varken te gaan vangen. Spoorwaarnemingen (pootafdrukken, wroetplekken, stronten, …) alleen bieden dan ook sowieso weinig houvast, net zo min als (wazige foto’s van) een varken gezien op verre afstand. Het dood gevonden everzwijn nabij de Zingembrug in Welden, eind november 2023, was reeds in gevorderde staat van ontbinding en best mogelijk afgedreven via de Schelde. In januari 2024 werden twee everzwijnen goed en wel gezien en gefotografeerd op verschillende plaatsen in Everbeek, en gespreid over de periode van mei tot in oktober van dat jaar registreerde een cameraval een everzwijn in het natuurgebied ‘De Nuchten’ in de Geraardsbergse Dendervallei, nadat het dier daar door jagers werd gezien. In het Raspaillebos werd (in het privé-gedeelte) 1 exemplaar nadat het er in augustus 2024 op cameraval werd geregistreerd. Lastig is ook dat weinig concrete informatie-uitwisseling tot stand komt met de Waalse, nabije buren. In december 2025 werden 2 exemplaren geschoten in Amougies en 1 op de grens Kluisbergen-Maarkedal. In januari 2026 werd in het Waalse deel van De Rietbeemd (Lessines) een dood exemplaar gevonden (te vinden gelegd?) met een afschotlabel aan de poot.

Ongetwijfeld ontbreken er data in dit overzicht en zijn er nog informatieve aanvullingen te doen op de genoemde waarnemingen: deze zijn welkom bij ondergetekende auteur (koen.van.den.berge@telenet.be).

Met dank aan ANB-boswachters Björn Deduytsche en Yvan Desseyn voor aanvulling van de concrete waarnemingen.

  1. https://natuurenbos.vlaanderen.be/registratie-mailadres-faunabeheerzones ↩︎
Natuurboerderij Bos t’Ename

Natuurboerderij Bos t’Ename

Bevlogen kruispunt voor mens, dier en natuur

De Natuurboerderij te midden van Bos t’Ename is niet zomaar een boerderij met aandacht voor de natuur. Meer dan zeshonderd vrijwilligers uit Ename en omstreken bouwden een mistroostige plek om tot een bezield en bevlogen kruispunt van en voor mens, dier en natuur. Pieter Blondé, die samen met Guido Tack het vuur aan de lont van deze splinterbom aan positiviteit stak, neemt ons mee in het bijzondere verhaal van Natuurboerderij Bos t’Ename.

Interview met Pieter Blondé, door Soetkin Van Rossem

Kan je kort schetsen hoe het allemaal begon?

Voor het prilste begin moeten we terug naar Guido, die ooit het beheer en de bescherming van het reservaat Bos t’Ename tot missie maakte. In 2002 werd de boerderij, wat toen een afgeleefde koeienstal was, aangekocht via een LIFE-project. Lokale vrijwilligers van Werkgroep Bos t’Ename deden toen al een verbouwing in functie van de werking. Gaandeweg voldeed het gebouw niet meer aan de noden die er waren, maar we redden ons. De grote sprong kwam er rond 2020, toen er een plek werd gezocht voor het sociale-economiebedrijf van Natuur en Landschapszorg, dat gevestigd was in Ronse. Werkgroep Bos t’Ename had dan zelf ook al een project lopen binnen de sociale economie en het was een logische stap om de twee ploegen samen te voegen. Omdat er geen geschikte locatie gevonden werd om onderdak te kunnen bieden aan deze ploeg van twaalf arbeiders, vier ploegbazen en heel wat materiaal, dienden wij bij de gemeente een aanvraag in om de boerderij in functie daarvan te verbouwen. We gingen uit van een ‘neen’, omdat we in beschermd gebied liggen, maar kregen toch de toestemming.

Wat maakt dat jullie de toestemming kregen?

Van bij de start stonden er drie grote pijlers voorop: het tegemoetkomen aan diverse sociale en educatieve noden, het maximaal gebruikmaken van de lokale context en bouwmaterialen én een resoluut fauna-inclusief ontwerp. Bij de plannen die we indienden, hielden we ook rekening met de noden en behoeftes van een veertigtal organisaties waarmee we samenwerken. Door de stevig onderbouwde visie met oog voor mens, dier en natuur én het grote draagvlak hebben we de vergunningen gekregen.

De toestemming krijgen is één ding, de realisatie nog iets anders. Hoe zijn jullie eraan begonnen?

Wel, wat we niet hadden was geld, maar wat we wel hadden was: tijd, een sterk netwerk, beschikbaarheid van natuurlijke materialen en een duidelijke visie en doel. We zijn meteen gestart met het gericht samenstellen van een vrijwilligersploeg en het op poten zetten van verschillende financiële acties. Dit lukte vrij vlot, mensen waren meteen mee met het verhaal. Mochten we alles uitbesteed hebben en met de standaard materialen hebben gewerkt, zou de bouw ongeveer een miljoen euro hebben gekost. Nu is het de helft daarvan. We hadden twee jaar vooropgesteld; het zijn er drie geworden. Met de hulp van zo’n zeshonderd vrijwilligers.

Hoe zijn jullie erin geslaagd om al deze mensen te engageren en gemotiveerd te houden?

De sleutel is: co-creatie. Co-creatie zorgt ervoor dat de intrinsieke motivatie stijgt. Dat gaat om eigenaarschap en betrokkenheid. Je creativiteit kunnen inzetten en leren van elkaar binnen een veilige en plezante omgeving. Samenwerken naar een concreet einddoel toe geeft voldoening, omdat je resultaat ziet. De hele bouw was eigenlijk het tegenvoorbeeld van de individualistische maatschappij waarin we meer en meer lijken te leven.

Het is uiteraard ook belangrijk om de juiste profielen binnen de ploeg te hebben. We hadden al een stevige vrijwilligerswerking binnen Werkgroep Bos t’Ename. Aanvullend hebben we gekeken welke kennis en vaardigheden we nog misten en zo mensen, die nog geen vrijwilliger waren gericht aangesproken. Een mooi voorbeeld hiervan is Fred. Fred is altijd leraar geweest in ‘den bouw’, hij was geen vrijwilliger bij Natuurpunt, maar we hebben hem gevraagd om de functie van werfleider op te nemen. De bedoeling was dat hij dagelijks eens zou langskomen om tips te geven. Uiteindelijk heeft hij hier hele dagen meegebouwd en is hij een onmisbare schakel gebleken. Mensen als Fred zijn goud waard. Een ander voorbeeld is de samenwerking met de Sint-Bernardusschool uit de buurt. Van het eerste tot het zesde jaar houtbewerking werkten mee.

Per leeftijd werd gekeken naar de leerplandoelstellingen: de jongere jaren maakten bijvoorbeeld nestkastjes, de oudere trappen en deuren. De zeshonderd mensen die meebouwden, deden dit op hun eigen ritme en frequentie; eenmalig, tijdens bouwkampen van een week, op dagelijkse basis. Iedere hulp was welkom en werd even hard geapprecieerd.

Het werken met lokale en natuurlijke materialen stond voorop, wat moeten we ons daarbij voorstellen?

De moderne bouwsector is heel afhankelijk van uitputbare grondstoffen die de halve wereld rondreizen. Wij kozen voor een radicaal ander pad: dat van extreem doorgedreven nabijheid en het werken met afvalstromen uit het natuurbeheer: hout, leem, klei en stro. De leem komt uit een nieuw gegraven amfibieënpoel vlak achter de boerderij, de bomen voor het hout zijn gerooid binnen een straal van vijfhonderd meter rond het gebouw, het stro komt van onze eigen akkers en van de boer die op vierhonderd meter van hier zit, … Het werken met eigen bouwmaterialen maakt dat de aankoopkosten enorm dalen, maar dat de werkuren uiteraard omgekeerd evenredig stijgen. Het is veel sneller om balken te laten leveren dan ze zelf te kappen, zagen en af te werken. Hetzelfde geldt voor het maken van bakstenen, wat we ook zelf deden. Dat is heel arbeidsintensief, maar paste volledig binnen onze filosofie.

Het mooie aan het werken met deze materialen is uiteraard dat het heel ecologisch is, maar dat we daarvoor ook op oude bouwtechnieken moesten terugvallen. Dit ging gepaard met proberen, falen en opnieuw proberen, maar ook daar weer konden mensen van elkaar leren, hun creativiteit inzetten en zo tot het gewenste resultaat komen. Hierdoor heeft de boerderij ook een grote educatieve waarde. De vleermuizenzolder bijvoorbeeld toont maar liefst vijf verschillende bouwtechnieken met leem, stro en hout. Waaronder de klassieke stroleembouw en vakwerk, waarbij een kader van houten balken opgevuld wordt met vitswerk; houtvlechtwerk met buigzame takken.

Nu het bouwen officieel een eindpunt bereikt, voor wie staan de deuren open in de toekomst?

De vaste bewoners zijn sowieso de vrijwilligers van Werkgroep Bos t’Ename en de arbeidersploeg. Zij krijgen gezelschap van drie belangrijke doelgroepen: mensen die het moeilijk hebben, de lokale gemeenschap en gespecialiseerde groepen. De lokale gemeenschap gaat van lokale scholen over de KWB tot de harmonie die hier een ruimte willen gebruiken of activiteiten organiseren. Gespecialiseerde groepen zijn groepen die geïnteresseerd zijn in het educatieve aspect van de boerderij en die komen om bij te leren op het vlak van ecologisch bouwen. We krijgen heel veel aanvragen van architecten, opleidingen en overheden om hier studiedagen te organiseren rond specifieke thema’s zoals koolstof-opslaand bouwen bijvoorbeeld. Het project wordt als uniek beschouwd door de schaalgrootte en de vele componenten die vervat zitten en aantoonbaar zijn, waardoor het gebouw een grote didactische waarde heeft. Vzw aPart is onze belangrijkste partner voor onze sociaal-maatschappelijke pijler. Zij werken met jongeren die geen hulp meer vinden binnen de reguliere hulpverlening. Jongeren die er vrijwillig voor kiezen, kunnen hier een traject afleggen, waarbij de focus ligt op het helpen op de boerderij; dieren verzorgen, hout klieven, aardappelen rooien, … Er wordt niet gesproken over hun problemen, tenzij zij het zelf aangeven. Hier kunnen zij volledig in het moment leven, zinvolle activiteiten verrichten en positieve ervaringen opdoen in een heel andere omgeving dan waarin ze doorgaans leven. Stap voor stap herwinnen ze vertrouwen in zichzelf en in de medemens. Alles op hun eigen tempo. Sommige gasten kiezen er op een bepaald moment voor om hun traject te eindigen en aan te sluiten bij de vrijwilligerswerking. Dit is geen doel op zich, maar we zijn gelukkig als dit gebeurt.

Uiteraard hopen we ook tal van dieren en soorten aan te trekken. Samen met experts, zoals Dirk Criel van het Faunahuis en met de Vogelwerkgroep Vlaamse Ardennen plus, ontwierpen we een ambitieus nestkastenplan voor vogelsoorten. Bijzondere aandacht gaat ook naar de ingekorven vleermuis. Via gerichte ingrepen op basis van een onderzoek dat we initieerden, biedt de boerderij een potentieel zomerverblijf. Onder het dak zijn verschillende temperatuurzones gecreëerd al naargelang de noden; zo warm mogelijk, een stabiele temperatuur en een koele ruimte. Daarnaast is de hele voorkant een gedroomd vleermuizenhotel, via kijkluikjes kan je zien waarom. Het is de bedoeling om ook deze kennis weer te gaan delen.

Een laatste vraag: ben je niet bang voor het spreekwoordelijke zwarte gat na deze intense rit van de afgelopen drie jaar?

We hebben hier altijd wel projectjes (lacht). Heel eerlijk, ik kijk uit naar de opening, zodat we een feestelijk punt achter de bouw kunnen zetten en ons weer kunnen focussen op de bescherming van natuur, landschap en erfgoed. Het gaat niet goed met de natuur, dat weten we intussen allemaal, maar het toffe is dat wanneer je natuur goed beheert, je de achteruitgang van de biodiversiteit in zekere mate kan tegenhouden en vooral in de natuurgebieden zelfs positief kan keren. De boerderij kan hier op verschillende manieren ondersteuning in bieden, dus we gaan daar volop op inzetten. Er zijn nog dromen genoeg; voor een zwart gat hebben we geen schrik.

Bronswespachtigen

Bronswespachtigen

Alle foto’s bij dit artikel zijn auteursrechtelijk beschermd door Johan Raes. Voor overname van tekst en foto’s, contacteer de redactie.

