Hoornaars gezien, gehoord, gevoeld?

Hoornaars gezien, gehoord, gevoeld?

Onze natuur wringt zich in het dagelijkse nieuws en helaas dikwijls niet op een positieve manier. Hoornaars kwamen deze zomer aan bod, een verwachte evolutie, want de Europese en Aziatische hoornaar – recent omgedoopt tot geelpoothoornaar – doen het hier goed. Er zijn allicht ook veel ervaringen bij onze lezers, hopelijk niet aan de lijve ondervonden. Wat kan je meer vertellen dat de moeite is: als je veel buiten bent, toch best oppassen, ook bij werkzaamheden in de tuin! En waakzaamheid voor wie met nachtvlinders bezig is, want de Europese hoornaar komt ook af op licht.

Dit voorjaar zaten in onze kleine tuin twee ‘aanloop’nesten of primaire nesten in nestkasten: de geelpoot is ervoor gekend om laag kleine primaire nesten te bouwen, van waar dan de opgekweekte werkploeg aan het werk gaat in de typische grote bolvormige nesten hoog in de bomen. Die blijven dan vaak onopgemerkt tot het najaar als de bladeren vallen, en zo tegen kerstdag heb je dan mooie grote bollen op gerespecteerde afstand van elkaar.

Onze kleine nesten bleven eerst onopgemerkt, iets wat in nestkasten in grote tuinen of bossen ook het geval kan zijn. Overigens heb ik dat ook eenmaal ervaren in het Kluisbos met een Europese hoornaar en je wil niet weten hoe rap ik van mijn ladder was. Alleen al het geluid was efficiënt! En de waarschuwing is hier dus wel op zijn plaats: pas op, ze zijn agressief, zeker de geelpoten. Diezelfde tuinhoornaars dacht ik te ontmoedigen door in het begin de nestkastopening af te plakken, maar daar wisten ze wel raad mee via een (geknaagde?) opening in de achterkant. Benieuwd na enige tijd of ze nu weg waren, tokkelde ik even van op ‘veilige’ afstand met een takje tegen de kast en voor ik het wist was ik gestoken op mijn lip: als een duivel uit een doosje en heel gericht was de aanval voorbij voor ik het besefte, gelukkig met maar één aanvaller.

Eind augustus, begin september volgden de berichten elkaar op met een aanval in Kluisbergen (Europese hoornaar) als groot nieuwsitem en spijtig genoeg aansluitend in Ninove een dodelijke afloop na een aanval van de geelpoothoornaar.

Europese hoornaar © Rik Desmet
Europese hoornaar © Rik Desmet

Europese hoornaars bouwen hun nesten laag, in de grond of in een holle boom of holle ruimte, ook bij huizen, en ze worden wat ontzien bij verdelgingsacties, omdat ze meer in evenwicht zijn met de Europese fauna. Zelf zag ik ook een kleine groep een wespennest aanvallen onder onze dakgoot, passend in hun voedselpatroon. Want beide soorten zijn naast fruit voornamelijk ‘vlees’eters en roven dagelijks wat weg aan andere insecten in tuinen en zeker bij bijenkasten, waar vooral de geelpoothoornaar een echte plaag vormt. De nesten van beide soorten sterven af in de winter, maar koninginnen overleven. Per nest van de geelpoothoornaar worden soms tot 500 koninginnen geboren, waarvan 10% overleeft (Ellen Danneels in DM 1/9), en daarvan slaagt opnieuw 10% erin om een nieuw nest te bouwen.

Wat te doen als hoornaars aanvallen? Experte Danneels: gaan lopen… Wie het nest verstoort, wordt aangevallen en ze blijven steken, want ze hebben geen gekartelde angel als honingbijen! Dat ondervond ook een buurvrouw die absoluut een foto van een nest op Facebook wilde, met als resultaat een aantal likes en evenveel steken… Verstoring kan ook door trillingen; stampende voeten en zelfs lawaaierige voorbijgangers kunnen al voldoende zijn. Dit was allicht het geval in de holle weg in Kluisbergen met wandelaars en mountainbikers. Wie gestoken is, legt best ijs en gebruikt een anti-allergische zalf. 112 bellen is zeker nodig bij kortademigheid, misselijkheid of allergische reacties. Wie allergisch is, houdt best noodmedicatie (EpiPen) in huis. Meld waarnemingen via de site van Vespawatch. Je vindt op die site ook een kaart1 waarop je per gemeente kan zien of de bestrijding door de brandweer al dan niet gratis is, en je krijgt een lijst van erkende bestrijders.

En aansluitend: als iemand weet heeft van wespendieven met hoornaars op hun menu, laat het weten aan Meander.

Referenties

  1. https://vespawatch.be/overview-eradication/ ↩
Flight of the dragons

Flight of the dragons

Ook deze herfst zullen de vogels weer zuidwaarts trekken. Deze trek is ondertussen uitvoerig bestudeerd en vrij goed gekend. Eigenlijk vormen insecten de meest talrijke en meest diverse groep van de terrestrische migranten, maar daarover is veel minder geweten. Omdat ze zo klein zijn, is onderzoek dan ook heel wat moeilijker.

Glazenmakers (Anisoptera) en waterjuffers (Zygoptera) vormen de oeroude insectenorde Odonata, waarvan de voorouders de eerste vliegende organismen op aarde waren. Wereldwijd zijn er 6.390 soorten bekend. Van verschillende soorten weet men dat ze over lange afstanden migreren en zo een aanzienlijke invloed hebben op ecosystemen, onder andere door middel van biomassa- en nutriëntenoverdracht. Dit jaar verscheen een studie1 met een wereldwijd overzicht van de migratie-ecologie van libellen en waterjuffers. Een van de medeauteurs is J.W. Chapman, die eerder ook al baanbrekend onderzoek verrichtte naar het trekgedrag van vlinders.

Er worden twee soorten migratie onderscheiden: migratie over meerdere generaties, waarbij heen-en-terugreizen over verschillende generaties worden voltooid, en, nauwelijks voorkomend bij de Odonata, migratie binnen één generatie, waarbij dezelfde individuen het oorspronkelijke voortplantingshabitat verlaten en ernaar terugkeren.

