Cursus Natuurverkenner in de Vlaamse Ardennen

Natuurverkenner in de Vlaamse Ardennen is een interactieve en wervelende instapcursus voor natuurliefhebbers. Gedurende vijf dagen laten de lokale gidsen al hun enthousiasme op je los. Je trekt eropuit. In en tussen de natuur.

Via vijf verschillende thema’s maak je kennis met de hotspots in de Vlaamse Ardennen en wat ze betekenen voor de plaatselijke natuur. Je beleeft de natuur in zijn rijke verscheidenheid aan aspecten en je komt in contact met de enorme diversiteit aan natuurgebieden in de Vlaamse Ardennen.

Laat deze boeiende kennismaking niet aan je neus voorbijgaan en nodig geïnteresseerde buren, vrienden en familie ook uit!

Praktische informatie, het volledige programma en inschrijvingen

Vervolgcursus Insecten

Insecten zijn de olie die onze natuur gesmeerd doet lopen. Ieder plekje op aarde hebben ze weten te veroveren en dat heeft geleid tot een onmetelijke diversiteit van kleuren, vormen en levensstrategieën.

Deze cursus is een vervolg op de insectencursus van 2025 in het Bezoekerscentrum Boembekemolen. Deze keer gaat de cursus door in het Faunahuis. Het Faunahuis en het omliggende natuurgebied zijn een inspirerende plek op het gebied van faunavoorzieningen in en rond de woning. Het is een ruimte voor experiment en onderzoek, voor creatieve en innovatieve ideeën rond de samenleving van mens en dier. Lesgever Joeri Cortens verzorgt deze vervolgcursus en gaat dieper in op het insectenleven dat zich in een onvoorspelbare rijkdom ontplooit.

Praktische informatie, het volledige programma en inschrijvingen

Hommels helpen in de tuin

Hommels helpen in de tuin

Uit de recent verschenen Rode Lijst blijkt dat iets meer dan de helft van de bijensoorten op ons grondgebied verdwenen is of min of meer bedreigd is. Uit dit rapport blijkt ook dat hommels van alle wilde bijen er het slechtst aan toe zijn. Van de 31 soorten die begin 20ste eeuw in België rondvlogen, zijn er nu nog maar 10 soorten die niet bedreigd of kwetsbaar zijn. Onze bekendste wilde bijen zitten dus serieus in de problemen. Gelukkig beginnen meer en meer tuiniers te beseffen dat zij ook een bijdrage kunnen leveren. De eigen tuin móét hommelvriendelijker worden. Maar hoe begin je hier aan? De eerste vereiste daarbij is alvast om geen pesticiden te gebruiken!

Vroege vogels

Hun dikke beharing maakt dat hommels zich goed hebben aangepast aan koelere temperaturen in het voorjaar, waardoor ze al vroeg in het jaar uit winterslaap komen.

In februari en maart zijn het de koninginnen zelf die op zoek gaan naar voedsel om hiermee de eerste werksters groot te brengen. Een goede start is het halve werk en dat is ook zo voor hommels. Hoe makkelijker en efficiënter dit kan gebeuren, hoe beter dit is voor het succes van het nest.

Een echte magneet voor hommels én bijen vroeg in het voorjaar is eigenlijk winterheide, al lang niet meer in de mode, maar je kan die nog hier en daar terugvinden in voortuinen. Tegenwoordig zijn bloembollen meer in en ze zijn een mooie aanvulling voor tuinen. En ze zullen zeker bezocht worden door hommels, maar echte trekpleisters zijn het niet. Je verliest er echter geen plaats mee in je border en gazon, dus je kunt ze zeker gebruiken, en dan bij voorkeur de biologische bloembollen. Vooral krokus en blauwe druifjes zijn erg in trek bij hommels. 

Bomen en struiken

De echte toppers in het voorjaar zijn bloeiende bomen en struiken. Door verschillende soorten te combineren, kan je voor een lange periode voedsel voorzien voor hommels. Typische voorjaarsbloeiers zijn de verschillende soorten fruitbomen, sleedoorn, meidoorn en gele kornoelje. 

Ook wilgen en veldesdoorn, zijn heel interessant. Wilgen zijn bijzonder belangrijk voor heel wat bijen, niet alleen voor hommels. Belangrijk om te weten is dat wilgen tweehuizig zijn: mannelijke wilgen produceren stuifmeel en vrouwelijke wilgen nectar. Aangezien hommels vooral stuifmeel nodig hebben om hun nageslacht groot te brengen, zijn mannelijke wilgen het belangrijkste. 