Ik kan mij inbeelden dat bij een eerste blik op deze pagina de foto’s niet direct een reflex van herkenning bij jou teweegbrengen. Niet verwonderlijk, want Chalcidoidea, met de wat ongelukkige Nederlandse benaming ‘bronswespachtigen’, zijn door de band genomen zo klein dat je ze meestal gewoon niet opmerkt. Als je ’s zomers een kriebel op je arm voelt, en met je duim een ‘klein vliegje’ platdrukt, dan is de kans groot dat het niet gaat om een vlieg (diptera), maar om één of ander prachtig bronswespje.

Ervaren amateur entomologen zullen wel bekend zijn met de (meestal) felgroene Torymidae (staart- of zaadwespen), of een occasioneel specimen van de familie van de Chalcididae. Maar verder kregen deze insecten bij ons nauwelijks aandacht in entomologisch onderzoek. Met een gemiddelde grootte van 1,5 – 2 mm is bestudering ook niet zo simpel, en vereist determinatie tot op soortniveau bijna altijd microscopisch onderzoek.
Tot voor de zomer van 2025 was ik mij ook niet bewust van de soortenrijkdom van deze superfamilie. Maar door wat meer te experimenteren met macrofotografie in het bereik 2:1 tot 4:1 (bij formaat full frame sensor) ging een nieuwe wereld voor mij open. De foto’s hierbij afgebeeld zijn dus minimaal met 2 x vergroting genomen, scherptediepte (bij f:8 tot f:11) is dan ook meestal beperkt tot (zelfs minder dan) 0,5 mm. Bruikbare (voldoende scherpe) opnames zijn dan ook in de minderheid. Voor wie deze beestjes alive-and-kicking wil fotograferen een factor om rekening mee te houden!

Info over Chalcidoidea is schaars, wat niet hoeft te verwonderen gezien hun geringe visibiliteit. Het viel mij direct op dat op waarnemingen.be maar weinig registraties stonden.
Onze noorderburen zijn met waarneming.nl al veel verder gevorderd. Maar daar komt ook bij ons verandering in. Vanaf juli 2025 ben ik zelf dus deze kleine wespen volop beginnen te fotograferen, en in samenspraak met Natuurpunt Studie geef ik sindsdien ook determinaties door, om nieuwe families, genera en soorten toe te voegen aan de lijst.
Natuurlijk zullen de komende jaren de experts/validatoren zich verder daarover moeten buigen, en zal er door voortschrijdend inzicht verder verfijnd worden. Maar het is al een stap vooruit wanneer de omschrijving ‘bronswespachtige onbekend’ kan vervangen worden door pakweg ‘Pteromalidae indet’, ‘Eulophinae indet’ of ‘Macroglenes spec’.
Op moment van schrijven geeft een vraag naar een overzicht van Chalcidoidea nog enkel de niet verder gedetermineerde bronswespachtigen. Maar er is mij beloofd dat bij een volgende update alle gedetermineerde families en lagere taxa ook zullen opgeroepen worden.

Wikipedia (Nederlandstalige pagina) weet ons te melden dat er zo een 22.000 soorten beschreven zijn, maar dat hun aantal veel hoger wordt geschat, en dat de meeste soorten parasitoïden zijn die parasiteren op eitjes, larven en andere ontwikkelingsstadia van andere insecten.
Op de Engelstalige Wikipedia wordt vermeld dat er waarschijnlijk meer dan 500.000 soorten zijn, nog veel te ontdekken dus. Hier leren we onder meer ook dat de benaming ‘chalcid wasps’ komt van het Grieks khalkos, wat ‘koper’ betekent. In onze landstaal is het koper dus brons geworden. Sowieso is deze omschrijving te beperkend, en verwijst ze vooral naar de Pteromalidae en Torymidae. Want Chalcidoidea zijn er ook in het zwart en in zowat alle kleuren. Sommige Entedoninae dragen zelfs zowat alle kleuren van de regenboog op één lichaam.

Een aantal soorten bronswespen wordt gebruikt in de biologische bestrijding in landbouw– en fruitteelt. Voor de vijgen zijn Agaonidae, waarvan ik tot nu toe geen waarneming in België vaststel, belangrijk voor de bevruchting.

Hoe herkennen we de verschillende families, genera en (indien mogelijk) soorten?
Er zijn enkele belangrijke determinatiefactoren, die bij fotografie best zo veel mogelijk in beeld gebracht worden. We denken dan aan de opbouw van de antennes, het aantal tarsen van de poten, de beadering op de voorvleugels, of de bouw van het borststuk (mesoscutum, scutellum, …). Hieronder vind je een overzichtje van Google AI om zo alvast een onderscheid te kunnen maken tussen de Eulophidae (bladmijnwespen) en Pteromalidae. Dat is al heel wat, want het overgrote deel van waarnemingen bij ons valt onder deze twee families.

Waar vind je Chalcidoidea? Mijn ervaring is vooral op de bladen van eik en esdoorn.
Tot mijn verbazing bleek de beukenhaag rond mijn tuin ook boordevol te zitten met bronswespjes. Waarschijnlijk zijn ze aangetrokken door de honingdauw, een gratis voedselbron aangeboden door de beukenbladluis.
Zoek verder zeker ook op schermbloemen. Als je bijvoorbeeld duizendblad afschudt heb je veel kans op een kolonie bladmijnwespen, veelal Tetrastichninae van 1 – 2 mm groot.

Er zijn een twintigtal families Chalcidoidea die in onze contreien te vinden zijn.
De bekendste zijn zeker de Torymidae (staart- of zaadwespen) en de Chalcididae (dikdijwespen). Van deze laatste familie zien we geregeld meldingen van Haltichella rufipes en een of andere soort Brachymeria. Ze zijn (bijna volledig) zwart, en makkelijk te onderscheiden door hun extreem verdikte achterste femorae (dijen), met onderaan een rij tanden of inkepingen. Het middelste borststuk is robuust gebouwd.

De vrouwtjes van de staartwespen zijn gemakkelijk te herkennen aan de erg lange legboor. Sommige mannetjes lijken wat op Pteromalidae. Maar ze onderscheiden zich onder meer door 13 antenneleden, een diep gegroefd mesoscutum en een gebogen spoor op de voorste tibiae. Torymus, Monodontomerus en Megastigmus zijn bij ons de bekendste genera.

Ook van Eurytomidae zien we wel eens een beeld terug. Deze familie wordt in het Nederlands kraagwespen genoemd, afgeleid van hun breed pronotum (= het voorste bovengedeelte van de thorax). Ze zijn bijna zonder uitzondering dof grijszwart, en zwaar gepuncteerd. Het genus Sycophila kent wel soorten met geel/oranje tekening.

Eupelmidae staan op waarnemingen.be ook aangeduid als keverbronswespen. Het zijn dan ook wespen die vooral parasiteren op keverlarven. Je kan ze herkennen aan het lang uitgerekte lichaam, met een concaaf mesonotum (= middelste bovengedeelte thorax).

Ormyridae zijn zeer robuust gebouwd, met een hoog opbollend borststuk en een puntig achterlijfseinde. Kleur donkergroen of -blauw. Ze zijn verbonden met gallen, voornamelijk als parasieten voor galwespen.

Perilampidae (deukkopwespen) zijn (meestal) prachtig metallic blauw of groen gekleurd. Ze zijn fel gepuncteerd en hebben een kort gedrongen achterlijf. Vooral Perilampus aeneus wordt bij ons soms eens gezien, hoewel het voor mij ook al van 2019 geleden is.

Aphelinidae (bladluiswespen) en Encyrtidae (borstelwespen) zijn beide families met heel kleine insecten. De Aphelinidae hebben het vooral gemunt op halfvleugeligen zoals bladluizen. Ze worden dan ook wel eens ingezet bij biologische pestbestrijding.
Ze hebben grote ogen, en hun lichaamsbouw is gekenmerkt door een achterlijf dat grotendeels aan het borststuk is gekoppeld.
De borstelwespen vormen een grote familie van parasitaire wespen. Ze zijn te determineren door het grote convexe mesopleuron, dat is de plaat in het midden van de zijkant van de borst.
Er zijn echte pareltjes te vinden onder deze familie, zoals Microterys nietneri en het genus Metaphycus.

Mymaridae (elfenwespen) hebben een donkerbruin of zwart lichaam, en vallen op door hun peddelvormige vleugels met franjes aan de rand. De vrouwtjes hebben antennes met op het uiteinde een knots. Op de kop hebben ze een H-vormig patroon. Goed uitkijken als je er een wil spotten, want ze behoren tot de kleinste insecten ter wereld.

De Pteromalidae zijn met hun metallic groen/brons/koperkleurige tekening misschien wel het meest representatief voor de superfamilie Chalcidoidea. Deze familie heeft in 2022 taxonomisch wel heel wat verandering ondergaan. Heel wat families die eerder niet direct ergens konden toegewezen worden, werden toen bij deze familie ondergebracht. Sindsdien blijven er van de originele 33 families nog een handvol over. Het eerste determinatiekenmerk betreft het 5-delig karakter van de voorste en achterste tarsen. Verder hebben de antennes 8 tot 13 elementen, met meestal 6 funiculi (= de flagellomeren tussen pediceel en clava). Veruit de grootste subfamilie zijn de Pteromalinae.

Mijn favoriete familie is Eulophidae (bladmijnwespen). Het zijn erg kleine beestjes, en blijkbaar moeilijk te bewaren voor determinatie. Bijgevolg is er ook maar weinig fotomateriaal van. Waarschijnlijk ligt hier een opportuniteit voor de ontdekking van nieuwe soorten. Ook bij ons.
Ze zijn te herkennen aan 5 tarsen en antennes met maximaal 10 elementen, en 2 tot 4 funiculi. Voor de beschrijving van een antenne wordt hier soms een getal gebruikt. Het getal 11343 staat dan voor een antenne opgebouwd uit 1 schacht, 1 pediceel, 3 annelli (= zeer kleine tussenringen), 4 funiculi en een clava (club) samengesteld uit 3 elementen.
De variëteit is enorm, zowel wat kleur als morfologie betreft. Er is de subfamilie Entedoninae met prachtig gekleurde genera als Chrysocharis en Closterocerus. De Eulophinae zijn dikwijls oranje/geel of groen. En de Tetrastichninae hebben zowel donkergekleurde als blekere soorten. Als er een beter overzicht is van onze bladmijnwespen hoop ik in de toekomst daar nog eens een apart artikel aan te kunnen wijden.

Van Eucharitidae zijn nog geen soorten waargenomen bij ons. Eucharis adscendens staatgenoteerd als ‘verwacht’.
Leucospidae kent in België één soort, Leucospis dorsigera, waarvan enkel waarnemingen ten oosten van Brussel.

Tetracampidae, Trichogrammatidae en Signiphoridae zijn nog andere families met erg kleine wespjes.

Zo, hopelijk is de interesse gewekt voor deze nog grotendeels ongekende insecten.
Volgend keer een diertje uit één van de fabels van La Fontaine …

Infosites voor determinaties:

50 jaar MOW – 50 jaar positief verzet

Over landschapswee, natuur- en andere amnesie, en over wanhoop, recht, hoop en verzet

Vooreerst dank om mij de gelegenheid te geven hier te staan. Toen ik in het voorjaar een telefoontje kreeg van Marc De Jonghe met de vraag of ik hier vandaag een lezing wou geven, dacht ik ‘Ach, 28 november is nog ver. Ik heb nog tijd’. Maar de zee van tijd die ik me voor mijn pensioen had voorgesteld is een plasje gebleken. De dagen zijn nog korter dan voorheen.

Na de zomer begon ik dus te denken waarover ik het vandaag zou hebben. 50 jaar SOW/MOW in 20 maximum 25 minuten vatten zou niet lukken. Uiteindelijk was ik er een paar weken met bezig. Het is namelijk een aanzet geweest om mijn  buro op te ruimen. Die stond nog vol dozen met documenten, verhuisd van de rechtbank naar Welden.

Het is een gelegenheid geworden om in mijn archief te grasduinen, dingen te herontdekken, jeugdherinneringen scherper voor de geest te halen.

Waarnemingen.be bestond nog niet in de jaren ’60 en ’70. Maar ik hield nauwgezet excursieboekjes bij van wat ik zag. Bijvoorbeeld op mijn eerste tochtje op 16 maart 1968, langsheen de Schelde, van Oudenaarde naar Eine. Dat was met Wilfried Vanderweeën die mij mijn eerste tafeleenden en ijsvogels liet zien, langsheen een Schelde die half zo breed was als nu maar met slechte waterkwaliteit, waar vrachtboten op voeren die men nu bootjes zou noemen, met afkalvende oevers en een tragel die niet meer was dan een karrespoor. Daar loopt nu een brede asfaltweg, ligt een nieuwe brug, een containerpark, een waterzuiveringsinstallatie en nog één klein weitje met knotwilgen, zoals er toen alleen maar die waren tussen Oudenaarde en Eine.