Over het algemeen is migratie relatief ongebruikelijk bij libellen en waterjuffers: slechts 2,9% van de soorten zijn zekere of mogelijke trekkers. Voor zowel dag- en nachtvlinders als vleermuizen is dat ongeveer 3%, bij de vogels trekt ongeveer 19%. Vogels kunnen nu eenmaal een ongunstig seizoen niet overleven in de vorm van een ei, rups of pop (insecten) of door in winterslaap te gaan (zoals de vleermuizen). Bij de trekkers horen bij ons bekende soorten zoals bij de libellen de platbuik, viervlek, paardenbijter (in het Engels Migrant Hawker!), meerdere soorten heidelibellen en bij de juffers de zwervende pantserjuffer en de kleine roodoogjuffer.

Dit wil echter niet zeggen dat alle individuen van deze soorten ook trekkers zijn. Zo ving2 men met vogelnetten (!) in augustus en september aan de Baltische kust paardenbijters. Daar waren zowel libellen van ter plaatse als trekkers bij. Bij de trekkers vormden de mannetjes de meerderheid.

De meeste migrerende libellen lijken soorten te zijn die als ‘Niet bedreigd’ worden aangemerkt volgens de Rode Lijst van de IUCN en mogelijk weerbaar zijn tegen veranderingen in het milieu vanwege aanpassingen die verband houden met hun migratiestrategie.

Kampioen is de – bij ons niet voorkomende – treklibel (Pantala flavescens), die mogelijk tot meer dan 6.000 km kan afleggen.

Hoe de libellen bij langere afstanden navigeren, blijft onzeker. Mogelijk beschikken ze, zoals sommige vlinders, over een soort zonnekompas, maar ook gepolariseerd licht kan een rol spelen. Bij de trek zijn ze niet enkel gebonden aan de windrichting, maar ze kunnen ook trekken in een richting die afwijkt van de heersende windrichting.

In tijden van klimaatverandering kan een hoge mobiliteit zijn voordeel hebben. Zo komt de zadellibel, een zuidelijke soort, steeds meer voor in Europa. Een evolutie die we eerder zagen bij de vuurlibel, en ook de algemene paardenbijter breidt uit naar het noorden3.

Referenties

  1. JOHANNA S.U. HEDLUND J.S.U., MENZ M., CHAPMAN J.W. & HAYWARD A. (2026) – Flight of the dragons: a global review of migration in Odonata – Biol. Rev., 101: 2134–2157, doi: 10.1002/BRV.70170 ↩
  2. OELMANN Y., FIEDLER D., MICHAELIS R., LEIVITS M., BRAUN A., GSCHWIND Ph;, NEIDHARDT H. & WILLIGALLA C. (2023) – Autumn migration of the migrant hawker (Aeshna mixta) at the Baltic coast – Movement Ecology , doi.org/10.1186/s40462-023-00415-z ↩
  3. VINKO D., BILLQVIS M., DE KNIJF G., VAN GRUNSVEN R.H.A. & PRUNIER, F. (2024) – Aeshna mixta (Europe assessment). The IUCN Red List of Threatened Species 2024: e.T165499A208843381, doi.org/10.2305/IUCN.UK.2024-1.RLTS.T165499A208843381.en ↩
In memoriam Karel De Waele

In memoriam Karel De Waele

11 augustus 2026

In memoriam Karel De Waele

Op 27 november 2026 zou Karel De Waele 86 worden, maar die datum haalde hij niet meer. Hij overleed op 6 augustus. Een maand eerder had hij onverwacht de diagnose van terminale kanker gekregen. Op slag koos hij ervoor om euthanasie aan te vragen, omdat geen enkele behandeling nog tot een kwaliteitsvolle verlenging van zijn toch al lange en zeer rijke leven had kunnen leiden. In ons laatste gesprek, enkele weken geleden, vertelde hij me dat hij er volkomen vrede mee had. Zijn leven voelde afgerond aan. Zijn geest was nog even helder als altijd, maar zijn lichaam was op.

Drie jaar eerder was zijn vrouw Alma overleden. Ze was meer dan zomaar een levenspartner: samen hadden ze de wereld rondgereisd, geleefd, geleerd, drie kinderen grootgebracht en zich ingezet voor het natuurbehoud, eerst bij de Wielewaal en later bij Natuurpunt.

Toen hij dertig was, richtte Karel in de schoot van de toenmalige Wielewaal de plantenwerkgroep van de Vlaamse Ardennen op, de eerste plantenwerkgroep in Vlaanderen. Enkele jaren later was hij mede-oprichter van de Nationale Werkgroep Botanie. Het zou zijn grote passie worden: planten leren kennen, inventariseren en plantenexcursies gidsen. In 2005 resulteerde dit in de uitgave van De Flora van de Vlaamse Ardennen, die we gerust mogen beschouwen als zijn levenswerk. Tot enkele weken voor zijn dood bleef hij de verspreidingskaartjes aanvullen met de nieuwe vondsten in ‘zijn’ regio. Ook de centrale databank van FLO.WER, een samenwerkingsproject tussen de diverse plantenwerkgroepen van Natuurpunt en het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek (INBO), bleef hij tot op het laatst met nieuwe plantenwaarnemingen aanvullen.

In ons laatste gesprekje vertrouwde hij me zijn visie op de dood toe: “Na mijn dood verspreidt mijn energie zich over de aarde en dient als voeding voor andere levende wezens. Dit is mijn visie op reïncarnatie.” Nuchter als altijd. In een laatste mailtje liet hij me ook nog weten: “Mijn plantenwerkgroepen zijn in goede handen. Ik heb er vertrouwen in dat ze zullen blijven voortbestaan.” Om te eindigen met: “Ik ben dankbaar voor onze vriendschap.”

Deze boodschap was niet louter voor mij bestemd, maar tevens voor alle mensen met wie hij zijn liefde voor de natuur in het algemeen en zijn fascinatie voor de plantenwereld in het bijzonder had mogen delen, voor alle trouwe vrienden van wie hij niet persoonlijk afscheid had kunnen nemen. Het was aan mij om na zijn overlijden deze boodschap over te brengen.