Ook voor kleine tuinen zijn er zeker mogelijkheden, want veel van onze inheemse struiken kunnen goed tegen (drastisch) snoeien of blijven relatief klein. Bij fruitbomen zijn er dan weer mogelijkheden om te kiezen tussen struikvormen of halfstambomen die kleiner blijven. Ook behoren leivormen tot de mogelijkheden; die kan je bijvoorbeeld tegen een kale muur planten.

Bloemrijke, schaduwrijke plekjes

De schaduwrijke plekjes onderaan de struiken en bomen mag je zeker niet zien als verloren ruimte. Heel wat voorjaarsbloemen gedijen juist op deze plekken en kunnen voor extra bloei en voeding zorgen. Eén van de vroegste bloeiers van het jaar is de sleutelbloem, waarvan de stengelloze sleutelbloem al bloeit vanaf februari. Deze valt mooi te combineren met andere leuke schaduwplanten zoals ongevlekt (of gevlekt) longkruid, look-zonder-look en bosandoorn, waardoor je een opeenvolging krijgt van bloeiperiodes.

Tuiniers die niet zo’n probleem hebben met iets dominantere planten kunnen kiezen om eventueel gele dovenetel of kruipend zenegroen aan te planten. Beide zijn bodembedekkende planten die moeilijker te combineren zijn met andere planten, maar wel in trek zijn bij hommels en andere bijen. Kruipend zenegroen kan ook gebruikt worden als bodembedekker op zonnige plekken in de tuin, maar gedijt het best op licht vochtige bodems.

Maak van je gazon een buffet

Naarmate de lente vordert en er minder bloesems zijn, worden kruiden steeds belangrijker voor hommels. In april en mei zijn er al heel wat werksters actief en groeien de nesten stilaan naar hun piek toe. De vraag naar voedsel is dan ook heel groot. Gazons hebben het potentieel om aan een groot deel van die vraag te voldoen als we bewust minder maaien. Vanaf april komen overal de paardenbloemen in bloei en die zijn voor heel wat wilde bijen een zeer belangrijke bron van voedsel, dus ook voor hommels. De paardenbloemen niet maaien is dus de boodschap.

Na de paardenbloem verschijnt er nog een andere belangrijke bloem voor hommels in je gazon, namelijk witte klaver. Ook weer zo’n plantje dat je best koestert, zeker omdat het beter tegen hitte bestand is en je gazon zo langer groen blijft in een droge, hete zomer.

Hommels in de siertuin

Sierborders zijn vaak ontworpen om vanaf de zomer te schitteren, wanneer mensen regelmatiger in de tuin vertoeven. Omdat hommels vooral vliegen tussen maart en juli, is het echter belangrijk dat borders niet enkel in de zomer bloeien.

Plant dus zeker ook een aantal sierplanten die bloeien vanaf mei en combineer die met later bloeiende varianten. Zo kan je bijvoorbeeld bossalie ‘Mainacht’ combineren met ‘caradonna’. De cultivar Mainacht heeft een uitbundige bloei in mei met daarna wat herbloei; Caradonna is dan weer een echte zomerbloemer. Voor hommels is een plant zoals kattenkruid ook heel interessant: cultivars zoals ‘Junior walker’ en ‘Dropmore’ hebben een heel lange bloeiperiode. Ook lavendel is een klassieke hommelmagneet. Door daarnaast ook sieruien (Allium) – die bloeien in mei en juni – toe te voegen aan je borders, zorg je ook voor extra bloei tijdens deze cruciale maanden voor hommels.

Paradijs in de moestuin

De intensivering van de landbouw is allicht de grootste oorzaak van de achteruitgang van de hommels. Vóór de komst van kunstmest was het gebruik van groenbemesters zoals klavers alomtegenwoordig. Door rotatieteelt werden er elk jaar wel verschillende velden ingezaaid met groenbemesters om de bodemvruchtbaarheid te vergroten. Rode klaver was één van die groenbemesters en van groot belang voor heel wat hommels, waaronder verschillende zeldzame soorten. Het opnieuw hanteren van rotatieteelt samen met het gebruik van groenbemesters zou hommels een echte boost geven. Dus zaai elk jaar zeker één stuk van je moestuin in met rode klaver, inkarnaatklaver of luzerne. 