Een week later maakte ik een grotere excursie, met vogelaars naar wie ik als snotneus van tien opkeek. Dat waren Wilfried en Luc Menschaert die mij beide de jaren die volgden leerden vogels ringen, en ook Gust Schaemelhout was erbij, Marcel Nachtergaele, John Rigaux, en Norbert Desmet. Dat was naar de moerassen van Harchies, de verzonken gronden boven de koolputten van de Borinage. Daar hoorden we de eerste Cetti’s zanger, een klein onooglijk bruin vogeltje met roze pootjes, dat je zelden te zien krijgt, maar met een geluidsorgaan dat dat van Guido Tack evenaart, en nu als gevolg van de klimaatverandering zijn areaal noordwaarts heeft uitgebreid en in de Scheldevallei  algemeen aanwezig is. Maar dat konden we in 1968 nog niet vermoeden.

Het is heerlijk struinen in die oude notaboekjes. 

We waren bezig met vogels kijken en natuur bewonderen.

Ik ben blijven noteren, en schrijven.

De voorbije 40 jaar schreef ik eerst verzoekschriften en conclusies, artikels over milieurecht, en daarna vooral vonnissen, veel vonnissen. Soms meer dan mij lief was.

Alleen enkele intimi weten dat ik soms andere dingen schrijf. Meestal in dit  donkere jaargetij wanneer de zon uitslaapt en terug vroeg naar bed gaat, wanneer je alleen nog buiten loopt om naar de uilen of de gakkende ganzen in de vrieslucht te luisteren.

Ik wil deze lezing – niet zonder bijbedoeling – beginnen met een klein gedicht geschreven in december 2016. Het luidt  ‘Betonstop’.

Betonstop

Het is het keren van het licht
het wisselen der seizoenen
waar ik naar uitkijk

Het groeien van de zon
en het krimpen van de maan
waar ik naar verlang

En ook naar het pastel in ogen
die niet begrijpen
waarom het tij niet keert.

Tien jaar na de aankondiging van de Betonstop verscheen vorige maand in De Standaard een reeks artikelen onder de titel ‘Vlaanderen gaat van groen naar grijs’.

Daarin schreven Simon Demeulemeester en Dries De Smet : “We hadden niet door hoe snel het ging, tot we deze beelden zagen”. Met luchtbeelden toonden ze aan hoe massaal onze open ruimte verdwijnt. En hoe razendsnel dat gaat. Betonstop of niet.

Die beelden gingen over de periode 2018 tot en met 2023.

Iets langer geleden dan 2018, maar nu ook geen eeuwigheid, is 1968.

1968 was het jaar dat ik een tiener werd, het jaar waarin op een donkere vrijdagavond het noodlot in ons gezin toesloeg.

1968 was het jaar van de ‘Praagse Lente’,  het jaar dat wij als kinderen ‘Leuven Vlaams’ scandeerden op de speelplaats niet wetende waarover het ging, het jaar waarin Robert Kennedy werd doodgeschoten en Amerikaanse soldaten honderden vrouwen en kinderen vermoordden in My Lai, in Memphis Martin Luther King doodgeschoten wordt, in Parijs de studenten op straat kwamen.

Het zijn beelden die op mijn netvlies staan gebrand. In zwartwit, want het was vroeg donker, of omdat de TV in de woonkamer alleen die twee kleuren kende.

1968 is ook het jaar waarin de EU nog niet bestond en de EEG slechts 6 lidstaten telde. Het jaar waarin Sicco Mansholt, de Europese Landbouwcommissaris, zijn plannen voor de hervorming van de Europese landbouw ontvouwt. De landbouw moest grootschaliger, productiever, de keuterboeren moesten eruit. De helft van de 10 miljoen boeren moest verdwijnen. Om productieoverschotten tegen te gaan zouden 5 miljoen hectare landbouwgronden bebost worden of geschikt gemaakt voor recreatie. 

De volgende decennia zien we de resultaten daarvan. Geen bebossing. Wel ruilverkavelingcomités die het boerenlandschap uitkleden. Hoogstamboomgaarden, houtkanten, rijen knotwilgen worden gerooid, grachten gedempt, ‘waterzieke’ gronden gedraineerd. De natte Meldenmeersen ooit zo rijk aan bloemrijke graslanden en sloten, en weidevogels, zijn sindsdien een droge, zo goed als lege doos geworden.

In 1968 wordt de Club van Rome opgericht die in 1972 zijn rapport ‘Grenzen aan de groei’ bekend maakt. Daarin wordt gewaarschuwd voor de gevolgen van onbeperkte economische groei en de uitputting van natuurlijke hulpbronnen.

Enige jaren daarvoor, in 1962, verscheen ‘Silent spring’, vertaald naar Dode Lente, van de hand van de Amerikaanse biologe Rachel Carson. In dat boek legt ze de schadelijke milieueffecten veroorzaakt door het willekeurige gebruik van pesticiden bloot. Ze toonde het verband aan tussen het gebruik van DDT en te dunne eischalen van slechtvalken en andere roofvogels waardoor de eieren braken en er geen jongen meer groot gebracht werden. De slechtvalk was bijna verdwenen. Carson klaagde de chemische industrie aan voor het verspreiden van desinformatie, en ambtenaren voor het klakkeloos accepteren van de marketingclaims van de industrie. Recent werd de druk van die lobby en de beïnvloeding van rapporten en EU-besluitvormers nog maar eens bekritiseerd. Niets nieuws onder de zon dus.

‘Dode Lente’ kreeg over de hele wereld veel aandacht. Ondanks verzet van de chemie lobby was het de aanzet tot verandering in het beleid inzake pesticiden. In de EU is sinds 2007 REACH van kracht. Dat is de Europese verordening over de productie van en handel in chemische stoffen. REACH staat voor Registratie, Evaluatie, Autorisatie en Restrictie van Chemische stoffen en bepaalt waar bedrijven en overheden zich aan moeten houden. Het Europees Agentschap voor chemische stoffen moet daar op toezien. Maar nog niet genoeg om te voorkomen dat het Blankaartbekken vol zit met drinkwater dat geen drinkwater zou mogen zijn wegens teveel landbouwpesticiden erin.

‘Silent spring’ kan ook beschouwd worden als het begin van de milieubeweging.

Rachel Carson kreeg nooit een Nobelprijs. De uitvinder van DDT wel. Intussen is DDT weg, zijn de slechtvalken terug maar wordt onder druk van de chemie en landbouwlobby het schadelijke glyfosaat nog steeds algemeen gebruikt.

Met de slechte staat van natuur en milieu groeide het milieubewustzijn.

1970 werd het eerste Europees Natuurbeschermingsjaar. In mijn huis hangen nog 3 van een vierluik van affiches met de titels ‘Dag Vissen, Dag Bloemen , Dag Vogels, om jullie bekommeren we ons niet’.  ‘Dag Mensen’ – 4 mannen in het zwart met een doodskist – moet verloren gegaan zijn bij een verhuis.

In mijn eerste excursieboekje vond ik een kladje terug van een brief die ik als 12-jarige naar de minister van landbouw stuurde om hem te overtuigen de vogelvangst af te schaffen.

De stap van vogels kijken, van natuur naar milieubewustzijn was een logische stap. In de jaren zeventig werden dan ook vele milieuverenigingen opgericht. In 1971 onder andere Greenpeace en hier te lande Bond Beter Leefmilieu. Er volgden vele andere groenkomitees, regionale verenigingen zoals ABLLO, RALDES, SOW…

Een aantal vogelaars engageerden zich ook in de milieubeweging. Mijn eerste betoging stapte ik mee van Leupegem naar de elektriciteitscentrale te Ruien waar pitch werd gestookt om stoom te maken die de turbines deed draaien. Pitch was afval van olieraffinaderijen en zorgde voor een grote uitstoot van zwaveldioxide, en tot grote woede van huismoeders in Ruien en omgeving ook voor zwarte vettige stippen op de vers gewassen lakens aan de wasdraad.  Die betoging dat was ‘vijf man en een paardekop’, gevolgd door veel meer BOB’ers.  Op 10 juli  1971 organiseerde het Groenkomitee Vlaamse Ardennen een betoging met 750 mensen. Het duurde jaren vooraleer de pitch vervangen werd door steenkool. Vanuit mijn slaapkamer vlakbij de Schapendries zag en hoorde ik dagelijks de kolentrein door de kouter aan de voet van de Koppenberg naar en van de centrale denderen.

Toen waren er nog 3 zangposten van grauwe gors in die grote kouter, hoorde je er de kwartels kwekken in het koren en de zang van de veldleeuwerik was overal aanwezig.

Maar de pitchcentrale werd ontmanteld. De koeltoren die de Scheldevallei overheerste werd opgeblazen. Een groot bedrijventerrein en een nieuwe ontsluitingsweg kwamen in de plaats. De nog aanwezige natuur kwam onder druk. De regels werden daarbij niet gerespecteerd. Er volgden veroordelingen tot geldboetes en herstel.

Het treinspoor naar Ruien werd een fietssnelweg door de kouters, waar het nu voor het overige oorverdovend stil blijft. Dag grauwe gors, dag leeuwerik, dag patrijsjes, dag geelgors, dag grote lijster… om jullie bekommerden we ons niet. Ook de kouter van Melden is een zo goed als lege doos geworden.

Waarom vertel ik dit alles, waarom heb ik het over deze recente oudheid?

1968 is mijn baseline.

Laat het ons eerst even hebben over het shifting baseline syndrome. Dat is het fenomeen waarbij elke generatie de natuurtoestand uit hun jeugd als de standaard of ‘normaal’ ervaart. Dat leidt tot een geleidelijke verandering in de aanvaarde normen voor de toestand van het natuurlijk milieu, vaak als gevolg van een gebrek aan ervaring, geheugen en/of kennis van de vroegere toestand ervan. Zo luidt een definitie van dit begrip.

Je leest er alles over in het razend interessante boek ‘Natuuramnesie. Hoe we vergeten zijn hoe de natuur er vroeger uitzag’ van Marc Argeloo.  

Maar wie eerder dit jaar in Deinze naar de prachtige tentoonstelling ‘Emile Claus, prins van het luminisme’ ging kijken, en nadien in hetzelfde museum naar de lezing van Guido ging luisteren weet ook al wat natuuramnesie en het shifting baseline syndroom is.

Ik wil het even hebben over mijn baseline, de baseline van een naoorlogse generatie.

Mij is het decennia terug beginnen dagen wat het shifting baseline syndrome betekent.  Dat heb ik vooral te danken aan de auteur van ‘Zijn er nog vogels?’. Luc Menschaert, een bescheiden maar groot natuurkenner met goede pen.

Jaren zijn we samen op pad geweest om vogels te ringen. Honderden boerenzwaluwen – in mijn notitieboekje lees ik 700 in september 1976 – op de slaapplaats in de wiedauw naast de brouwerij Liefmans, grote gele kwikstaarten langs Zwalm en Maarkebeek, ransuilen op de Zandvlo in Lozer, kieviten en watersnippen in de Scheldemeersen, grauwe en bonte vliegenvangers in Luc’s tuin te Heurne… Rode wouwen en bruine kiekendieven spottend in de  Argonne.

Hoe vaak hoorde ik hem dan vertellen over het Zingem van de jaren ’60 waar hij opgroeide en vogels keek. Over de woudaapjes in de moerasbosjes langs de Schelde, de gekraagde roodstaarten in de tuinen, de kwartelkoning…? Om er dan telkens met enige nostalgie, of was het tristesse?, aan toe te voegen: ‘Sire, er zijn geen vogels meer’. Luc kende ook zijn geschiedenis. Sinds dan weet ik dat ik iets gemist heb waarvan ik het bestaan niet wist.

De jaren daarop heb ik die verschraling zelf zien verder toenemen. Voor mij en mijn generatiegenoten vogelaars is het geen natuuramnesie. We zagen het gebeuren: minder open ruimte, meer versnippering, minder vlinders, kleinere aantallen en minder soorten.

Confronterend is het wanneer ik het met mijn kinderen heb over hoe het landschap van mijn jeugd er uit zag, en vooral wat we daar allemaal konden waarnemen. In een verwonderde blik lees ik wat natuuramnesie is.