Die dankbaarheid was wederzijds en dat geldt ongetwijfeld voor allen die hem goed gekend hebben, vaak vijftig jaar of langer. Nuchter, goedgehumeurd, ernstig, vriendelijke plaagstootjes uitdelend, toegewijd … dit is hoe ik Karel heb ervaren. Je kon met hem van mening verschillen over de determinatie van een plant of over een visie op het leven; de discussie bleef altijd respectvol. Hij had ook een uitzonderlijk geheugen. Een voorbeeld hiervan maakten we mee tijdens een plantentocht in de Scheldemeersen tussen Eke en Zevergem, enkele jaren geleden. Toen we enkele private visvijvers passeerden, herinnerde hij zich plots dat hij daar tussen die vijvers, ergens in het begin van de jaren 70 van de vorige eeuw, enkele exemplaren van addertong had gevonden. We gingen op zoek en vonden een grote populatie van dit zeldzame varentje, op dezelfde plek als meer dan een halve eeuw geleden.

Naast botanie en reizen had Karel tevens een grote liefde voor cultuur: onder meer theater, muziek en schilderkunst waren hem veel aandacht waard. Toen hij en Alma vijftig jaar gehuwd waren, werd dat gevierd met een boottocht op de Leie, tussen Gent en Deinze. Ik mocht mee als muzikant en samen met een bevriende celliste musiceerden we buiten op het dek. Terwijl de familie benedendeks zat te tafelen, sloop Karel telkens weer naar boven om genietend van de muziek de plantengroei op de voorbijglijdende oevers in zich op te nemen. Vaak als ik hem zag, moest ik denken aan een liedje van Willem Vermandere, maar met een lichtjes aangepaste tekst:

‘Lat mie mô lopen langs de stroate en ’k èn mien plantjes da’k zo gèren zien van ’s ochtends vroeg toet ’s avonds loate en ’k èn mien streeplieste bie mien.’

Tot op de laatste ochtend van zijn leven bleef hij ‘plantenpraatjes’ posten op Facebook waarin hij op zijn lucide en humoristische manier inging op de etymologie van plantennamen, hoe je de plant in kwestie kon herkennen, waar hij voorkwam en waar hij die plant zelf was tegengekomen. Velen onder ons bezorgden hem plantenfoto’s, zodat hij niet zonder inspiratie zou komen te vallen. Pas op het einde van zijn laatste schrijfseltje, niet toevallig over het bosvergeet-mij-nietje, maakte hij bekend dat hij nog diezelfde dag euthanasie zou krijgen.

Karel hield nu eenmaal graag het stuur in eigen handen, zowel letterlijk als figuurlijk. Als we samen ergens naartoe gingen, dan reed hij, niet ik. Zo ook toen hij geplaagd werd door een frozen shoulder en hij met zijn rechterhand niet in staat was om de versnellingspook te bedienen. Uiteindelijk kreeg ik hem zo ver dat hij tot drie zou tellen, telkens hij naar een andere versnelling wou overschakelen. Bij ‘drie’ mocht ik dan schakelen. Maar het stuur uit handen geven?

Dat deed hij wel toen hij 70 werd en het tijd vond om de verantwoordelijkheid voor de plantenwerkgroepen uit handen te geven. Hij wou geenszins ‘de schoonmoeder uithangen’ ten opzichte van de nieuwe trekkers, maar bleef wel met raad en daad beschikbaar om bij te springen waar hij maar kon. We hadden een hele ploeg nodig om het werk dat hij decennialang in zijn eentje had gedaan van hem over te nemen.

We zullen hem missen.

Komen en gaan

Komen en gaan

Het moet ergens in 2014 of 2015 geweest zijn dat ik voor het eerst een stijve naaldvaren zag groeien op een steile berm aan de zuidzijde van het Bos Terrijst (Schorisse), langs een van de wandelroutes die ik jaarlijks een tiental keren neem. Telkens ik daar passeerde, ging ik na of hij er nog stond. Drie jaar later was hij verdwenen. Hoe nauwkeurig ik ook rondkeek, het mocht niet baten. Ook dit jaar – 2026 inmiddels – had ik er al enkele keren tevergeefs naar gezocht. Ik begon me zelfs af te vragen of ik me tien jaar geleden niet had vergist en me had verkeken op een afwijkend exemplaar van mannetjesvaren. Tot ik hem half juli plots terugvond: niet één maar drie exemplaren zelfs. Ik kan geen verklaring bedenken waarom die varen nu plots weer zijn opwachting maakt, in een extreem droge zomer, voorafgegaan door extreem natte zomers en winters en meerdere al even extreem hete lentes en zomers. Houdt naaldvaren misschien van de opeenvolging van extremen?

Veel planten duiken ergens op om vervolgens weer te verdwijnen. Vaak is de verklaring simpel: door een of ander toeval komt er op een bepaalde plek zaad terecht en is het in staat om te kiemen en een volwassen plant te vormen, maar het is niet het juiste habitat om zich er langdurig te kunnen vestigen. Iets te koud in de winter of te heet in de zomer, gemiddeld genomen wat te nat of te droog, te veel schaduw en te weinig zon of omgekeerd, een te zure bodem of de verkeerde grondsoort… het kan aan van alles liggen. Heel wat planten zijn immers behoorlijk kieskeurig. En dus staan ze er het volgende jaar niet meer. Dat was onder meer het geval met een rapunzelklokje dat in 2025 in mijn tuin opdook en met een soortgenoot die tijdens datzelfde jaar in een wegberm in Zingem stond te bloeien. Niet meer terug te vinden in 2026. Idem voor een grote ratelaar in een berm nabij de Hospicebossen enkele jaren eerder: éénmaal zien bloeien, daarna terug verdwenen. Ook orchideeën kunnen er wat van: op meerdere plaatsen zag ik de voorbije tien jaar gevlekte orchis, hondskruid en bokkenorchis verschijnen en al even snel terug verdwijnen. Het zijn nu eenmaal kieskeurige wezentjes, onze inheemse orchideeën. Ze moeten niet alleen in de juiste grondsoort terechtkomen, daarnaast moeten hun zaden de juiste bodemschimmels ontmoeten voordat ze kunnen kiemen. In wegbermen moet het maaibeheer dan ook nog eens meezitten en dat doet het meestal niet: in volle bloei worden ze weggerukt uit hun nieuwe standplaats, zonder dat ze de kans krijgen zaden te vormen.

