Voorjaar op de boerenbuiten. Buitelend door de plattelandslucht verdedigen mannetjes­kieviten hun territorium, hun zwart-witte prachtkleed glanzend in de lentezon. Een beeld dat we helaas op steeds minder plaatsen in Vlaanderen te zien krijgen, want het gaat niet goed met de kievitpopulatie. Daar proberen we echter iets aan te doen.

Kieviten zijn makkelijk herkenbaar aan hun zwart-witte verenkleed, ronde vleugels en kuif, die bij de mannetjes wat langer is dan bij de vrouwtjes. Verder kan je beide geslachten onderscheiden aan het koppatroon, dat bij vrouwtjes beige tinten vertoont en minder scherp afgelijnd is. Tijdens het broedseizoen krijgen de donkere veren van vooral de mannetjes een prachtige, overwegend groene metaalglans. Juvenielen onderscheiden we aan de ontbrekende of korte kuif en het schubbenpatroon op de vleugels, veroorzaakt door de beige veerrandjes. De roep is eveneens kenmerkend en met wat goede wil hoor je er ‘kiiievit’ in. Inderdaad, de soortnaam is een onomatopee.

Van weide- naar akkervogel

Kieviten overwinteren in de Polders of in Zuidwest-Europa. Hun terugkeer naar het binnenland luidt het begin van de lente in. Ze geven de voorkeur aan open landschappen, waarin ze hun belagers van op ruime afstand zien naderen. Een relatief kale bodem is ook belangrijk om voedsel te vinden. Kieviten zijn immers oogjagers, die op de typische plevierenmanier op ongewervelden foerageren: loop, stop, hap. Het voedsel van volwassen kieviten bestaat voornamelijk uit wormen, emelten en andere ongewervelden. Die vinden ze het makkelijkst in een vochtige bodem, want bij aanhoudende droogte kruipen wormen dieper de bodem in. Van oudsher was de kievit een steppevogel, die recenter als weidevogel te boek stond. Die tijd lijkt echter voorbij: weilanden in landbouwgebruik worden doorgaans intensief bemest, begraasd en gemaaid. Ook in tijdelijke graslanden broeden kieviten niet, want raaigrassen (= veevoer) groeien te snel om er tijdig een legsel in te voltooien en de grasmat is te dicht om op de beschreven manier te foerageren, zeker voor de kuikens. Deze productiegraslanden zijn bovendien veel armer aan ongewervelden dan permanente en natuurlijke graslanden.

Wat blijft er dan nog over? Braakliggende terreinen, waar kieviten relatief succesvol kunnen broeden dankzij de aanwezigheid van ongewervelden en dekking voor de kuikens, en kale akkers. Open akkercomplexen zijn relatief arm aan grondpredatoren, die doorgaans een meer gesloten en gevarieerd landschap verkiezen, maar er loeren andere gevaren. We kunnen stellen dat de gemiddelde Vlaamse kievit tegenwoordig geen weide-, maar een akkervogel is. Van andere soorten is echter bekend dat een ‘verhuis’ qua habitat vaak een teken aan de wand is dat het niet goed gaat met de soort. Dat geldt eveneens voor de kievit.

Dramatische afname

Sinds de start van het ABV-telproject (Algemene Broedvogels Vlaanderen) in 2007 laat de kievit een afname van maar liefst 73% optekenen. Deze terugval wordt voornamelijk toegeschreven aan de intensivering van de landbouw, de afname van insecten als stapelvoedsel voor de kuikens, klimaatverandering en toegenomen predatie. Soorten als buizerd, zwarte kraai, vos en steenmarter waren enkele decennia terug in veel lagere aantallen aanwezig tot zelfs afwezig, wat het gevolg was van intensieve menselijke vervolging. Deze soorten waren in staat om zich aan te passen aan het in sneltempo veranderende landschap, dat steeds meer volgebouwd raakt en ‘verrommelt’, en hun aantallen herstelden zich. Hoewel kieviten, net zoals de meeste steltlopers relatief oud kunnen worden (max. 25 jaar), zijn ze niet in staat om gelijke tred te houden met bovenvermelde evoluties.

Kievit (Adulte man) © Gerard Mornie

Het broedseizoen

Zoals bij de meeste vogelsoorten keren de mannetjes als eersten naar hun broedgebieden terug, afhankelijk van de weersomstandig­heden, vanaf midden februari. Uit ringonderzoek blijkt trouwens dat mannetjeskieviten veel trouwer zijn aan hun territoria dan vrouwtjes. Kieviten broeden in clusters bij elkaar: meerdere exemplaren in elkaars nabijheid vormen samen een sterkere luchtafweer (niet weg te denken anno 2026 …) tegen predatoren. In de loop van maart stelen mannetjeskieviten de show met hun spectaculaire, halsbrekende baltsvluchten, en op de grond gaan ze nestkuiltjes draaien en ‘strootjes werpen’ om de nestkuiltjes aan te kleden. Het vrouwtje kiest een van die nestkuiltjes uit om er doorgaans vier uitstekend gecamoufleerde eieren in te leggen. Het eerste kievitsei vinden was in Friesland een ‘nationale sport’ met nestvondsten vanaf begin maart, maar de piek van de eileg situeert zich toch eerder in april. Wanneer een legsel verloren gaat, kunnen kieviten tot grofweg eind mei herbeginnen. Na 26 tot 29 dagen broeden komen de kuikens uit het ei, waarna ze vrijwel meteen het nest verlaten. Het zijn dus nestvlieders, die zelfstandig naar voedsel zoeken: zoals de meeste steltlopersoorten worden ze niet door hun ouders gevoerd. Wel houden de oudervogels een oogje in het zeil en alarmeren ze met hun klaaglijke roep bij naderend gevaar, waarna de kuikens zich drukken en op hun schutkleur rekenen. Ondertussen worden predatoren met duikvluchten verjaagd of met afleidingsgedrag weggeleid van de kuikens. Zo beschermen broedende kieviten ook andere akkervogels en landbouwgewassen.