Onlangs vertelde ik aan Simon De Meulemeester hoe het landschap er uit zag waar nu zijn woning staat. Dat is waar Guido en ik begin de jaren zeventig over een stoffige of modderige landweg door de grote kouter van Ename naar het Wallebos fietsten om er de waterspitsmuis in de Riedekensbeek te vangen, een torenvalkkast te gaan ophangen, ransuilen in het sparrebosje te gaan tellen …

Ik las verbazing in Simons blik. Alsof zijn woonwijk er altijd was geweest. Maar er zijn nog meer verdwenen landschappen waar jij geen weet van hebt, Simon. Misschien moet je eens dezelfde van-groen-naar-grijsoefening doen voor je eigenste stad.

Ik geef een aanzet, help je op weg. Zonder luchtfoto’s, voor de vuist weg uit mijn memorie. Verontschuldig mij als ik daarbij soms nostalgisch zou klinken.

Om te beginnen twee verdwenen parels, gestolen kroonjuwelen van de Scheldevallei. 

Weet nog iemand hoe eind de jaren ’60 het landschap er uit zag in Leupegem waar nu de ambachtszone ‘Meersbloem’ ligt? Daar, net daar, mondde de Maarkebeek in de Schelde uit. Dat was een merkwaardig stuk natuur. Die monding was een klein estuarium – ik schat een kleine 2 hectare groot – met geulen met slikplaten en rietkragen waar talrijke rietvogels leefden en steltlopers foerageerden. We plaatsten er mistnetten en vingen en ringden er oeverlopers en ijsvogels.

En wie herinnert zich nog de ‘Plas van Modest’, en waar die lag? Op een boogscheut, aan de overkant van de Schelde, lag in de meersen een jachtvijver een beetje zoals een eendenkooi. Een vierkantig moeras – ik schat een hectare groot – omzoomd door een dubbele rij oude knotwilgen. Een rietveld met parallel lopende watergangen waarop je zicht had vanuit een bunkerachtige schuilhut.

Toen de Donk gegraven werd om het talud aan te leggen dwars door de natte Scheldemeersen werden af- en opritten van de nieuwe Minderbroederstraat  aangelegd, uitgerekend waar ‘de plas van Modest’ lag. Jarenlang waren nog enkele van de knotwilgen die er ooit rond stonden te zien als stille getuigen van een verloren parel.

De vestingen, nauwelijks 200 meter van het stadscentrum, vormden nog, zoals ten tijde van Vauban, de grens aan de westkant van de stad. De enige bouwwerken die er stonden waren een romantisch prieeltje op een eilandje aan één van de vijvers, en, waar nu de overdekte parking ligt, een openbaar openlucht zwembad, dat de vorm had van een ronde waarrond de cabines gebouwd waren.  Daar – in de Puikom zo heette het ding in de volksmond – gingen wij zwemmen, tussen de kikkers en salamanders.

Vandaar af, waar nu Delhaize, appartementen en het sociaal huis staan begonnen de Scheldemeersen die tot in de vroege jaren 70  ’s winters onder water stonden. Op die grote winterse watervlakte, schier tot in Kerkhove foerageerden honderden slobeenden, pijlstaarten, wintertalingen, goudplevieren en kieviten. 

Misschien klinkt dit nostalgisch maar het zou ook landschapswee of landschapspijn kunnen heten. En je mag dat bijna letterlijk nemen. Het is een pijnlijk gevoel dat jarenlang aan je knaagt. De reden waarom ik lang niet meer in de Langemeersen kwam. Er naartoe gaan was te confronterend. Ik kon de teloorgang van landschap en natuur niet verdragen. De reden ook waarom ik vermeed door je woonwijk te rijden, Simon. Telkens wanneer ik aan de Meersbloem voorbij rij en het beeld van het estuarium van de Maarkebeek voor de geest verschijnt, zijn het mooie herinneringen maar ook pijnlijke vaststellingen.

Onwillekeurig moet ik dan denken aan de inwoners van Deurne die deze zomer met lede ogen moesten toekijken hoe op de Boekenberglei mannen met kettingzagen grote gezonde bomen neerhaalden voor de aanleg van nieuwe tramsporen, en hoe de groene buurt veranderde in een kaalslag. Ooit zegt een oma tegen haar kleindochter ‘Hier stonden vroeger mooie grote bomen en in de zomer was het heerlijk koel wandelen in het lommer ervan, tot in augustus 2025’.

Ook in deze stad zijn veel grote bomen verdwenen. Veel meer dan er bijgekomen zijn. Pijnlijk veel noodkapmachtigingen werden verleend waarvan de noodzaak vaak twijfelachtig was en waarvoor geen enkele boom in de plaats is gekomen. In mijn dorp zijn de oude notelaars in de voortuin van de pastoor gerooid. Ze bepaalden het dorpsgezicht. Dat gebeurde met een machtiging van de burgemeester. Al drie jaar moesten er nieuwe hoogstammen aangeplant worden. Maar zoals op tientallen andere plaatsen is dat niet gebeurd. En als het bestuur niet in actie schiet zal het ook niet gebeuren. Er is werk aan de winkel. Over elke kapmachtiging of vergunning zou 3x nagedacht moeten worden. Mag ik een suggestie doen aan het bestuur? Een voldoende hoge borgsom, pas terugbetaald als de heraanplant effectief en duurzaam is uitgevoerd, zou al veel onheil voorkomen.

Maar bedenk eerst: een volwassen boom vervang je niet zomaar. Het duurt decennia vooraleer nieuwe aanplant hetzelfde milieu- en klimaatvoordelig effect zal hebben.

Deze stad en deze regio hebben nog heel veel mogelijkheden om te vergroenen in plaats van te vergrijzen. De kinderen van nu zijn de grijsaards van morgen. En die zullen dan dankbaar zijn voor de bomen die nu geplant worden.

Het stadslandschap van deze stad zag er ook enigszins anders uit met de Schelde achter het begijnhof waar nu de Smallendam loopt, het slachthuis aan de Meerspoort, de Burgschelde achter de oude post, het Jezuïtenplein met zijn kasseien en in het midden de fontein. Ik weet niet meer op welke weekdag het was maar daar was er ook varkensmarkt en dan liepen we op weg naar school tussen grote platte manden vol met kleine en grote biggen. Een kotelet smaakte nog naar kotelet.

Zo kan ik nog veel beelden voor de geest halen.

Er zijn meer oude foto’s van stadgezichten dan van op de boerenbuiten. De landschapsamnesie is minder intens in de stad. Voor reconstructie en herstel is er beeldmateriaal. Talrijk zijn de steden in Europa waar het water weer zijn plaats krijgt in de stad.

Het boek ‘Landschappen in Vlaanderen, van groene armoede naar grijze overvloed’ dat de Nationale Plantentuin samen met de Belgische Natuur- en Vogelreservaten (zo heette Natuurpunt toen) in 1981 uitgaf, is dan ook een historisch maar pijnlijk document.

Ik ben ervan overtuigd dat natuuramnesie leidt tot natuurblindheid want wat er niet meer is kan je niet meer ontdekken, niet meer observeren, niet meer leren kennen, niet meer verwonderd over zijn. En dat is een groot verlies. Het is een beetje alsof je de musea en archieven leeg haalt.

In Natuuramnesie en het shifting baseline syndrome schuilt ook een gevaar. Hoe doe je immers aan natuurherstel als je niet weet wat je wil herstellen?

Van de vogels naar het recht

Maar eerst nog even dit. Wat  ‘natuuramnesie’ is maak ik even aanschouwelijk. Ik had het over dozen. Je zag ze misschien al staan.

Er zijn meerdere veertigers, vijftigers, zestigers in deze zaal aanwezig. Dat is niet moeilijk om te zien. En met Vic, de volgende spreker, is ook de jeugd aanwezig.

Dit is de doos van jouw jeugd Vic, kleiner en ietwat minder vol, minder biodivers. Datt is de doos van Luc Menschaert zijn jeugd en nog een korte tijd van de mijne.

Ik geloof dat we jouw doos met een andere aanpak terug een beetje groter kunnen maken, en ook een beetje meer gevuld krijgen. Je oom Dries hier aanwezig duwt met Dryade hard mee aan de juridische kar. Tot ergernis van sommige dralende politici die ook hem het zwijgen willen opleggen met de macht van het geld.

Van de vogels naar het recht, het is maar een kleine stap.

Welke vogels niet verdwenen zijn, zijn de kauwen. Wel integendeel.

Twee weken geleden: Buiten geniet een troep van wel 200 kauwtjes van een mooie najaarsdag. Kort na de middag stijgen ze plots van overal op de daken en de weinig nog overgebleven hoge bomen in het dorp op. Ze kringen in de lucht met een luid kabaal, en dan, even plots, ontbindt de groep zich om gezinsgewijs weer op de daken neer te strijken.

Een prachtig, maar vluchtig ‘gevederd social event’ in de lucht.

Die kauwengeschiedenis hier is begonnen – denk ik – begin de jaren tachtig van de vorige eeuw, met één paartje, in het kasteelpark van de notaris te Heurne, toen net buiten het dorp.

Maar één werd twee, en twee werd vier, en vier werden acht paartjes, en…

We zijn veertig jaar verder. De kauwen zijn niet meer weg te denken uit het dorp  en nog moeilijker uit de schoorstenen die ze volstoppen met hopen takken en twijgen. Voor ze naar hun slaapplaats vertrekken in het oude populierenbos langs de Schelde verzamelen ze op de akkers en in de toppen van hoge bomen. Dan tel ik er op een schone winteravond wel eens 500.

De opgang van de kauwtjes en de vaste plaats die ze hebben verworven in het ecosysteem valt ongeveer samen met de opgang van het milieurecht en de vaste plaats dat het heeft verworven in het recht. Ik durf nu nog niet te zeggen in het rechtssysteem.

Ik had het over natuur en milieu  maar over het milieurecht moet ik het toch ook nog even hebben. Voor velen van u wellicht een vreemde wereld. Nochtans heeft milieubescherming onvermijdelijk met regels te maken. Dat weet men bij MOW zeer goed.

Regels ter bescherming van de omgeving en vooral de leefbaarheid bestaan al zeer lang.

Bijna dag op dag 34 jaar geleden, in 1991, stond ik hier als versbakken rechter op dezelfde plek om er op vraag van de Oudenaardse balie de openingsrede te houden ter gelegenheid van de opening van het gerechtelijk jaar. De titel ervan luidde  ‘Weg van Eikendael, het optreden in rechte van burgers en verenigingen’.

Het optreden in rechte van burgers en verenigingen loopt als een rode draad doorheen het milieurecht. Het zijn de wakkere burgers en de milieuverenigingen die ze hebben opgericht, die een cruciale rol hebben gespeeld in de totstandkoming van vele regels maar vooral, en helaas, in het afdwingen van de toepassing ervan. Daarbij werd al te vaak gebotst op de onwil van de overheden om de eigen wetten toe te passen en soms ook op de gesloten deuren van de rechtbanken.

Nadat meerdere rechters, verwijzend naar het grondwettelijk recht op vereniging, de vorderingen van milieuverenigingen ontvankelijk (en gegrond) verklaarden oordeelde het Hof van Cassatie in 1982 in de zaak Eikendael dat de vordering van de vzw Werkgroep voor milieubeheer Brasschaat niet ontvankelijk was. Artikel 17 Gerechtelijk Wetboek vereist dat een eiser hoedanigheid en belang moet hebben. Het hof interpreteerde dat zeer eng en stelde dat een eiser een persoonlijk en rechtstreeks belang moet hebben en dat het algemeen belang van de natuur, waarvoor de lokale vzw opkwam, geen “eigen belang” is in die zin. Vele rechters volgden die rechtspraak niet. Maar cassatie bleef voet bij stuk houden. Het Franse Hof van Cassatie en de Nederlandse Hoge Raad waren ruimdenkender en erkenden wel het belang van milieuverenigingen om in rechte op te treden. Misschien hadden de rechters in het Hof van Cassatie ook de wet van 12 augustus 1911 op het behoud van de schoonheid der landschappen eens moeten nalezen. Daarin stond reeds dat elke Belgische burger in rechte kan vorderen dat exploitanten van mijnen, groeven en openbare werken hun plicht zouden uitvoeren om de gronden terug te beplanten.

Een antwoord op die toch wel een beetje wereldvreemde EIKENDAEL-rechtspraak is de Wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake de bescherming van het leefmilieu geworden. Met die wet kunnen milieuverenigingen de stopzetting vorderen van daden die een inbreuk zijn op de milieuwetgeving of die een ernstige bedreiging vormen voor het leefmilieu.