Achter het verschijnen en verdwijnen van plantensoorten kan nog andere logica schuilgaan, namelijk indien het om soorten gaat die een langlevende zaadbank vormen en aan pionierssituaties gebonden zijn. Soorten zoals gewone spurrie, zandmuur of kleine leeuwenbek zijn eenjarige voorbeelden hiervan. Hun zaden kiemen enkel op kale stukjes grond in de volle zon. Indien de vegetatie vervolgens terug dichter wordt, moeten ze wachten op een nieuwe gelegenheid en dat kan soms meerdere decennia duren voordat deze zich voordoet. Er zijn ook doorlevende soorten die afhankelijk zijn van tijdelijke pionierssituaties om te kiemen vanuit een oude zaadbank. Een voorbeeld hiervan is mannetjesereprijs. Enkele jaren geleden ontdekte ik onverwachts een mooie populatie hiervan in een stukje wegberm dat het jaar ervoor door de maaimachine was gefreesd in plaats van gemaaid. Het jaar daarop was er al geen spoor meer van te bekennen en dit is tot op heden nog steeds zo. Een andere populatie hield wel enkele jaren stand. Deze stond in een stukje wegberm dat met een grasmaaier kort werd gehouden, waardoor mannetjesereprijs niet zo snel werd weggeconcurreerd door hoog opschietende grassen.

Achter het komen en gaan van planten zit soms een begrijpelijke logica, maar even vaak blijft het een boeiend en intrigerend raadsel.

Een uitweg voor de eikelmuis

Een uitweg voor de eikelmuis

Acrobaat aan de rand van de afgrond

De eikelmuis was ooit een vaak geziene gast in de Vlaamse Ardennen. Sommigen kennen het diertje nog onder de naam ‘fruitratje’ of ‘fruitdiefje’, omdat het zich vaak vertoonde op zolders, schuren of kelders waar fruit en noten werden bewaard voor de winter. Omwille van zijn zwartomrande ogen wordt hij ook wel ‘Zorro’ genoemd. Dankzij zijn opvallende pluimstaart is deze muis tot uitzonderlijke klimkunsten in staat en vertoont hij gelijkenissen met de eekhoorn. De soort houdt een jaarlijkse winterslaap en behoort tot de familie van de slaapmuizen. Maar ondanks zijn acrobatische kunsten en gemaskerde heldenstatus bengelt de eikelmuis aan de rand van de afgrond; in sommige Europese landen al volledig uitgestorven, in België nog aanwezig, maar actie is dringend nodig.

Natuurpunt Vlaamse Ardennen plus schiet de eikelmuis ter hulp met de steun van het Europees plattelandsfonds LEADER door in kaart te brengen waar en onder welke omstandigheden er nog eikelmuizen voorkomen in de Vlaamse Ardennen. Op deze manier kunnen er gerichte beschermingsmaatregelen genomen worden. De betrokken gemeenten bij dit project zijn: Ronse, Zottegem, Zwalm, Brakel, Horebeke, Maarkedal, Kluisbergen en Oudenaarde.

De favoriete plekken van de eikelmuis

Op basis van geregistreerde waarnemingen, die tot jaren teruggaan, is de (mogelijke) aanwezigheid van de eikelmuis in kaart gebracht. Rond deze plekken worden bewoners opgeroepen om extra alert te zijn en nieuwe waarnemingen door te geven. Ook op plaatsen waar nog geen waarnemingen geregistreerd zijn, maar die een potentieel geschikte habitat bieden, worden mensen opgeroepen om uit te kijken naar deze bijzondere bezoeker.

Voederplaatsen, nestkasten en/of wildcamera’s worden op beloftevolle locaties geplaatst en gecontroleerd.

De eikelmuis houdt zich graag op in en om gebouwen met rommelige plekken en holle ruimten en spleten. Vooral waar er aansluiting is met gevarieerde tuinen met dichte hagen, bosjes, fruitbomen en andere structuurrijke groenelementen, vinden ze een onderkomen. Om zich van de ene plek naar de andere te verplaatsen, maken ze gebruik van langgerekte houtige landschapselementen zoals heggen en houtkanten – al dan niet gelieerd aan spoorwegen, taluds en bermen. Eikelmuizen zijn vooral ’s nachts actief. Het zijn de keutels die vaak een herkenbaar spoor nalaten: 8 tot 15 mm lang, donkerbruin tot zwart, een licht gedraaide vorm met vaak restjes van insectenpantsers, zaden of vruchtenschillen.

De ene holte is de andere niet

Holtes zijn voor eikelmuizen van levensbelang. Ze doen dienst als nestplaats en slaapplaats tijdens de winterslaap. Eind juni demonstreerde de Schotse boom- en slaapmuizenkenner Will Robertson aan professionele boomverzorgers en enkele natuurliefhebbers hoe je een geschikte holte in een boom maakt. Bij deze klus komen wel wat vaardigheden en kennis kijken. Je hebt niet alleen armkracht, goed materiaal en een gebrek aan hoogtevrees nodig, maar ook kennis en zin voor precisie. De holte moet hoog genoeg zijn om predatoren zoals marters en katten weg te houden en tegelijk veiligheid te bieden tegen predatoren vanuit de lucht, bijvoorbeeld niet vlak onder een tak waar een bosuil kan zitten. De ideale afmeting voor de eikelmuis is een holte met een 200 mm brede nestruimte die loopt over de volledige lengte van een 20 tot 22 mm brede ingang. Will baseert zich hiervoor op het onderzoek van zoogdierexperte en Natuurpunter Goedele Verbeylen. Haar onderzoek toonde ook aan dat er voor één eikelmuizenfamilie zo’n 15 tot 20 holen nodig zijn. Will maakte tijdens de zomermaanden heel wat geschikte holtes in onze natuurgebieden die binnen het project vallen.