Verder zijn de meeste (mediterrane) kruiden ook leuk voor hommels, leg dus zeker een kruidentuintje aan in de moestuin of bij je terras. Voorbeelden zijn hyssop, tijm, bieslook, rozemarijn en wilde marjolein. 

Door aan de slag te gaan met deze tips maak je van je tuin een hommelparadijs. Maar ook de andere wilde bijen zullen naar je tuin komen, alsook een hoop vlinders natuurlijk. En voor je het goed beseft, heb je een tuin vol leven.

Op 6 en 7 juni vindt in Vlaanderen het hommelweekend plaats. Ook bij ons zijn er verschillende activiteiten, zie daarvoor de kalender.

Op https://www.natuurpunt.be/werkgroepen/aculea-0/hommelweekend kan je een zoekkaart voor de meest voorkomende soorten downloaden.

Meer soorten vind je via de zoekkaart https://kenniscentruminsecten.nl/wp-content/uploads/2024/11/Zoekkaart_hommels.pdf

Een ommetje in de Scheldemeersen

Een ommetje in de Scheldemeersen

Een zonnige woensdagochtend, een droge dag, meer dan welkom na het verkillende, natte weer van de dagen voordien. Na te veel dagen vooral binnen zitten, heeft mijn hoofd dringend nood aan buitenlucht, mijn lichaam aan beweging. Ik kies voor een wandeling in de Scheldemeersen tussen Eke Sluis en Zevergem; de steile flanken van de Hotond en de Muziekberg zijn immers te glibberig door de regen van gisteren. En eergisteren.

Op de parking tegenover Veevoeders Franchon is altijd plaats. Honderd meter verder is het Waterratstraatje, maar terwijl ik die richting uit ga, hoor ik vanaf de overkant van de rivier de eerste grote lijster van het jaar. De Kriephoek is zijn territorium.

In het drassige weiland langs de Waterratstraat grazen een tiental rietganzen. Een grote zilverreiger staat lui te zonnen. Even verderop zie ik er nog een. Wat op het eerste gezicht op een groot stuk plastiek in een gracht leek, komt in beweging. Het is een ooievaar. Een blauwe reiger houdt de omgeving in de gaten. In de ruigte achter de prikkeldraad zitten nog drie soortgenoten van hem, half verborgen. In het weiland daarachter jagen twee loslopende honden een stel zilvermeeuwen de lucht in. Mijn mederecreanten fietsen elektrisch aan dit alles voorbij.

De wereld lijkt weer even zoals hij altijd zou moeten zijn. Er is nog hoop. Blauwe reigers waren zeldzaam toen ik klein was. Grote zilverreigers bestonden enkel in mijn fantasie en in mijn vogelgids. Om ooievaars te zien, moest je naar het Zwin. Daar werden ze gekweekt en daar zaten de reigers te suffen in grote kooien. Nu lopen ze hier zomaar vrij te zijn, dicht bij huis, in een halfnatuurlijk stukje in het werkingsgebied van de afdeling Natuurpunt Bovenschelde.

Twee straatjes verder, in de Koedreef, kom ik bij een modderpad dat parallel loopt met de Schelde. Aan het begin daarvan staat een verkeersbord: verboden toegang voor auto’s en paarden. Nazarethse humor, vermoed ik. Zelfs de grootste gek met een 4×4 zou zich hier niet in wagen. Links zit een grote groep bergeenden in het obligate gezelschap van een stel nijlganzen. Ook die waren er niet toen ik klein was. Ze worden nog steeds beschouwd als vreemde eenden in de bijt, al gaat het intussen reeds om dertigste generatie nazaten. Ik hoor een ‘vliegende kat’. Hij zet zich eventjes neer op een boomtak, naast een andere buizerd, om een seconde later reeds zijn glijvlucht te vervolgen. Een prille romance vermoed ik. In de weilanden rechts van me, dichter bij de Schelde, zit een enorme groep ganzen. Met de verrekijker kan ik er nog niets met zekerheid van maken; daarvoor is de afstand te groot, vooral bij tegenlicht, maar ik vermoed dat het kolganzen zijn.