MOW was één van de eersten om de milieustakingsvordering toe te passen. Als ik het mij goed herinner ging het om een grote illegale ophoging langsheen de Zwalm nabij de Moriaan. Het heeft lang geduurd maar bij wijze van staking werd het herstel bevolen. MOW, toen nog SOW, had reeds ervaring met in rechte optreden. Eerder was al met succes een procedure gevoerd voor de Raad van State rond de bescherming van het kasteel Ayshove in Kruishoutem. En er volgden nog procedures bij de Raad van State en de Raad voor Vergunningenbetwistingen. De succesratio daarvan is groot. De meeste vorderingen van MOW en andere NGO’s blijken goed doordacht en gemotiveerd  en worden gegrond verklaard. De vernietiging van overheidsbesluiten door bestuursrechters, of het buiten toepassing laten door de justitiële rechters op grond van artikel 159 van de Grondwet, is telkens een blaam voor de overheid die haar eigen regels niet respecteerde. Dat is heden ten dage een doorn in het oog van sommige politici. Maar de vraag moet dan misschien gesteld worden wie dient welk belang?

Een schrijnend voorbeeld is dat van Ronse waar buurtbewoners al decennia procedures moeten voeren om telkens onwettige omgevingsvergunningen te doen vernietigen waarna de caroussel opnieuw begint met een nieuwe onwettige vergunning. De namen Anckaert en Meyfroodt zijn door hun niet aflatende queeste naar gerechtigheid welbekend bij de Raad van State, de Raad voor Vergunningenbetwistingen en de rechtbank te Oudenaarde.

Zij waren ook het slachtoffer van SLAPP. Wat zegt u, SLAPP? SLAPP staat voor Strategic Lawsuit Against Public Participation, dat is een onrechtmatige juridische procedure die wordt gestart – of waarmee wordt bedreigd – door een persoon of bedrijf met als doel bepaalde kritische stemmen te intimideren of het zwijgen op te leggen. Ook bij Greenpeace en BBL weten ze wat dat wil zeggen.  Maar rechters lieten dergelijk misbruik van het recht niet toe. Inmiddels is er de Europese anti-SLAPP richtlijn die de lidstaten tegen 7 mei 2026 in nationale wetgeving moeten omzetten. 

In 1994 werd het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu  opgenomen in artikel 23 van de Grondwet. Een mijlpaal.

Maar de echte kentering kwam er met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij de besluitvorming en toegang tot de rechter in milieuzaken, het zgn. Verdrag van Aarhus naar de Deense stad waar het verdrag in 1998 tot stand kwam. Ook de EU is daarbij partij en het verdrag is daardoor van toepassing in alle lidstaten. Die rechten gelden ook voor milieuverenigingen.

Sindsdien wordt in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, het Hof van Cassatie en de Raad van State verwezen naar Aarhus.  Eikendael moest plaats maken voor Aarhus.

Op internationaal vlak werden nog belangrijke stappen gezet. In 2002 kwamen op vraag van de Verenigde Naties, de voorzitters van hooggerechtshoven uit de hele wereld samen en werden er de Johannesburg Principes goedgekeurd. Daarin werd vastgesteld dat een onafhankelijke rechterlijke macht een sleutelrol heeft in de vrijwaring van de rechtsstaat, de bescherming van het leefmilieu en de toepassing van de milieuwetten.

Die bijeenkomst is ook een katalysator geweest om internationaal en nationaal intenser te gaan samenwerken met het oog op een betere handhaving van het recht op een gezond leefmilieu.

Ik heb het voorrecht gehad daar de voorbije decennia nauw bij betrokken te zijn geweest. In 2004 werd het European Forum of Judges for the Environment (afgekort EUFJE) opgericht. EUFJE is nu samen met IMPEL, het Europees netwerk van milieu-inspecties, ENPE … en ENVICRIMENET … de gesprekspartner van de Europese Commissie. Zo waren we intens betrokken bij de totstandkoming van de nieuwe Milieustrafrichtlijn die de lidstaten tegen mei 2026 ook moeten omgezet hebben in hun intern recht. Dat moet resulteren in een efficiëntere bestrijding van milieucriminaliteit. Daaraan wordt heel hard gewerkt door de 4 Netwerken. Bvb met het BIOVAL project dat aan de rechters een praktisch instrument aanreikt om aan de herstelplicht opgenomen in de richtlijn tegemoet te komen. Made in Flanders for Europe. BIOVAL wordt al toegepast door rechters en zal nu standaard gebruikt worden door de natuurinspectie om, wanneer herstel in natura niet mogelijk is, de overtreder minstens financieel te laten opdraaien voor de natuurschade.   

Nu rijst de vraag: Wat is er voor een efficiënte aanpak van de milieucriminaliteit nog meer nodig dan al die milieubeschermingsregels?

In de eerste plaats de wil en de middelen om ze effectief toe te passen. Maar daar ligt het kalf gebonden.

Het gerecht in België kent jeugdrechtbanken, familierechtbanken, beslagrechters, fiscale rechters, onderzoeksrechters, arbeidsrechtbanken, ondernemingsrechtbanken… elk met zijn specifieke rechtsregels en bevoegdheden. En voor de galerij, net voor ik met pensioen ging, werd in het gerechtelijk wetboek ingeschreven dat er milieurechters en milieuprocureurs zijn. Maar meer dan figuren zijn het niet. Milieurechter en milieuprocureur zonder milieurechtbank. Daar is het bij gebleven. Geen rechtbankvoorzitter die weet wie, hoe of wat?  Niemand weet wie ze zijn. Window Dressing van het zuiverste gehalte.   

Ik denk niet dat het denkbaar is dat een ziekenhuisdirectie een geriater inzet als spoedarts, een orthopedist op de afdeling psychiatrie, een pediater op de geriatrie of een kinesist in het OK. Het gezond verstand verzet zich daar tegen.

Maar in een parket en rechtbank kan zoiets wel wanneer het over milieudossiers gaat.

Het milieurecht is de meest gespecialiseerde en veruit ook de grootste rechtstak, met internationale, Europese, federale en gewestelijke wetgeving, die bovendien zeer snel evolueert. Om het toe te passen in de rechtbank vergt dat niet alleen een specifieke kennis, maar meer nog, in de toepassing ervan komen alle takken van het recht samen, het Europees, het grondwettelijk en het bestuursrecht, het strafrecht, de strafvordering, het burgerlijk recht, het fiscaal en financieel recht. Dat vergt veel kennis, voortgezette opleiding en ervaring. Dat schrikt vele juristen en magistraten af. De pleinvrees is groot. Vaak worden pas benoemde magistraten als Chinese vrijwilligers ingezet in de bijzondere wetgeving.  

Dat specialisatie en een wettelijke verankering ervan een conditio sine qua non zijn voor een effectieve en efficiënte milieuhandhaving, daar is iedereen het intussen over eens en wordt ook erkend door Europa en de VN. Merkwaardig dat er dan geen werk van gemaakt wordt. Dat heeft alles te maken met wat ik al zei: Window Dressing. Ik licht dit toe.

Veel milieuregels, zowel nationale als Europese, zijn tot stand gekomen na lange onderhandelingen waarin sterke lobbygroepen alles uit de kast halen om, in weerwil van alle klimaat-, milieu- en biodiversiteits knipperlichten, te zorgen dat hun belangen zo weinig mogelijk geschaad worden, en dat er voldoende uitzonderingen zijn om te maken dat effectieve impact zo lang mogelijk uitblijft. Denk maar aan MAP1, MAP2, MAP3… We zijn intussen aan Mestaktieplan8 en nog is de kwaliteit van onze wateren niet goed.

Milieuwetgeving is dus vaak ‘Window Dressing’. Dat is de zaken in het uitstalraam anders voorstellen dan ze zijn. Met andere woorden doen alsof het probleem aangepakt wordt, in dit geval door milieuregels te maken, maar tegelijk alles er aan doen om ze niet toe te passen. Dat kan vele vormen aannemen. Door niet te handhaven bijvoorbeeld. Of door te zorgen dat er niet kan gehandhaafd worden. Bvb door te weigeren milieurechtbanken op te richten.

De voorbije decennia zijn overal ter wereld milieurechtbanken opgericht.  Maar de Belgische politici staan op de rem. In de Commissie Justitie van het parlement wordt nu een wetsvoorstel besproken voor de oprichting van echte milieurechtbanken, zoals er bvb wel familierechtbanken zijn. De adviezen daarover van de Hoge Raad voor de Justitie, het College van procureurs-generaal, de Europese milieurechters, de universiteiten zijn allemaal positief en wijzen op de noodzaak van milieurechtbanken.  Eén advies was negatief. De FOD Justitie zag de noodzaak ervan niet in. Begrijpe wie het kan. Ik maak mij geen illusie dat dit realistisch en noodzakelijk wetsvoorstel gestemd geraakt met regeringen die openlijk ageren tegen een onafhankelijke rechterlijke macht en voor de afschaffing van milieuwetten. 

De rol van de rechter is cruciaal in de bescherming van het recht op een gezond leefmilieu. Van de klimaatrechtspraak van de hoogste rechtscolleges en ingewikkelde milieudossiers tot de vrederechter van Eeklo van wie ik jullie toch dit vonnis over vogels niet wil onthouden. Ik lees u de motivering ervan voor.

Onverdraagzaamheid kent vele vormen.

Het feit dat bomen bladeren verliezen is al aanleiding geweest tot procedures.

Het gegeven dat zij ergens staan en dus uit de aard der dingen schaduw creëren al eveneens.

Het gegeven dat er vogels rondvliegen die al eveneens uit de aard der dingen uitwerpselen droppen is mogelijks – wellicht zelfs – ook al aanleiding geweest tot het opstarten van procedures, maar waar we hier mee te maken hebben is toch wel een rariteit.

Eens te meer gaat het niet om de boom, of in dit geval de vogeltjes, maar om de ingesteldheid van de mensen die er naast wonen.

Even samengevat: partijen zijn buren. Zij wonen in lintbebouwing in een verder landelijke omgeving. Hun huizen palen niet aan elkaar, maar zijn gescheiden door een dubbele oprit.

Verweerders hebben zowel vooraan aan hun woning, onder de dakgoot, als achteraan, eveneens onder de dakgoot, een aantal kunstnesten hangen waarin zwaluwen kunnen wonen. Het gaat om zwaluwen, niet om gieren, condors, zwanen, ganzen of andere luchtgiganten. Zwaluwen.

Vogeltjes met zeer geringe afmetingen, zeer gering gewicht, insecteneters en  daaraan aangepast spijsverteringsstelsel. Het zijn populaire trekvogeltjes, ware luchtacrobaten, die hier te lande broeden tussen voorjaar en herfst om dan weer warmere oorden op te zoeken. Een beschermde vogelsoort bovendien, wier populatie gestaag schijnt te verminderen. Gekende overlast door het overvliegen: nul komma nul.

Het ontgaat deze rechter dan ook volkomen waarover de eisers zich beklagen. Dat er al eens een vogelstront op hun koer zal liggen valt niet te vermijden. Er zijn voor het vliegend gedierte nu eenmaal geen richtlijnen of regelgeving daarvoor. Dat de aanwezigheid van een aantal koppels zwaluwen theoretisch voor meer excrementen zal zorgen is mogelijk. Het kan evenwel niet over kilo’s gaan, temeer het een gekend gegeven is dat met name zwaluwen zich in de onmiddellijke omgeving van hun nest ontlasten vandaar ook dat men vaak ziet dat er plankjes onder de nesten gemonteerd worden om dit ongemak letterlijk op te vangen.

Nog onverlet dwingende regelgeving zoals het in conclusies aangehaalde soortenbesluit en de gevolgen daarvan is het bijna absurd om te gaan stellen dat men een bovenmatige hinder ondervindt van de aanwezigheid van enige koppels zwaluwen. Het zijn er ook geen honderden, hooguit en maximaal per seizoen een paar tientallen. De boude bewering van de eisers dat hun kleinkinderen niet meer durven langs komen omdat er zwaluwen boven hun hoofd vliegen is bijna grotesk te noemen en getuigt van een mentaliteit die zeker geen aanmoediging verdient. Hier is het probleem niet de aanwezigheid van zwaluwen maar de onverdraagzaamheid van mensen die in de buurt ervan wonen. De verweerders hebben geen fout begaan in de zin van art. 1382 en volgende van het B.W., en evenmin is het evenwicht tussen de erven verstoord omdat er vogels over vliegen.

De vrederechter zal niet meegaan In het verhaal van eisers. De vordering wordt afgewezen, en de eisers worden veroordeeld tot de kosten. Het is daarbij niet opportuun om de gemoederen tussen de buren nog verder te verhitten door grote rechtsplegingsvergoedingen te gaan toekennen.

U denkt wellicht: ‘Dit komt uit de oude doos’.