OPROEP

Willen we de eikelmuis in de Vlaamse Ardennen reanimeren, dan hebben we de hulp nodig van de streekbewoners.

Spiedende ogen:

Heb je een eikelmuis gezien in een gebied dat binnen het project valt? Meld het via waarnemingen.be – vergeet zeker je gegevens niet te vermelden, zodat we je kunnen contacteren.

Heb je vermoedens van de aanwezigheid en/of woon je in een gebied met geschikte habitats? Mail naar zoogdierenwerkgroep@natuurpuntvlaamseardennenplus.be.

Helpende handen:

Wil je ons helpen met het plaatsen en controleren van nest- en voederkasten en wildcamera’s? Mail naar zoogdierenwerkgroep@natuurpuntvlaamseardennenplus.be.

Enthousiasmerende monden:

Vertel mensen over deze bijzondere muis en hoe zij hun steentje kunnen bijdragen.

Meer informatie: waarnemingen.be/events/eikelmuis-vlaamse-ardennen

Een kleine daad met grote impact

Een kleine daad met grote impact

Interview met boomverzorger en slaapmuizenexpert Will Robertson

Wat is je achtergrond en drijfveer, Will?

Mijn universitaire opleiding is fysica, maar mijn belangrijkste bijdrage aan de wereld tot nu toe is het opzetten van het standaardwoordenboek Schots-Gaelisch samen met Michael Bauer en mijn samenwerking met Goedele Verbeylen rond de technieken voor het uitkerven van nestholtes en de praktische bescherming van eikelmuizen, hazelmuizen, vleermuizen en eekhoorns.

Mijn moeder stierf vrij jong aan pancreaskanker. In haar laatste dagen zei ze tegen me: “Je zult de wereld beter achterlaten dan je hem hebt gevonden.” Dat is wat ik probeer te doen.

Hoe is je fascinatie voor de slaapmuis ontstaan?

Misschien heb ik van nature wel een bijzondere affiniteit met eikelmuizen (Eliomys quercinus). Groepen vrouwelijke eikelmuizen brengen hun jongen samen groot in familiegroepen; mannetjes jagen tijdens de paartijd vrouwtjes na, maar daarbuiten kruipen mannelijke eikelmuizen gezellig bij andere mannetjes tegen elkaar aan. Een idee dat ik wel kan waarderen.

De eerste keer dat ik een hazelmuis (Muscardinus avellanarius) ontmoette, was een betoverende ervaring. Ik dacht dat de twee prachtige, glanzende ogen die me aankeken van een jonge eekhoorn waren, maar niets was minder waar. Kort daarna begon een andere slaapmuis, de relmuis (Glis glis), te eten van de havervlokken die ik voor de vogels had buitengezet. Dit deed me beseffen dat er in Europa meer soorten slaapmuizen zijn – in totaal vier soorten – waarvan er drie bedreigd zijn en dat zij onze hulp nodig hebben.

Dus ben je op zoek gegaan naar hoe je de slaapmuis kan helpen?

Inderdaad. De meeste literatuur die ik vond, ging ervan uit dat slaapmuizen vooral in struiken leefden, maar als boomverzorger zag ik dat deze dieren sterk aangepast zijn aan het leven in bomen met hun behendige klimhandjes en nauwere verwantschap aan de eekhoorn dan aan de muis. Bosbeheer- en boomverzorgingspraktijken uit het verleden, waarbij oude en dode bomen werden verwijderd, hadden hen beroofd van de nestholtes die hun veiligheid boden. Het ontstaan van nieuwe nestholtes op natuurlijke wijze duurt 50 tot 100 jaar, terwijl deze dieren in veel delen van Europa al binnen een fractie van die tijd met uitsterven worden bedreigd.

Daarom begon ik technieken te ontwikkelen om nestholtes uit te houwen. Na maandenlang zoeken in de wetenschappelijke literatuur vond ik een publicatie van Goedele Verbeylen, onderzoekster bij Natuurpunt, waarin zij precies had gemeten welke breedte en vorm van de ingang optimaal waren – rechthoekig of ovaal, niet rond – zodat hazelmuizen en eikelmuizen naar binnen konden, terwijl ze tegelijkertijd beschermd waren tegen roofdieren en slecht weer.

In die tijd werd gedacht dat het technisch onmogelijk was om een kettingzaag met de millimeterprecisie te bedienen die Goedele’s specificaties vereisten, laat staan om binnenin nestholtes uit te houwen die tien keer groter zijn dan de opening aan de ingang. Gedurende meer dan drie jaar ontwikkelde ik deze technieken: snelle en precieze vaardigheden om met een kettingzaag te zagen voor klimmende boomverzorgers en bosbeheerders, wat heel wat kracht, vaardigheid en zelfvertrouwen vergt, en tragere, veiligere manieren met een roterende boor voor mensen zonder ervaring met een kettingzaag of klimkunsten.

Will Robertson aan het werk © Marc De Vriendt
Will Robertson aan het werk © Marc De Vriendt

Goedele en ik begonnen in 2024 samen met onze eerste veldstudie en de resultaten waren geweldig: een moeder verhuisde met haar gezin van vier jonge hazelmuizen naar een van de uitgeholde nestholtes, en ook gezinnen van eikelmuizen namen andere nestholtes in.

Wat zijn de grootste bedreigingen voor de slaapmuizen en valt er iets aan te doen?

Onderzoek wijst op vijf fundamentele bedreigingen: het verlies van voedselplanten, vergiftiging door rodenticiden (middelen tegen knaagdieren), de achteruitgang van insectenpopulaties, predatie en het verlies van nestholtes.

Het belangrijkste is dat we al deze ontwikkelingen kunnen omkeren.

We weten dat slaapmuizen behoefte hebben aan een grote variatie voedselplanten die met elkaar in verbinding staan en die opeenvolgend in het seizoen voedsel leveren via bloesems, knoppen, bessen en noten. Deze kunnen we dus aanplanten en bevorderen. Denk aan fruitbomen, hazelaar, mei- en sleedoorn, klimop, sporkehout, …

In Europa worden bij wilde dieren hoge concentraties van anticoagulante rodenticiden gemeten. Nu we de gevaren ervan beter begrijpen, kunnen we het gebruik van rodenticiden verminderen.