In de verte zie ik een tot ooievaarsnestpaal gereduceerde boom. Er bevindt zich geen nest op, maar wat niet is, kan nog komen. Wat verder ontwaar ik een tweede boomstam waarvan de kruin is geamputeerd. Ook daarop ligt een rond platform vruchteloos te wachten op een op stelten lopende bewoner. Het doet me denken aan een oude vrijgezel die vruchteloos wacht op de liefde van zijn leven. Een torenvalk gebruikt hem voorlopig als uitkijkpost. Wellicht is hij te uitgeput om al vliegend te jagen na al die ellendig natte dagen.

Een vrouw met een loslopende hond bekijkt me enigszins argwanend, zoals ik daar met mijn verrekijker in de aanslag sta. Misschien ben ik wel een potloodventer die zich als vogelaar heeft vermomd. Ook dat is vaste prik bij een wandeling in relatief eenzaam gebied. Of heeft ze schrik dat ik een boswachter ben die haar zal berispen om haar loslopende hond?

Het onverharde gedeelte van Vaerebeke voert me voorbij een bord dat het begin van het beschermd landschap aankondigt. ‘Beschermd door wie en waartegen?’ vraag ik me af, want wie kan deze Scheldemeersen vrijwaren voor de volgende hittegolf en de bijbehorende periodes van extreme droogte?

Links liggen private visvijvers en rechts de weilanden met de winterganzen. Honderden kolganzen zitten er in gezelschap van grauwe ganzen, nijlganzen en bergeenden. Ik waan me even in de Damse polders. In de grote vijver aan de andere kant van het pad klinkt het kabaal van een troep Canadese ganzen. Ook zij zijn voor velen niet welkom, al zijn ze hier geboren en voelen ze zich hier thuis. Ze delen vredig het water met wilde eenden, slobeenden, krakeenden en een eenzame wintertaling. Even verderop dobberen enkele tientallen meerkoeten. En er zit zowaar een ooievaar op nog zo’n boompaal. Het nest onder zijn lange poten ziet er nog jong uit. Private visvijvers zijn toch ergens goed voor.

Gealarmeerd door een overvliegende blauwe reiger verspillen de kolganzen hun kostbare energie door massaal op de vlucht te slaan. Het zou maar eens een zeearend wezen. Beter honderd keer onnodig de lucht ingaan dan éénmaal blijven zitten op het verkeerde moment.

Een smal paadje zonder naam brengt me terug naar de Schelde. Terwijl ik achtereenvolgens een blauwe reiger in het vizier neem en terugstaar naar een nijlgans die het boze oog op me heeft gericht, is daar terug de dame met de loslopende hond. Ze heeft hetzelfde rondje gemaakt als ik, maar dan in tegenwijzerzin. Ze maant haar hond aan om te zitten en doet hem een leiband om. Als ik hen passeer, wil hij nieuwsgierig naar me toe springen. ‘Nee, dat zal je niet doen!’ snerpt haar stem terwijl ze hem terugtrekt. ‘Foei!’ voegt ze er kleuterjufgewijs aan toe. Ik denk aan hoe mijn jongste zoon zijn speelse hond aanpakt in een dergelijke situatie. Hij laat haar zitten, hurkt naast haar neer en houdt haar halsband vast. Terwijl hij haar flanken streelt, zegt hij zachtjes: ‘blijf’. En dat doet ze. Loslopen in de Scheldemeersen is geen deel van haar opvoeding.

De fietssnelweg langs de rivier is recent van een nieuwe asfaltlaag voorzien. Ik ga opzij voor een bende luidruchtige wielerterroristen die nooit plaats genoeg hebben. Ik betrap een sperwer die me zit aan te gluren vanop een hoge tak in een kale es. Van zodra ik terug gluur, vliegt hij ervandoor. De zon verspreidt de warmte van een lentedag, al is het nog midden in de winter.

Ik ben terug bij mijn beginpunt. Er zitten geen ganzen meer naast het Waterratstraatje en ook de ooievaar en de reigers zijn verdwenen. Enkel een koppeltje bergeenden houdt nog stand. Aan de overkant zingt nog steeds de grote lijster. De Kriephoek is zijn domein. Geen soortgenoot die hem tegenspreekt.

Krakeend © Rik Desmet
Buizerd © Rik Desmet
Grote Zilverreiger © Rik Desmet
Biodiversiteitsportaal:een schat aan informatie!

Biodiversiteitsportaal:een schat aan informatie!

Op 10 februari ging het Vlaams Biodiversiteitsportaal (VBP) online. Dit nieuwe platform werd ontwikkeld door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en ontsluit in één klap meer dan 30 miljoen waarnemingen uit meer dan 300 datasets.