Nee, dit vonnis is van 20 mei 2021.

Van Window Dressing naar de Restauratie

In een democratische rechtsstaat is de rechterlijke macht één van de drie staatsmachten, die garant staat voor het evenwicht, die er op moet toezien dat de rechtsregels gerespecteerd worden, ook door de andere 2 staatsmachten, de wetgever en de regering.

Nog meer zorgwekkend dan het fenomeen van de Window Dressing is de openlijke uitholling van de rechterlijke macht. Dat gebeurt nu niet enkel meer door een jarenlange verwaarlozing ervan, maar openlijk en doelbewust.

De democratische rechtsstaat is niet bedreigd, de uitholling ervan is al volop bezig. In de VS is een dictatuur geïnstalleerd. Wie daaraan twijfelt moet maar de documentaire  ‘Trump’s power and the Rule of Law’  die Canvas vorige woensdag uitzond eens herbekijken. Nadat politieke tegenstanders, de eigen administratie, de universiteiten, de advocaten het zwijgen opgelegd werden, worden nu rechters die de president terugfloten geschoffeerd en openlijk bedreigd, ook de rechters die Trump zelf aanstelde. Ondertussen marcheren militairen in de straten en worden mensen massaal opgepakt en hun burgerrechten geschonden. Het is nauwelijks te vatten hoe snel één van de grootste democratieën verworden is tot een dictatuur, hoe het nepotisme, het eigen belang, het gegraai en het recht van de sterkste er alles bepalen, en ook ons en de rest van de wereld afdreigen en in een wurggreep nemen.

Maar ook in dit deel van de wereld gaat het op het vlak van de democratie en de rechtsstaat het dezelfde verkeerde richting uit.

In Turkije worden rechters en procureurs opgesloten. In Israël wou Netanyahu het hooggerechtshof muilkorven om te ontsnappen aan vervolging. In Polen, Hongarije, Roemenië worden kritische magistraten bedreigd met tuchtprocedures als ze de EU regels naleven.

En ook in dit land zie je de greep van de politiek op justitie vergroten. Dat gebeurde aanvankelijk sluipend.

Verwaarloos 50 jaar justitie, stel dan ‘verwonderd’ vast dat er al eens wielen aflopen, bepaal dan dat je zelf tegelijk procureur, rechter en partij gaat spelen en het gaat oplossen met gasboetes en bestuurlijke handhaving. Voor dit sluipend in de plaats treden van, en het onttrekken aan de rechterlijke controle is al lang gewaarschuwd.

Maar nu gebeurt het open en bloot. De grootste politieke partij  pleitte er vorig jaar nog voor om de arresten van het Grondwettelijk Hof te laten overrulen door het parlement. De huidige premier heeft onlangs met gelijkgestemde andere Europese regeringsleiders een brief gestuurd naar de rechters van het EHRM in Straatsburg met het verzoek hun rechtspraak aan te passen, de fundamentele rechten van de mens restrictiever in te vullen. Dat is een ongeziene inmenging van de uitvoerende macht in de rechterlijke macht. Tien jaar geleden reeds heb ik het zelf ook meegemaakt hoe ik als rechter via de voorzitters van de rechtbank en het hof van beroep verzocht werd mijn rechtspraak aan te passen aan het standpunt van de administratie. Het heeft niet gepakt, wel integendeel. Maar een jonge pas benoemde rechter kruipt als hij zoiets ontvangt in zijn schulp en zwijgt in plaats van zijn pen te nemen en de voorzitters te wijzen op hun ongepaste inmenging.  

De huidige federale regering zette reeds de bestuursrechters van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder curatele en maakt ze tot een aanhangsel van de uitvoerende macht. Diezelfde regering legt duizenden vonnissen waarbij ze veroordeeld werd naast zich neer en weigert ze uit te voeren, 12 miljoen euro aan dwangsommen ten spijt.

Hoe kan je dan als overheid van de burger verwachten dat die zelf nog een rechterlijke uitspraak respecteert.

De voorzitter van de Vlaamse bestuursrechters is rechter en tegelijk leidend ambtenaar. Zelfs in hun huisvesting staan de Vlaamse bestuursrechters onder het toeziend oog van de Vlaamse administratie. Dat zijn ongeziene en ongehoorde inbreuken op de noodzakelijke onafhankelijkheid van de rechter.

Het is allemaal bon ton geworden. Maar een beangstigende evolutie is het zeker.

Is dit straffe taal voor een magistraat?

Voor het leven benoemd ben en blijf ik rechter. Dat is een grondwettelijke garantie voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.  Een rechter moet terughoudend en discreet zijn. Maar als de democratie en de fundamentele vrijheden in gevaar zijn, wijkt de terughoudendheid van de magistraat voor het recht van verontwaardiging. Zo staat het in de ‘Gids voor de Magistraten’, die de Principes, waarden en kwaliteiten van magistraten vaststelt.

Die verontwaardiging is waar ik nu uiting aan geef. En ik sta niet alleen. Elke burger zou het recent rapport 2025 over de rechtsstaat van het Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens, moeten lezen, of minstens de conclusies ervan. Ik kan ze u wegens tijdsgebrek niet voorlezen. Maar de laatste zin van het rapport luidt als volgt:

‘Als Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens willen we u, parlementsleden en beleidsmakers, met dit rapport niet alleen informeren, maar ook oproepen tot actie. De bescherming en versterking van de rechtsstaat vergt voortdurende waakzaamheid en de durf om tijdig op de rem te staan  wanneer fundamentele vrijheden en mensenrechten onder druk komen te staan’.

En alsof dit niet genoeg is worden nu ook de regels die milieu, natuur en klimaat moeten beschermen on hold gezet, uitgekleed, teruggeschroefd. En dit met een ongeziene snelheid. Zowel op Vlaams als op Europees niveau.

De Vlaamse Regering heeft een zgn. Expertencommissie opgericht om het omgevingsrecht door te lichten want al die hinderlijke regels moeten versoepeld en vereenvoudigd worden. Ze mogen zeker geen hinderpaal zijn voor de economie. Dat wordt ook zo verklaard door de regeringsleiders. De samenstelling van de commissie liet niet veel goeds verwachten. Vooral advocaten die de belangen van projectontwikkelaars behartigen maakten er deel van uit. En onbegrijpelijk genoeg 2 bestuursmagistraten die nu toch wel een probleem van onafhankelijkheid en onpartijdigheid moeten hebben.

In hun rapport werd niet alleen gepleit voor een versoepeling van de regels, voor voorrang van de projectbelangen op die van omwonenden en om de adviezen van de administratie naast zich neer te leggen. Maar ook het recht op de bescherming van het leefmilieu dat in artikel 23 van de Grondwet staat, en het recht op toegang tot de rechter dat in het Verdrag van Aarhus staat werden openlijk in vraag gesteld.

De Vlaamse inspecteurs krijgen het consigne niet te streng op te treden maar ‘empatisch te handhaven’ , met andere woorden geen proces-verbaal meer maar een vriendelijk verzoek om de milieuwet niet te overtreden.

Hetzelfde doet zich voor in de EU.

Sinds vorig jaar grote tractoren wekenlang het land blokkeerden en boze boeren  grote vernielingen aanbrachten in Brussel is de wind gekeerd.

Meteen werden de controles en de beboeting in de landbouw on hold gezet.

Behalve die boze boeren was het ook niet verstandig van die hongerige wolf om in september 2022 op een landgoed in Neder Saksen Dolly op te eten. Dolly was de oude familiepony van uitgerekend de familie Von der Leyen.

Dit is echt niet cynisch bedoeld. Ik zou het ook niet graag meemaken dat mijn dochters’ pony wordt opgegeten door een wolf.

Zowel de hongerige wolf als zijn soort waren hoogstpersoonlijk animala nog grata geworden voor de commissievoorzitster. En die heeft wel wat te zeggen in Europa.

Wolf GW950m is meteen afgeschoten. De beschermingsstatus van zijn soort is verlaagd. Dat had de voorzitster van de EC zelf hoog op de politieke agenda geplaatst.

Met een ongeziene snelheid schroeft de Europese Commissie de milieuregels terug waar ze tot een paar maanden voordien nog volop aan werkte in haar paradepaardje, de Green Deal.

De Ontbossingsverordening en de Natuurherstelwet moeten op de schop dat is duidelijk.

En ook Aarhus staat op het spel. Vorige week verzette de Europese Commissie samen met het Verenigd Koninkrijk zich in Genève nog heftig tegen de toepassing van het Verdrag van Aarhus als het over haarzelf gaat.

Ik ben een overtuigd Europeer. Zonder de stok van Europa achter de deur zag het hier op vlak van milieu minder goed uit. Maar voor een Europa dat vaandelvlucht pleegt pas ik. 

Een schone en gezonde leefomgeving is geen luxe, het is ons mensenrecht, en de Commissie heeft de plicht om dat te beschermen. Wetgeving zoals de Ontbossingsverordening en de Natuurherstelwet zijn geen abstracte beleidsmaatregelen, maar levenslijnen voor onze toekomst en die van onze kinderen. 

Hoed u burgers, hoed u ngo’s, hoed u MOW. De restauratie is bezig.

Het zijn donkergrijze tijden voor wie bekommerd is om klimaat en natuur en gerechtigheid. Wie om zich heen kijkt en luistert ziet wanhoop op de gezichten.

Hoop

Een paar maanden geleden zag ik in De Standaard der Letteren een recensie van Robert Macfarlanes nieuwe boek ‘Is a river alive?’, en een andere recensie van een heleboel nieuwe boeken over hoop en wanhoop.

Hoe komt het dat er zoveel geschreven wordt over natuur en hoop? Wellicht omdat hoe minder natuur er overblijft, hoe meer we erover schrijven. Hoe meer we wanhopen, hoe meer boeken over hoop er verschijnen.

Ik moest daags nadien naar de EU conferentie van de 4 netwerken om er te praten over BIOVAL en over de nieuwe Milieustrafrichtlijn, en ik dacht ‘ik neem de krant mee om te lezen tijdens het wachten in de luchthaven of tijdens de vlucht van Brussel naar Wenen’.

Maar het weer was goed. De lucht was blauw, met prachtige witte wolken. We vlogen niet zo hoog. Ik  kon het landschap beneden goed observeren. Als je dat doet, begin je te dromen en te denken.

Vliegend boven de wolken zag ik een uitgestrekt, wit, arctisch landschap. Waar een ijsbeer kon ronddwalen. Een geweldig, wonderlijk gevoel.

En dan begin je te denken. Moet de volgende generatie boven de wolken vliegen om een indruk te krijgen van hoe het noordpoolgebied eruitzag voordat het ijs smolt?

Vertwijfeling nam de overhand op het magische uitzicht.

Vliegend onder de wolken zag ik een Vlaams agrarisch landschap, als een woestijn, een lege doos Macintosh-bonbons. Waar de grauwe gors en de veldleeuwerik niet meer zingen, de geelgors verdween, net als de kieviten, de patrijzen, de insecten en de boerenzwaluwen en dacht:

Dat is het platteland waar ik woon. Waar ik ’s ochtends, als ik door de kouter naar mijn boomgaard fiets, het pijnlijke geluid van een stille lente hoor. Dan besef ik dat mijn kinderen al aan natuurgeheugenverlies lijden. De gedachte dat mijn kleinkinderen nooit een boerenzwaluw zullen hebben gezien, noch leeuweriken hoog in de lucht zullen hebben horen zingen, maakt me verdrietig en angstig. Maar vliegend van Vlaanderen naar het oosten zag ik de woestijn veranderen in een lappendeken van velden, weiden, bossen, heggen en rivieren. En toen, denkend aan de Natuurherstelwet, herrees de hoop op herwilderde akkers in Vlaanderen.

Toen Pandora de amfora opende die Zeus had gestuurd, ontsnapte al het kwaad voor de mensheid. Alleen de hoop zat er nog in.

Zonder hoop zouden soldaten in Oekraïne niet langer vechten.

Zonder hoop zouden artsen, verpleegkundigen en vrijwilligers niet langer vechten voor het redden van de levens van gewonde en uitgehongerde kinderen in Gaza.

Velen van ons hebben kinderen, sommigen van ons zullen de rijkdom hebben van kleinkinderen.

Ik denk, ik geloof, dat we de morele plicht hebben om hoop te hebben. Want hoop doet ons vechten voor een betere, leefbare wereld, voor het fundamentele recht op een gezond milieu, voor biodiversiteit, voor democratie en de rechtsstaat, voor eenheid in plaats van extremisme, voor mededogen in plaats van agressie en geweld.