Intensieve landbouw veroorzaakt op grote schaal habitatverlies, dus we kunnen allemaal een verschil maken door landbouwers te steunen die duurzaam werken.

Nestkasten en nestholtes bieden beschutting tegen weersomstandigheden en grotere roofdieren. De thermische stabiliteit van de holtes maakt ze zowel geschikt voor de winterslaap als voor gebruik tijdens het actieve seizoen. Bovendien trekken nestholtes insecten aan die zowel voor slaapmuizen als voor vleermuizen belangrijke mineralen en eiwitten leveren.

We hebben tijdens de zomer meer dan 100 nestholtes kunnen uithouwen in de Vlaamse Ardennen, met enorme snelheid en precisie, en zonder tekenen van stress in de vasculaire of endocriene systemen van de bomen. Dit is geen greenwashing en geen symbolisch gebaar, maar iets wat op grote schaal met de financiële steun van particulieren, overheden en bedrijven kan worden toegepast om daadwerkelijk een verschil te maken.

Wat kan de mensheid leren van de slaapmuis?

Ik denk boven alles: moed. Als we de toekomst tegemoet kunnen treden met dezelfde moed als deze kleine dieren, dan hebben zowel wij als zij een toekomst.

Europese rode lijst voor nachtvlinders

Europese rode lijst voor nachtvlinders

De Europese rode lijst1 van macronachtvlinders biedt een uitgebreide beoordeling van het risico op uitsterven van nachtvlinders in heel Europa.

De beoordeling is gebaseerd op de verschillende categorieën zoals vastgelegd door de IUCN (International Union for Conservation of Nature and Natural Resources). Het rapport wil het beleid ondersteunen en de prioriteiten voor natuurbehoud sturen. Daarnaast verbetert het inzicht in de trends en bedreigingen van nachtvlinderpopulaties en identificeert het de soorten die op Europees niveau met uitsterven worden bedreigd.

In totaal werden 3.082 soorten beoordeeld.

De beoordeling evalueert soorten met behulp van de beschikbare gegevens over verspreiding, populatietrends, habitatvereisten en bedreigingen.

Status op de IUCN-Rode Lijst van Europese nachtvlinders, met het aantal soorten per categorie voor alle soorten in geografisch Europa. DD: Onzeker / Onvoldoende gegevens. Er is te weinig informatie om de status te bepalen. LC: Niet bedreigd / Veilige soorten met een groot en stabiel aantal. NT: Gevoelige soorten die bijna in aanmerking komen voor een bedreigde categorie. VU: Kwetsbaar. Soorten die een hoog risico lopen op uitsterven in het wild. EN: Bedreigd. Soorten met een zeer groot risico op uitsterven in de nabije toekomst. CR: Ernstiger bedreigd, Kritiek. Soorten die extreem hoog risico lopen op uitsterven. EX: Uitgestorven. Er zijn geen levende exemplaren meer op het Europese continent.
Status op de IUCN-Rode Lijst van Europese nachtvlinders, met het aantal soorten per categorie voor alle soorten in geografisch Europa. DD: Onzeker / Onvoldoende gegevens. Er is te weinig informatie om de status te bepalen. LC: Niet bedreigd / Veilige soorten met een groot en stabiel aantal. NT: Gevoelige soorten die bijna in aanmerking komen voor een bedreigde categorie. VU: Kwetsbaar. Soorten die een hoog risico lopen op uitsterven in het wild. EN: Bedreigd. Soorten met een zeer groot risico op uitsterven in de nabije toekomst. CR: Ernstiger bedreigd, Kritiek. Soorten die extreem hoog risico lopen op uitsterven. EX: Uitgestorven. Er zijn geen levende exemplaren meer op het Europese continent.

Uit de beoordeling blijkt dat de meeste soorten momenteel geklasseerd worden als Least Concern (Niet bedreigd). Bijna 11% van de Europese soorten is bedreigd. Voor veel soorten ontbreekt nog voldoende informatie.

De voornaamste bedreigingen zijn de klassiekers zoals habitatverandering en -degradatie, de klimaatverandering en extreem weer zoals de hitte en droogte van deze zomer, en de druk op populaties die verband houdt met landbouw en aquacultuur. Stedelijke ontwikkeling en vervuiling hebben ook een grote invloed, met een belangrijke rol voor lichtvervuiling, die steeds meer wordt erkend als een bedreiging voor nachtelijke bestuivers.

Het rapport geeft veel achtergrondinformatie over nachtvlinders en is gratis te downloaden.

Referenties

  1. European Commission: Directorate-General for Environment, Niamh, P., Jurriën, V. D., David, A., Vittorio, B. et al., European red list of moths – Status assessment of European moths, Publications Office of the European Union, 2026, https://data.europa.eu/doi/10.2779/6590787 ↩
Sluit de natuur niet op!

Sluit de natuur niet op!

Allicht zag je ondertussen ook al wel een opvallend bord van opgesloten dieren. Daarmee roept Natuurpunt minister van Landbouw en Omgeving Jo Brouns op om natuur opnieuw meer ruimte te geven in plaats van deze in te perken. Momenteel investeert de Vlaamse regering onvoldoende in natuurherstel, wil ze beschermingsregels afzwakken en de ruimte voor natuur beperken. Zo wordt meer natuur onmogelijk en dreigen ook de natuurgebieden in Natuurpunt Vlaamse Ardennen plus opgesloten te raken.

Uit onderzoek blijkt nochtans dat 8 op de 10 Vlamingen meer natuur wil. Ze zorgt voor rust, verkoeling, zuivere lucht, proper water en bescherming tegen droogte en overstromingen. We staan op een kantelpunt: kiezen we voor natuurgroei of belanden we in een natuurstop? Natuurpunt vraagt de minister om het beleid op drie punten bij te sturen.