Het biedt beleidsmakers en onderzoekers een gecentraliseerde tool voor analyses, monitoring van natuurdoelen en de bescherming van kwetsbare soorten. De kern van de data bestaat uit soortwaarnemingen afkomstig uit gestandaardiseerde meetnetten, onderzoeksprojecten en citizen-­science-initiatieven. Ook historische data zijn verwerkt.

Het portaal richt zich in de eerste plaats op gegevens uit Vlaanderen, waardoor het een zo volledig mogelijk beeld geeft van de biodiversiteit in onze regio. Daarnaast worden ook andere relevante waarnemingen meegenomen wanneer ze bijdragen aan het begrijpen van Vlaamse soorten en ecosystemen.

Op de site kan je bijvoorbeeld zoeken naar een soort en je krijgt dan een uitgebreide beschrijving en een kaart met de waarnemingen. Bij vogels horen daar ook de geluiden bij. Te raadplegen op https://natuurdata.inbo.be, goed voor een paar uurtjes snuisteren!

Familiale staartmezen

Familiale staartmezen

Het leven van de koolmees is de laatste decennia door verschillende wetenschappers al tot in het kleinste detail onderzocht, maar ook staartmezen ontsnappen niet aan de inbreuk op hun privacy.

In de winter leven de gezellig kwetterende staartmezen in groepjes van 10 à 20 dieren. De groepen bestaan meestal uit jonge en volwassen dieren van beide geslachten die al dan niet met elkaar verwant zijn. Familieleden kunnen elkaar aan de roep herkennen, maar mogelijk spelen nog andere factoren mee. De samenstelling is veranderlijk, waarbij vogels van groep wisselen en er af toe groepen versmelten. Om energie te besparen overnachten ze dicht bijeen. Toch verliezen ze daarbij gemiddeld in de nacht 9% lichaamsgewicht. Degene aan de buitenkant – meestal dezelfde vogels – zijn de pineut en verliezen meer gewicht. Eigenaardig genoeg is het verlies het grootst bij een temperatuur van 4 °C. Bij lagere temperaturen slagen ze er blijkbaar in om gewichtsverlies te beperken, mogelijk omdat hun lichaamstemperatuur zakt.

In februari-maart vallen deze groepen uiteen en zoeken paartjes een plaats om te broeden. Vooral mannetjes blijven daarbij dicht bij de plaats waar ze geboren zijn. Als ze zich toch verder weg vestigen, doen ze dat samen met hun zussen en broers, waardoor ze hun familiebanden behouden terwijl ze verhuizen.

Het bouwen van het nest, het leggen van de 9 tot 11 eieren, het uitbroeden en voederen van de jongen, neemt heel wat tijd in beslag. Het kunstige, koepelvormige nest is gebouwd van mos dat met spinnenzijde aan elkaar is gebonden, bedekt met duizenden stukjes korstmos en binnenin bekleed met veren. In de tuin is een paartje ondertussen al meer dan twee weken aan het werk, en het nest is nog niet af.

Tot 70% van de nesten wordt echter gepredeerd en dan rest er hoogstens tijd voor één vervanglegsel. Grote legsels zijn trouwens typisch voor soorten die onder een hoge predatiedruk leven. Vanaf begin mei is het echter te laat om nog opnieuw te beginnen. Van de vogels die er niet in geslaagd zijn om te broeden, verhuist ongeveer één vierde – overwegend mannetjes – naar een ander nest om een paar dat meer geluk had te helpen bij het grootbrengen van hun nakomelingen. Ongeveer de helft van alle broedsels heeft helpers, meestal slechts één of twee, maar soms wel acht. Het extra voedsel dat de helpers verstrekken, vergroot de overlevingskansen van de jongen. Helpers kiezen meestal het nest van familieleden, waardoor het aantal vogels dat hun genen draagt in de volgende generatie toeneemt.