Voor de invulling van deze lezing kreeg ik de vrije hand, maar wel de restrictie opgelegd van een krappe tijdslimiet van 20,  maximum 25 minuten. Ik heb mezelf moeten timen tijdens het schrijven. Ook dat bepaalt de inhoud. Veel heb ik niet gezegd, en node moet ik dus stoppen. Ik had graag nog meer verteld.

Ik eindig waarmee ik begon: Verzet!

Wanneer er geen daad op volgt blijft hoop ijdel. Daden komen uit verzet. Ik ben deze lezing met poëzie begonnen. Ik eindig er ook mee. Met mijn lievelingsgedicht van de Nederlandse dichter Remco Campert.

Dat gedicht heet ‘Verzet’

Verzet

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in zijn kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die een sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking, iets wat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

Op 13 november nam rechter Syed Mansoor Ali Shah ontslag als rechter in het hooggerechtshof van Pakistan. Rechter Mansoor was de auteur van de Ashgar Leghari  vonnissen en lag aan de basis van de klimaatrechtspraak van het Lahore High Court Green Bench.

Zijn ontslag was een directe reactie op de beslissingen van het Pakistaans parlement om enerzijds de topgeneraals en de president tegen wie aanklachten wegens corruptie liepen levenslang immuniteit te verlenen, en anderzijds de bevoegdheid en de onafhankelijkheid van het Pakistaanse hooggerechtshof te beknotten.

Rechter Mansoor kwam voor de Europese milieurechters spreken over zijn werk. We ontvingen kopie van zijn ontslagbrief aan de president van Pakistan. Ik lees er uit voor.

In een rechtbank wiens grondwettelijke rol is uitgehold kan ik mijn eed om de grondwet te vrijwaren niet gestand houden. Ontslag is dan ook de enige eerlijke en effectieve uitdrukking om mijn eed te eerbiedigen. Verder werken in een gemuilkorfd Hooggerechtshof zou enkel suggereren dat ik mijn eed heb ingeruild voor titels, salaris of privilegies. Om de redenen hier uiteengezet en  overeenkomstig artikel 206 van de grondwet van Pakistan, neem ik met onmiddellijke ingang ontslag als rechter in het Hooggerechtshof van Pakistan.

Op het eind van zijn ontslagbrief citeerde rechter Mansoor ook volgend Urdu-vers:.

My pen is a trust, entrusted to me by my people.

My pen is the court of my own conscience.

Whatever I have written, I have written with the full warmth of my soul— and that is why my words carry the curve of a bow and the sharpness of an arrow.

Whether I fall or remain standing, I am certain of one thing: this fortress of oppression will one day be brought down by someone.

I swear by a lifetime of suffering and affliction, the journey of my pen will never go to waste.

Mijn pen is een vertrouwen, mij toevertrouwd door mijn volk.

Mijn pen is de rechtbank van mijn eigen geweten.

Wat ik ook heb geschreven, ik heb het met de volle warmte van mijn ziel geschreven – en daarom hebben mijn woorden de kromming van een boog en de scherpte van een pijl.

Of ik nu val of blijf staan, één ding weet ik zeker: Dit fort van onderdrukking zal ooit door iemand worden neergehaald.

Ik zweer bij een leven vol lijden en ellende, dat de reis van mijn pen nooit verloren zal gaan.

Met deze moedige woorden van verzet van rechter Mansoor wens ik MOW en u allen nog 50 jaar positief verzet.

En dan zien we mekaar hier terug in deze prachtige Volkszaal met zicht op het mooie marktplein met enkele majestatische platanen die de hoognodige schaduw en verkoeling zullen bieden aan toeristen uit het noorden die, deze dan schone zuiderse stad met zijn binnenwateren zullen komen bewonderen. 

Een heerlijk kader om 100 jaar MOW te vieren.

Ik kijk er naar uit 😉

Groeten van de blauwe kiek

Groeten van de blauwe kiek

Wanneer ik met de wagen langs de Heilsbroek in Kluisbergen passeer sla ik automatisch af. Ooit was het een prima vogelgebied daar op de akkers, ooit gewonnen op het moeras van de oude ijstijdvallei. Daarvan rest nog een ‘verpopulierd’ gebied met daartussen wat weilanden, sommige verruigd. De honderden goudplevieren en kieviten van ooit zijn verdwenen, ruilverkaveling liet letterlijk diepe afvoergrachten als wonden achter en een pompstation bezegelde voorgoed de natuurwaarde.

En toch, nooit opgeven! Wie weet… En vandaag 19 november al, heb ik geluk: een eerstejaars blauwe kiekendief heeft iets ter grootte van een rat gepakt op de strook die de landbouwers momenteel langs de beken moeten vrijlaten van teelten. Komt er eindelijk een beetje kentering voor de toekomst van de natuur in landbouwland? Mits goed beheer natuurlijk? Net als van wegbermen, een laatste toevluchtsoord, soms, maar gladgeschoren ook al weer van minder ecologische waarde! Er passeert van alles door mijn hoofd op die korte periode dat ik mag toekijken. Ze zijn laat bij ons dit najaar, de blauwe kiekendieven, ook elders St -Maartensvogel genoemd! Ofwel is het wachten op de koude die hen uit het noorden naar ons jaagt of erger, ze staan op de rand van uitsterven, zeker als broedvogel in de lage landen! De winterpopulatie komt allicht van verder uit het noorden, ook misschien deze duidelijk donkere jonge vogel met karakteristieke witte stuit. Daar gaat het voorlopig nog iets beter, maar de overwintering bij ons wordt problematischer’: de kleinschalige akkers met vele ‘kantjes’ hebben plaats gemaakt, ook hier in ‘mijn’ Heilsbroek van ooit op pakweg twintig jaar, voor steriele vlakken van soms meer dan 5 ha groot. Kiekendieven zijn mooie, geduldige jagers, maar het gepiep van woelmuizen en graspiepers verstilt rap in deze dagen. Met een lege maag de nacht in zal wel meer gebeuren, en dat net als de koude zich aandient.

Op Nature Today verscheen in november een filmpje over slaapplaatsen van kiekendieven in Nederland bij de Duitse grens, honderden (Duitse of noordelijke) in vier soorten!! Wij hebben er sommige jaren ook een in de Scheldemeersen te Petegem, toch ook goed in sommige jaren voor een paar tiental overwinteraars. Bovendien is het een veilige slaapplaats in ons reservaat, waarvan het belang niet mag onderschat worden: de hele overwinterende streekpopulatie van bij ons komt waarschijnlijk hier samen. Het zou boeiend zijn om de groepssamenstelling (adult, juveniel) te weten en hoever ze op zoek gaan naar voedsel en ook te volgen hoeveel er ‘s avonds met een volle krop terugkeren (dit schijnt waarneembaar!). Braakballen pluizen doet men daar nog bij in Nederland, maar dat lijkt niet makkelijk, niet het verzamelen, niet het determineren. Blijkt dat daar muizen hoofdmoot zijn, maar vogels als piepers en leeuweriken moeten niet onderdoen. Dan is het ook duidelijk dat met de afname van die soorten ook de wintergasten het erg lastig krijgen, vandaar dat soms eindeloos zoekgedrag en eindeloos energieverbruik?

Dit winternummer van Meander is een oproep om uit te kijken, maar zeker ook om te genieten van deze prachtige jagers die beter verdienen. Kijk ook uit bij voedselakkers voor akkervogels (die ergerlijk genoeg in aantal veel minder zijn dit jaar door gewijzigde regels), blauwe kiekendieven zijn daar vaste gasten op zoek naar eten. We kunnen maar hopen dat ze de laatste geelgorzen niet opvissen, maar zich tevreden stellen met de voorraad aan vinken en kepen, waarvoor het graan eigenlijk niet bedoeld is … En laat ons uiterst voorzichtig zijn bij het waarnemen, zeker bij slaapplaatsen, laat ons ‘eer’ biedende toeschouwers zijn.

Vergeten blauwkes

Vergeten blauwkes

Holenduiven leven wat in de schaduw van hun grotere soortgenoten, de houtduiven. Ze vallen minder op, zijn minder talrijk en leven niet zo dicht bij de mensen. En toch verdienen ze een plaatsje in Meander.

Het heeft bij mij iets te maken met de tijd dat de vogelvangst nog welig tierde (1955-70), tot in eigen familiekring, alleen in de winter. Wat appels en wat graan onder een ‘rekje’ en mussen en spreeuwen waren vaders vangst … tot een holenduifje zo onvoorzichtig was en dat tot een diplomatiek familie-incident leidde, nee, die niet in de pan!! En toch proefden we toen de holenduif … geleverd door een jager samen met houtduiven onder de naam ‘blauwkes’. Tweede incident, nu met de jager want de holenduif mocht (en mag) niet geschoten worden. Gevolg, nooit meer duiven gekregen …

Holenduiven zijn eerder discreet, onopvallend bijna in de grotere bossen, hier toch met enige ervaring toen we samen met Daniel Packet en jachtwachter Dewolf in het Kluisbos honderd nestkasten voor mezen controleerden en één voor holenduif, met de stille hoop op een bosuil. Deze laatste arriveerde echter pas in 1990, maar je wist maar nooit … De holenduif vond die nestkast jaar na jaar best geschikt, maar was erg gevoelig voor verstoring, afblijven dus in de broedtijd. Merkwaardig daarbij is wel dat holenduiven en kerkuilen soms tegelijkertijd dezelfde nestkasten gebruiken als broedplaats. Later hadden we in Ronse een scholenproject met nestkasten en ook daar werden holenduifkasten geplaatst, maar minder goed opgevolgd. Algemeen blijkt dat ze makkelijk nestkasten aanvaarden, maar de laatste tijd lijken opdringerige kauwen roet in het eten te gooien en al vroeg in het seizoen de kasten te kraken. Holenduiven broeden echter tot heel laat in het jaar en kunnen soms zo wat ‘inhalen’. De indruk blijft dat de soort achteruitgaat vergeleken met de periode van onze ‘atlas’ van Luc Menschaert. Toen waren opvallende broeddichtheden allicht gelinkt aan knotwilgen (= nestgelegenheid) en kleinschaligheid in de landbouw (=voeding). De meningen zijn verdeeld, maar mogelijks is de soort aan het verkassen van eerder open landschap naar ‘veiliger’ bossen (ze kennen de oehoe nog niet …).

Het winterhalfjaar is wat koffiedik kijken, soms zien we groepjes op de akkers en in de echte polders soms veel grotere groepen. Maar er is ook trek, net als bij de houtduiven, die dan wel in enorme aantallen jaarlijks op de trektellingen in Oost-België verschijnen, een spektakel! Voor holenduiven zijn de massale aantallen bij ons onverwacht, maar discreet aanwezig ook bij ons zoals op 7/11 dit jaar met 7, 24 en 20 strak ZW trekkend te Petegem en Rozebeke.

Hun trekgedrag is ook terug te vinden in de overzichten van de trektelposten met honderden per dag over de Pyreneeën, met als uitschieter 2.287 op 16 okt 2020. Dit alles leidde tot een merkwaardig artikel in Aves 62/2 met een mooi overzichtskaartje van die trekbewegingen in Europa. Aan de hand van terugmeldingen van geringde holenduiven ziet men dat de Europese populaties een verschillend kompas hanteren, maar uiteindelijk allemaal richting Frankrijk en Spanje hun winterverblijf opzoeken. Het slechte nieuws is dat een groot deel niet meer terugkeert want een leger jagers wacht hen op als ze de Pyreneeën willen passeren. Daar hangt een prijsje aan, wat dacht je, gemeenten verkopen de schietposten jaarlijks voor rond de € 45.000, in 2025 reeds € 61.793. Een kleiner deel wordt gevangen in staande netten, een ‘historisch gegroeide gewoonte’, denk aan de vogelvangst …, waarvan nu nog een aantal locaties overblijft o.a. in Baskenland. Speciaal daaraan is ook dat er cijfers werden bijgehouden op één plaats, Etxalar, tussen 1866 en 2024! En bovendien is het ook een mogelijkheid tot ringen van holenduiven! Het merkwaardige is dat de Europese populatie holenduiven vanaf 2010 duidelijk toeneemt, maar dat niet in de cijfers van jacht en vangst te zien is, gelukkig, maar voorlopig onverklaarbaar.