Natuur heeft ruimte nodig

De beste gronden voor natuur liggen vaak langs rivieren en in valleien. Dat zijn plekken die voor landbouw minder geschikt zijn. Nieuwe regels over het recht van voorkoop maken het echter moeilijk om die gronden voor natuur te gebruiken. Zo wordt het herstel van de natuur afgeremd, terwijl jonge boeren amper voordeel ondervinden van de maatregelen.

Natuur heeft middelen nodig

Natuurherstel kost geld, maar niets doen kost op termijn veel meer. Als Vlaanderen vandaag sterk investeert in natuur, voorkomen we later (meer) schade door droogte, hitte en overstromingen en besparen we op gezondheidskosten. Geld voor natuur is met andere woorden geen pure kost, maar een verstandige investering in onze veiligheid en levenskwaliteit. Maar de beschikbare middelen die de overheid voorziet, zijn te beperkt en worden niet voldoende ingezet.

Natuur heeft bescherming nodig

Vlaanderen heeft weinig natuur, net daarom zijn sterke Europese regels belangrijk om de bestaande natuur te beschermen. De landen van de Europese Unie moeten tegen 2030 dertig procent van de kwetsbare natuur herstellen. Terwijl andere landen daar werk van maken, wil Vlaanderen die regels verzwakken en minder doen. En dat terwijl Vlaanderen al het laagste aandeel natuur heeft in Europa en kampt met een slechte milieukwaliteit. De regels zijn niet het probleem, wel dat we ze niet volgen.

Vlindernieuws

Vlindernieuws

2026 was in het algemeen geen topjaar voor de vlinders. Er werden wel veel koninginnenpages gezien en er doken ook kleine parelmoervlinders bij ons op, maar vooral de kleine weerschijnvlinder was dit jaar een opgemerkte verschijning. Bovendien vloog er door de warme zomer in augustus nog een tweede generatie, wat uitzonderlijk is.

De bovenkant van de vleugels bij deze vlinders is zwart met een mooie, blauwpaarse glans; bij het vrouwtje ontbreekt die glans. Er bestaat ook een oranje vorm (vorm clytie). Op de bovenkant van de voorvleugel bevindt zich een zwarte oogvlek met een oranje rand. De glans van de vleugels wordt niet veroorzaakt door pigment, maar door speciale schubben die het invallende zonlicht breken.

Vroeger moest je om deze soort te zien vooral naar de bossen van de Ardennen, maar door de opwarming schuift de soort sinds een paar jaar op naar het noorden.

Weerschijnvlinders zijn in principe soorten van open bossen en omdat ze vaak hoog rond de boomkruinen vliegen, zijn ze niet altijd gemakkelijk te zien. Bovendien bezoeken ze geen bloemen; op bospaden tref je ze vaak met verschillende tegelijk aan op de uitwerpselen van zoogdieren of zelfs op dode dieren, waaruit ze zouten en mineralen halen. Ze foerageren ook op sap van bomen of op honingdauw. De rupsen leven op ratelpopulier, wilgen en zwarte populier.

Kleine weerschijn
Kleine weerschijn

Een andere opvallende soort die veel gezien werd, is de Spaanse vlag, een dag-actieve nachtvlinder die vaak op koninginnenkruid te zien is. De soort is sinds 2017 in opmars.

Dagpauwogen, normaal een gewone soort in de tuin, waren minder te zien. Na de overwintering waren er al minder dagpauwogen dan normaal en ook de nakomelingen die in de zomer vlogen waren duidelijk in lagere aantallen aanwezig. Het is onzeker hoe de laatste generatie zich zal ontwikkelen. Het is namelijk de vraag of de rupsen van de zomergeneratie in de hete en droge juli- en augustusmaanden wel voldoende voedsel vonden op de uitdrogende brandnetels. De kleine vos, waarvan de rupsen ook op brandnetel leven, doet het al jaren slecht. Ook daar is het gissen naar de oorzaak, want aan netels eigenlijk geen gebrek.

Een te droog najaar, of te vroege herfst, kan de derde generatie van een vlindersoort ernstige schade toebrengen, zeker bij soorten die normaal maar twee generaties hebben. Er zijn wetenschappers zoals Hans Van Dyck die dan spreken van een generatie die verloren gaat, een suicidal generation. Sommigen wijten bijvoorbeeld de achteruitgang van de argusvlinder daaraan. Anderzijds doet deze soort in nog intactere landschappen zoals de Argonne het wel nog goed.

Om trends te zien, is het belangrijk om gericht waar te nemen en dit door te geven. Als een vaste, gestandaardiseerde vlindertelronde net een stap te veel is, dan is het doorgeven van de ‘banale’ soorten in de tuin ook al bijzonder nuttig. Het toont soms de eerste signalen als bijvoorbeeld in de tuin bijna alleen trekkers als atalanta en distelvlinder te zien zijn, maar andere soorten ontbreken. Het toont ook de komst van nieuwe, zuiderse soorten, waardoor het Natuurpuntbericht van 19-09-2025 de titel ‘Waarom we Gent stilaan la Petite Provence noemen’ meekreeg. Het ging daarbij om nieuwkomers bij de nachtvlinders, zoals de bruine prachtuil.

Hoewel we vlinders met zon en warmte associëren, geldt ook voor hen: ‘trop is teveel’. Bij te hoge temperaturen moeten ze de schaduw opzoeken. Gezien het steppe-achtige karakter van de graslanden in grote delen van Europa zal voedsel een beperkende factor zijn, en dat in de toekomst meer en meer worden. Bij te hoge temperaturen produceren bloemen bovendien minder nectar.

Bijzondere waarnemingen Vlaamse Ardennen: zomer 2026

Bijzondere waarnemingen Vlaamse Ardennen: zomer 2026

De zomermaanden juni, juli en augustus brachten in de Vlaamse Ardennen opnieuw een boeiend palet aan vogelwaarnemingen. Van lokale broedsuccessen tot opvallende doortrekkers: het seizoen leverde zowel verwachte als verrassende soorten op.

Begin juni werd een koppeltje geoorde fuut op de Callemoeie gezien, om daarna te verdwijnen. Op de Weiput in Zingem zat in augustus een zomertaling.