Deze tekst is gebaseerd op:

  • MORINAY J., WOODWARD B.K., RUSSELL A.F., SHARP S.P. & HATCHWELL B.J. (2025) – Ecological and demographic drivers of kin-directed cooperation in a social bird: Insights from a long-term study – J Anim Ecol.: 94:485–500, DOI: 10.1111/1365-2656.14237
  • HATCHWELL B.J., SHARP S.P., SIMEONI M. & MCGOWAN A. (2009) – Factors influencing overnight loss of body mass in the communal roosts of a social bird – Functional Ecology 23: 367–372, doi: 10.1111/j.1365-2435.2008.01511.x
Staartmees © Gould, 1873
Staartmees © Gould, 1873
Bijzondere vogelwaarnemingen winter 2025-2026

Bijzondere vogelwaarnemingen winter 2025-2026

In december was er weinig vorst, waardoor het aantal wintergasten relatief beperkt bleef, terwijl in januari en februari stilaan meer typische wintergasten en vroege doortrekkers opdoken. Een occasioneel sneeuwtapijt zorgde voor wat meer dynamiek.

Over de hele winter werden kolganzen gezien, voornamelijk in de Scheldevallei, met een duidelijke piek in februari, waar rond Semmerzake meer dan 600 exemplaren werden geteld. Hier en daar werden enkele toendrarietganzen gezien.

In de Brielmeersen te Deinze overwinterden opnieuw enkele ooievaars; in februari waren daar al 7 nesten bezet. Grote zilverreigers werden de hele winter verspreid waargenomen, met de grootste concentratie rond Zingem: maximaal 12 ex. Kleine zilverreiger kwam 11 keer in de boekjes terecht, terwijl koereiger 5 maal gemeld werd, met o.a. een groepje van drie in Kwaremont.

Roerdomp, een soort die de laatste jaren moeilijk waar te nemen is in VA+, liet zich nu op 4 locaties zien. Vooral in de Langemeersen was een exemplaar vaak te zien.

In januari vond Nico G. een roodhalsfuut op de Callemoeie, waar in dezelfde maand ook al brilduiker en nonnetje werden gevonden, meteen de eerste topsoort van het nieuwe jaar.

Op de Donkvijver werd een koppel grote zaagbek ontdekt.

Bij de steltlopers zorgde een korte afkoelingsperiode eind december voor wat beweging, met kemphanen in Roborst, aan de Callemoeie en in de Langemeersen. Bokjes werden op vijf locaties gezien, terwijl van houtsnip 75 waarnemingen binnenkwamen, met maxima van 7 exemplaren in Bos t’Ename en 6 in Zingem. Goudplevieren werden onder meer gezien met een groep van 44 over Roborst en met 30 exemplaren over Maarkedal. In februari kwam bij de steltjes duidelijk al de voorjaarstrek op gang. De eerste scholeksters en grutto’s verschenen, naast waarnemingen van goudplevier, witgatje, tureluur, wulp en kemphaan. Twee bonte strandlopers verbleven kort in Ouwegem. Op dezelfde locatie werden ook een groenpootruiter en een bontbekplevier gezien, de eerste februariwaarnemingen van deze soorten voor VA+.

De meeuwenslaapplaats aan de Callemoeie werd opnieuw intensief gevolgd door Nico G en Björn D. De wintermaxima bedroegen 8500 kokmeeuwen, 3900 stormmeeuwen, 660 zilvermeeuwen, 30 kleine mantelmeeuwen, 8 zwartkopmeeuwen, 9 Pontische meeuwen, 2 geelpootmeeuwen en 1 dwergmeeuw. In Ouwegem werden nog 2 grote mantelmeeuwen gezien.

Van de kraanvogeltrek konden in februari ook in VA+ enkele waarnemingen genoteerd worden, met in totaal vijf meldingen van doortrekkende groepen.

Havik kwam deze winter 11 maal in de boekjes. Het aantal blauwe kiekendieven bleef in december relatief laag, met maximaal twee exemplaren op de slaapplaats, maar in januari en februari werden er telkens 8 op deze slaapplaats geteld. Bruine kiekendief werd in januari in Nederename gezien. Rode wouw werd in elke wintermaand meerdere keren gezien. Smelleken werd in januari in Gottem en in februari in Zulzeke gezien. Slechtvalken namen opnieuw territoria in in Zottegem, Ronse en Oudenaarde, met waarnemingen in januari en februari.

De uitschieter bij de roofvogels was een overvliegende grijze wouw eind februari in Opbrakel door Steven DB; het is wachten op een pleisterend individu.

Oehoes lieten zich in alle drie de wintermaanden op verschillende locaties horen en soms zien. In december werd ransuil op twee locaties vastgesteld, in januari werd een ransuilenroest in Nederename met maximaal drie exemplaren gemeld en in februari werden ransuilen op vijf locaties gezien of gehoord.