Kuikenoverleving als bottleneck

Toch blijkt net de kuikenoverleving gedurende de eerste twee levensweken de grootste ‘bottleneck’ voor de kievitpopulatie. Om de populatie op peil te houden is een broedsucces van 0,7 tot 1,0 vliegvlug jong per broedpaar noodzakelijk. Kuikens vinden echter vaak onvoldoende voedsel (ongewervelden) – volgens cijfers van Vogelbescherming Nederland zo’n 800 à 5.000 prooien per dag – en te weinig dekking tegen predatoren in de vorm van akkerranden, structuurrijke graslanden of kruidenrijke hoeken. Nochtans kunnen de oudervogels hun kuikens tot wel 3 km van de nestplaats vandaan leiden naar plaatsen die geschikt zijn om te foerageren en op te groeien, wat in het versnipperde Vlaanderen ongetwijfeld een tocht vol gevaren inhoudt. Bij plas-drassituaties, zoals vochtige graslanden of desnoods verslempte plekken op (maïs)akkers, vinden ze een hoger voedselaanbod dan op droge en steriele percelen. Ook hobbyweides, hoewel vaak verguisd in landbouw- en natuurmiddens, lijken een zekere aantrekkingskracht uit te oefenen op kievit families. Hun hierboven beschreven mobiliteit maakt het trouwens niet eenvoudig om het broedsucces te achterhalen. Na 35 tot 40 dagen zijn de jonge kieviten vliegvlug en daarmee stijgen hun overlevingskansen aanzienlijk. Oudervogels die hun legsels of kuikens daarentegen verloren hebben, vormen zogenaamde rouwgroepen. Een grote groep adulte kieviten in het late voorjaar op akkers aantreffen, is dus een slecht teken.

Nestbescherming

Tijdens de eifase zijn het niet predatoren, maar landbouwwerkzaamheden die de grootste verliezen bij op akkers broedende kieviten veroorzaken. Dat blijkt uit INBO-onderzoek uitgevoerd in 2020: toen bedroeg het nestsucces op akkers zonder nestbeschermingsmaatregelen 34 %, tegenover 82 % mét maatregelen. Het nestsucces drukt het percentage uitgekomen eieren uit en is niet te verwarren met het broedsucces. Momenteel (een kwestie van tijd?) is de kievit nog niet zeldzaam genoeg om in aanmerking te komen voor de compensatieregeling van het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB), een subsidie voor landbouwers die een (zone rond) een nest sparen wanneer er op hun perceel een bedreigde soort broedt. Sommige gemeenten of Regionale Landschappen hebben een vrijwilligerswerking rond nestbescherming voor kievit opgezet, maar helaas is dat in de Vlaamse Ardennen niet het geval. In het kader van het Actieplan Kievit wordt nestbescherming in de rest van Vlaanderen wel gefaciliteerd. Via de Werkgroep Weide- en Akkervogels (WWA) van Natuurpunt kan je je als nestbeschermer registreren, waarna je een onmisbaar toelatingsdocument verkrijgt om nesten te mogen opsporen. Dat vergt grondige observatie en een portie geduld. Wanneer we de vermoedelijke locatie van een kievits­nest kennen, proberen we het aan de hand van kijklijnen te vinden om het vervolgens te markeren. Zo wordt het nest tijdens de bewerkingen zichtbaar voor de landbouwer of loonwerker. Sowieso betreden we geen percelen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de landbouwer of eigenaar. In overleg met de landbouwer wordt het nest al dan niet op een schaaltje of in een rieten mandje geplaatst dat opnieuw ingegraven wordt en tijdens een eventuele volgende bewerking tijdelijk verplaatsbaar is. Tot slot volgen we het nest- en waar mogelijk het broedsucces van de beschermde nesten op. Ook de nesten van andere op de grond broedende akkervogels, voornamelijk scholekster, beschermen we. Vorig jaar vonden we op een maïsakker zelfs een broedgeval van kleine plevier, wat dankzij eenvoudige nestmarkering in drie vliegvlugge jongen resulteerde.

Kievitnest © Simon Desmet

Kortom, nestbescherming kan een nodige boost geven aan een lokale kievitpopulatie, ook al biedt het geen garantie op de overleving van de kuikens. Daarvoor zijn andere maatregelen op landschapsniveau nodig, zoals beheerovereenkomsten die land­bouwers met de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) kunnen afsluiten. Er wordt ook gewerkt aan technologische oplossingen op landbouwmachines in de vorm van automatische beeldherkenning of warmtedetectie van nesten van akkervogels. In het ideale geval is nestbescherming dus een tijdelijke noodmaatregel om de dalende trend van kievit alvast een halt toe te roepen. Het is onze bedoeling om nestbescherming in te zetten op die plaatsen waar de overleving van kuikens het hoogst is.