Zwarte ooievaars werden in juni over Grotenberge (2 ex.), Kaaihoeve (2 ex.) en Nazareth (1 ex.) gezien; in juli vloog er eentje over Asper. In augustus vielen de waarnemingen van de soort opvallend stil. Een lepelaar rustte uit aan de Callemoeie; er vlogen er vijf over Deinze. Aan de Donkvijver stalen woudaapjes de show: vermoedelijk twee koppels, met in juli de eerste juvenielen (3). Kleine zilverreigers werden gezien aan de Kaaihoeve, in Dikkelvenne en aan de Donk. Een purperreiger werd in juli aan de Donk waargenomen. In Kruishoutem werd in juni een kwak gezien; in juli eentje aan de oude Leiearm in Grammene; in augustus eentje aan de oude Leie aan Noorderwal. Twee koereigers doken in juli even op aan de Callemoeie en in augustus werden vijf exemplaren in Kruishoutem gezien.

Op 10 juni werden enkele vale gieren boven Merelbeke opgemerkt. Ze konden ook vanuit Roborst gezien worden. Wespendieven waren vrij actief en werden zowat overal gezien. Haviken werden eveneens over de hele periode gezien, met in augustus zwervende juvenielen. Rode wouwen werden in juni drie keer waargenomen en in augustus één keer over Strijpen. Een zwarte wouw werd in juni gezien. Een opvallende waarneming van een blauwe kiekendief kwam in juni uit Lozere en in juli werd een vrouwtje in Dikkelvenne waargenomen. Bruine kiekendieven begonnen in augustus aan hun trek. Een visarend werd eind juli aan de sluis in Kluisbergen gezien; in augustus werden zeven waarnemingen genoteerd. De eyecatcher was een zeearend boven Eke in augustus (Kay P.), reeds de vijfde van dit jaar voor de regio.

Bij de steltlopers viel in augustus een goudplevier op, die over Franskouter vloog. Boven Mater vloog een morinelplevier (Ludo VDL). Ook andere steltlopers zoals wulp, groenpootruiter, zwarte ruiter, bosruiter en tureluur deden de regio aan. De eyecatcher was een fotogenieke juveniele kleine strandloper die een dagje aan de grond kwam aan de Soeverein in Petegem-Leie (Jurgen D.).

Visdiefjes deden het goed met minstens vier geslaagde broedsels. In Eke vloog in juni een zwartkopmeeuw over. Pontische meeuwen begonnen in juli al aan hun najaarstrek; het vaste koppeltje rond de sluis in Oudenaarde bleef ook in augustus aanwezig.

Kwartel
Kwartel

Uilen waren goed vertegenwoordigd: ransuilen hadden in juni al grotere jongen (op een twaalftal plaatsen gehoord); ook de oehoe kwam in juni op het lijstje. Van kerk- en steenuil werd gemeld dat er dankzij een goed muizenjaar grote nesten zijn. Draaihalzen werden in augustus op doortrek waargenomen: een tuinwaarneming in Maarke-Kerkem (Jonas) en twee ringvangsten (1 en 2 ex.) in Wortegem en Welden. Kleine bonte spechten werden in juli op twee locaties gezien/gehoord en lieten zich in augustus vijf keer opmerken. Middelste bonte spechten werden in juli op zeven locaties gezien en in augustus werden er 2 ex. gezien in Nokere. Een hop, die sinds eind april in Nokere aanwezig was, liet zich nog opmerken tot eind juni, maar verdween dan. Wellicht vond de vogel geen partner (Lieven K.).

Voor kwartel was het een van de betere jaren van de afgelopen 15 jaar: 54 waarnemingen in juni, verdere meldingen in juli, maar in augustus bleef het met amper drie waarnemingen opmerkelijk stil.

Het aantal waarnemingen van wielewaal bleef laag: amper vier in juni. Eind augustus werd nog een roepende vogel gehoord in het Sint-Pietersbos te Ronse. In totaal slechts 25 waarnemingen dit jaar, het laagste aantal deze eeuw. Orpheusspotvogels werden in juni in Ronse (Lieven VG), Ename (Davy D) en Welden (Björn D) gezien of gehoord. Snorren zongen in juni in de Langemeersen en nog steeds in Kruishoutem (sinds het voorjaar). Grote lijsters werden in juni in Nokere en Mater gezien, en in juli in Bachte-Maria-Leerne. Grauwe vliegenvangers werden over de hele periode waargenomen, met maximaal 14 waarnemingen in augustus. Een bonte vliegenvanger werd in augustus in Astene gezien. Gekraagde roodstaarten werden in juni in Strijpen en in juli in Ename gezien. In augustus werden er nog enkele opgemerkt die reeds op doortrek waren. Ringmussen waren in juni nog steeds aanwezig in Machelen, werden in juli op vier locaties gezien en één exemplaar werd in augustus in Zingem waargenomen. In Everbeek werden in juni tot tien appelvinken gezien, waaronder een geslaagd broedsel; de familie bleef de hele zomer aanwezig. Er werd er ook eentje in Kruishoutem gezien. In augustus werden appelvinken in het Kluisbos en Everbeek gezien. Over Strijpen vlogen in juni zeven kruisbekken; in juli vlogen er twee over Welden.

Raven werden deze zomer gezien rond het Brakelbos, Muziekbos, Kluisbos en Hotondbos.

In juli zong in Petegem-Schelde een Europese kanarie (Theo H.). Geelgorzen werden in juli op acht locaties gezien/gehoord. Er was ook doortrek in augustus van fitis, sprinkhaanzanger, spotvogel, nachtegaal, gekraagde roodstaart … sommige soorten werden via ringvangst gemeld. Paapjes, tapuiten en roodborsttapuiten trokken goed door, vooral tegen het einde van de periode.

De achtste waarneming van bijeneter voor de regio dit jaar kwam in juni uit Elst (David B). Ondanks de verdere opmars van graszanger in Vlaanderen en vele waarnemingen vorig jaar, doen we het dit jaar voorlopig met één waarneming: Jacques VH had er eentje in Asper. Tot slot: Hilbran V. had over Franskouter een duinpieper in augustus en in Wortegem werd een ortolaan geringd.