Herkomst en bestemmingen van holenduiven in Europa. Kleurenlegende: oranje: Centraal-Europa; blauw: Noordwest-Europa; groen: West-Europa (Bron: https://migrationatlas.org/node/1697)

Terug naar onze streek, ze zijn onze aandacht waard en worden ook relatief veel gemeld. Ook gewone soorten zijn boeiend om volgen, waarnemingen zijn welkom om de evolutie van de soort te volgen. Maar evengoed verhalen van holenduiven dicht bij huis kunnen verbazen. Soms wordt men getrakteerd op een onverwacht spektakel, zoals ooit in het Kluisbos, al langer geleden. Tijdens nestkastencontroles werd de aandacht getrokken door luid kabaal: een sperwer vrouwtje achtervolgde onder de beuken een holenduif, die ze niet direct onder controle kreeg en dan maar haar moeilijke prooi in de bronbeek onder water hield tot ze levenloos in de klauwen kon worden meegenomen … Mooier om af te sluiten is hun balts, niet zo een druk gedoe als de Turkse tortels of zo luidruchtig als de houtduiven, maar met mooie verstilde zweefvluchten boven het nestgebied Dat doet me steeds aan de zomertortel denken, ja, nog net als herinnering op te roepen …

Vleermuizen op zolders

Vleermuizen op zolders

Keutel-DNA

Vleermuizen zijn echt trouwe kerkgangers. Veel soorten keren jaar na jaar terug naar dezelfde zolders, waar ze geschikte omstandigheden vinden om te rusten of zich voort te planten. Onder de leien en tussen de dikke balken is het er rustig, donker en vaak héél warm, wat ze ideaal maakt voor kraamkolonies van vrouwtjes die er in de zomer hun jongen grootbrengen.

Naast deze kraamkolonies worden kerkzolders ook gebruikt door solitaire dieren. Dat kunnen mannetjes zijn, of vleermuizen die tijdelijk een rustplaats zoeken. Samen zorgen deze verschillende vormen van gebruik ervoor dat kerkzolders een belangrijke rol spelen in het leven van vleermuizen.

Renovaties, restauraties en herbestemmingen

Steeds meer kerken krijgen vandaag een andere invulling (herbestemmingen), en ook restauratie- en renovatiewerken komen regelmatig voor. Dergelijke ingrepen zijn soms noodzakelijk, maar kunnen een grote impact hebben op vleermuizen wanneer hun aanwezigheid niet gekend is. Zo kunnen invliegopeningen afgesloten worden, of kunnen houtbehandelingsmiddelen gebruikt worden die erg giftig zijn voor vleermuizen. Maar als niet gekend is waar vleermuizen aanwezig zijn, is het ook niet mogelijk om beschermingsmaatregelen te nemen.

Vleermuis staalname © Ann Derycke

DNA uit keutels

Vleermuizen kruipen op zolders graag weg tussen de dikke balken, in pen-en-gatverbindingen of achter planken. Daardoor zijn ze vaak niet makkelijk te vinden, maar hun aanwezigheid is vaak te zien aan de hand van hun typische keutels. In een project gefinancierd door het Agentschap Natuur en Bos (ANB) in samenwerking met het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO), de vleermuizenwerkgroep van Natuurpunt en de regionale landschappen Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen tot Dender en Regionaal Landschap Meetjesland en de Leievallei werden vorig jaar keutels verzameld, en werd daar in het lab DNA uitgehaald. Zo kregen we nieuwe inzichten in waar welke soorten voorkomen.

Soorten op (kerk)zolders in de regio

De gewone grootoorvleermuis is de soort die het meest gevonden werd op zolders. Deze soort jaagt typisch in bossen en parken, waar ze met haar grote oren luistert naar de geluiden die haar prooien (veelal nachtvlinders) zelf maken. De soort verblijft zowel in holle bomen (vooral oude spechtengaten) als op zolders.

Op de tweede plaats staat de laatvlieger, een grote soort met een vleugelspanwijdte van ongeveer 35 cm. Naast de gekende kolonie in Ename, vonden we de soort ook in Ruien, Lozer en Zarlardinge. De laatvlieger is een typische soort die grote zolders opzoekt, waar kolonies warme plekjes uitkiezen aan de nokbalk.

Brons gaat naar de gewone dwergvleermuis. Dit is onze algemeenste soort, die overal in de regio voorkomt. Kolonies bevinden zich voornamelijk in spouwmuren en spleetvormige ruimtes, en de soort wordt niet zo vaak aangetroffen op zolders.

Vervolgens vonden we ook enkele speciale soorten. Baardvleermuizen werden aangetroffen op de zolders van Paulatem, Maarke-Kerkem (Marca) en Everbeek-Beneden. De soort vormt zowel kolonies in gebouwen als in bomen, waar ze het liefst verblijven in spleten en achter loshangende schors van staand dood hout. De baardvleermuis jaagt vooral in bossen, parken en langs bomenrijen.

De ingekorven vleermuis is een bijzondere soort die opgenomen is in de habitatrichtlijn bijlage II. De habitatrichtlijngebieden in de Vlaamse Ardennen zijn onder meer voor deze soort aangewezen. Het is een beetje de boerenzwaluw onder de vleermuizen: de soort jaagt vooral op mestvliegen in koeienstallen. Daarnaast jaagt ze ook in structuurrijke bossen op spinnen. Vroeger was een kolonie gekend op de kerk van Sint-Maria-Lierde, maar die verdween rond 2000. De soort overwintert wel nog elk jaar in kleine aantallen in het Kezelfort bij Oudenaarde, en over de taalgrens zijn er ook nog zomerkolonies gekend. Bij dit onderzoek vonden we keutels van de soort op twee locaties: een oud klooster in Geraardsbergen en de kerk van Sint-Maria-Lierde. Op beide locaties ging het maar om enkele keutels van vermoedelijk een solitair individu, niet om een kraamkolonie. Maar de ingekorven vleermuis verblijft het liefste in boerderijen en stallen, en minder op kerkzolders. Mogelijk zijn er nog zomerpopulaties aanwezig in een oude stal in de regio?

De grootste verrassing waren de waarnemingen van grijze grootoorvleermuis. Deze soort werd waargenomen op de zolders van de kerken van Zeveren, Grimminge en Waarbeke. De grijze grootoor is een zeldzame soort, die steeds op zolders verblijft (ook voor haar winterslaap). In Vlaanderen komt de soort vooral in de Kempen voor, maar er zijn ook enkele waarnemingen op de zandrug in het noorden van Oost-Vlaanderen. De waarnemingen in onze regio zijn erg verrassend, en liggen ver van andere verblijfplaatsen. In tegenstelling tot de gewone grootoorvleermuis jaagt de grijze grootoorvleermuis niet in bos, maar juist in open landschap. De soort foerageert boven insectenrijke graslanden. De graslanden in de Zeverenbeek en de Denderstree voorzien de soort vermoedelijk van eten.

En nu?

We weten nu iets over de soorten, maar we hebben geen idee van de aantallen. Het is dus belangrijk om deze verblijfplaatsen goed op te volgen. Door regelmatig uitvliegers te tellen kunnen we een beter beeld krijgen van hoe het met de kolonie gaat en of ze stabiel blijft, groeit of net achteruitgaat. Zulke tellingen vormen de basis voor een doordachte bescherming op lange termijn.

Daarnaast zijn gerichte beschermingsmaatregelen nodig. Het duurzaam behouden van geschikte verblijfplaatsen staat daarbij centraal: kerkzolders moeten toegankelijk en veilig blijven voor vleermuizen, ook bij renovaties of onderhoudswerken. Ook de omgeving van de kerk speelt een grote rol. Vleermuizen zijn afhankelijk van een fijnmazig landschap met hagen, bomenrijen en andere groene verbindingen die hen toelaten veilig tussen hun verblijfplaats en jachtgebieden te vliegen.

Ten slotte verdient verlichting extra aandacht. Monumentverlichting (zeker als ze slecht geplaatst is) kan vleermuizen verstoren, en kan er zelfs voor zorgen dat kolonies locaties verlaten. Door bewust om te gaan met licht – bijvoorbeeld door te dimmen, af te schermen of lampen gericht te plaatsen – kan een kerk een veel vriendelijkere plek blijven voor deze nachtelijke bewoners.

Zelf data inkijken?

Alle data kan je inkijken op natuurdata.inbo.be, waar je zowel op gemeente als op soort kan zoeken.

Vleermuis kaart
Volg je de saga rond de uitbreiding van de Boembekemolen nog?

Volg je de saga rond de uitbreiding van de Boembekemolen nog?

Reeds in 2011 werd voor het eerst vergunning verleend voor de uitbreiding van de Boembekemolen. Doel was er een beperkte, maar verwarmde ruimte te hebben waarin vrijwilligers onze bezoekers ook in de wintermaanden kunnen ontvangen. Door de besparingen bij de Vlaamse overheid, ja, ook toen al, werden minder subsidies dan initieel voorzien bij de restauratie. Bij gebrek aan middelen werd de uitbreiding, die toen ook was voorzien, in de tijd vooruitgeschoven. Na 5 jaar verviel de vergunning.

In 2022 werd de uitbreiding opnieuw voorbereid met een nieuwe vergunningsaanvraag. Die werd in 2023 geweigerd na bezwaar van buren.

In 2024 werd een nieuwe aanvraag ingediend met, om een aantal bezwaren tegemoet te komen, een kleiner volume. Die aanvraag kreeg een goedkeuring. Enkele buren tekenden terug bezwaar aan tegen de vergunning, zodat het dossier op een hoger niveau werd getild. Op 10 december van dit jaar werd opnieuw vergunning verleend voor de uitbreiding.Nu volgt nog een bekendmaking waarbij belanghebbenden naar de Raad voor Vergunningsbetwistingen kunnen om alsnog de vergunning aan te vechten. Nog even wachten met de champagne. Hoewel, toegegeven, we hebben er al even van genipt!

… zongen zij als sijsjes …

… zongen zij als sijsjes …

Of het nog helemaal correct is, valt te betwijfelen, maar wie een verleden heeft in de jeugdbeweging of jeugdbond kent ongetwijfeld deze zin uit het liedje ‘ik heb mijn wagen volgeladen’. De bedenker van het lied heeft zich bij zijn keuze van de vogelsoort waarschijnlijk eerder laten leiden door het feit dat het woord rijmt op meisjes, want er bestaan vogels met een mooiere zang.

Mannetjes sijzen zijn opvallend geelgroen gekleurd met zwarte kruin, kin en vleugelstrepen. Het vrouwtje is meer grijsgroen en gestreept. Van  beide zijn de vleugels zwart met contrasterende gele vleugelstreep. De sijs heeft een korte, golvende vlucht waarbij de gevorkte staart opvalt. De spitse, kegelvormige snavel is bij uitstek geschikt om zaden uit sparappels, elzenproppen en berkenkatjes te peuteren. Soms zijn ze ook in lorken terug te vinden, niet zelden in gezelschap van distelvinken. Sijsjes halen acrobatische toeren uit om de zaden uit de elzenproppen te peuteren. Meestal foerageren ze in groepen en laten daarbij een gezellig gekwetter horen. In de vlucht is een typerend ‘tsiuu’ te horen.

Ze broeden voornamelijk in de boreale naaldbossen van Noord-Europa en in naaldbossen op berghellingen in Midden- en Zuid-Europa. Ook in Nederland zijn er elk jaar een aantal broedgevallen. Volgens de voorlopige Vlaamse vogelatlas is de soort in de broedtijd vooral in de provincies Antwerpen en Limburg hier en daar aanwezig.

De eerste sijzen arriveren hier meestal in september en ze blijven tot maart – april. De aantallen die overwinteren schommelen nogal met de jaren (zie grafiek). Volgens onderzoek1 in Noorwegen en Zweden is de trek eerder afhankelijk van de populatiegrootte in de broedgebieden dan een reactie op voedseltekort.

Afgeleid van hun Franse naam Tarin des aulnes is de soort bij ons vaak bekend onder de naam tierijntje. Omdat het nogal tamme vogels zijn, waren sijsjes van oudsher populair als kooivogel. Ze werden onder andere gevangen met lijmstokken, waarbij de lijm gemaakt werd van lijnolie, of met speciale slagkooitjes. Net zoals distelvinken konden ze een aantal trucjes leren. Het is dan ook geen toeval dat Mathias Depoorter de soort vermeldt in zijn schitterende boek ‘Vliegwerk’. Op ‘Diptiek van Madonna en kind’, een schilderij dat dateert van circa 1500 – 1520, houdt het kindje Jezus een mannetje sijs in zijn hand.

1 DALE S., EKEBOM A. & DAHL Å. (2025) – Breeding population size, migration, and wintering of the Eurasian Siskin Spinus spinus in relation to seed crop sizes of food trees – Ornis Svecica 35: 26–41, doi.org/10.34080/os.v35.26266.

DEPOORTER M. (2015) – Vliegwerk. Vogels in de kunst – Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam

Het aantal waargenomen sijzen (bron: waarnemingen.be)