In februari namen de spechtenactiviteit en het trommelen merkbaar toe: middelste en kleine bonte specht werden elk op verschillende locaties gezien of gehoord, en ook zwarte specht werd opgetekend.

De raven hebben echt wel vaste voet aan de grond gekregen in de regio. Na de doorbraak in 2025 werden deze winter nog steeds raven gemeld. Voornamelijk aan de grote bossen in het zuiden van VA+. Een bijzondere melding begin februari betrof een bonte kraai langs de N8 ter hoogte van de Kappeleberg in Maarke door Leo D.; zoekacties in de omgeving leverden geen vervolgwaarnemingen op. Indien deze aanvaard wordt door het BRBC (Belgian Rare Birds Committee), wordt dit de eerste waarneming van de soort deze eeuw voor VA+.

Nog een uitschieter: in januari werd een grote pieper als allereerste winterwaarneming voor de regio over Strijpen vastgesteld door Chris N., en in het Muziekbos werd een witkopstaartmees gevonden door Simon F.

Er overwinterden in onze regio opnieuw enkele groepjes boomleeuwerik. Ringmussen werden maar op 6 plaatsen teruggevonden. Van grote lijster werden amper twee zangposten gevonden. Een pijnlijke vaststelling.Roodborsttapuiten overwinterden op verschillende plaatsen. Een zeer zacht einde van de maand februari nodigde veel overwinterende tjiftjaffen uit om al te beginnen zingen. Een zingende zwartkop op 4 februari werd als opvallend vroeg genoteerd.

Appelvink kwam op verschillende plaatsen deze winter in beeld, met een maximum van 10 exemplaren aan de Kaaihoeve in Meilegem. Goudvink kwam in januari in Nukerke en Ruien in de notitieboekjes. Kneu vormde in december op verschillende plekken grotere groepen, met een opvallend maximum van circa 400 exemplaren in Ronse. Barmsijzen werden zowel in december als in januari en februari regelmatig gezien, met meerdere meldingen verspreid over de regio. Tot slot kwam in december een grote slaapgroep rietgors in beeld, met 250 exemplaren in de Snippenweide, waar ook waterpiepers overnachtten. Overwinterende geelgorzen kwamen op amper 4 locaties in beeld.

Dank aan alle waarnemers. Volg de waarnemingen per dag op via de website van de Vogelwerkgroep VA+. En bij deze ook een oproep: blijf waarnemingen invoeren. Alleen zo kunnen we een duidelijk beeld krijgen van de verspreiding en evolutie van de aantallen. Nu het broedseizoen eraan komt, graag ook bij het vakje ‘gedrag’ de juiste optie selecteren: bv. zingend, of nestbouw, enz.

Raaf © Rik Desmet
AudioMoth: het onzichtbare op naam gebracht

AudioMoth: het onzichtbare op naam gebracht

Het lijkt er wel op dat het snuisteren in boeken om soorten op naam te brengen, stilaan tot het verleden behoort. Het gebruik van Obsidentify is ondertussen ingeburgerd, al is het nog niet onfeilbaar, en is basiskennis nog altijd aangewezen om verkeerde determinaties uit te sluiten. Ook de app Merlin, die zichtbaar maakt welke vogels er in je omgeving te horen zijn, is gemeengoed geworden. Het is niet alleen een zegen voor elke natuurliefhebber, maar zeker ook voor de ornithologen die door een verminderd gehoor een heleboel vogelsoorten dreigen mis te lopen.

Voor wetenschappers is er het gebruik van eDNA (environmental DNA). Elk levend organisme laat DNA-sporen achter in de omgeving via huidschilfers, haar, schubben, bloed, urine, etc. Dit omgevings-DNA is een vingerafdruk van de natuur en kan worden gebruikt om de aanwezigheid van soorten of volledige gemeenschappen in kaart te brengen zonder dat men de soort effectief moet zien. Men kan daarbij tegenwoordig zelfs DNA uit de lucht gebruiken. Het blijkt een volwaardige aanvulling te zijn op bestaande methoden voor het monitoren van biodiversiteit11.

Een extra luisterend oor

Op de voorstelling van het uilenproject van het regionaal landschap gaf Friedel Nollet een boeiende uiteenzetting over het gebruik van de AudioMoth. Dit is een compact apparaatje voor het opnemen van geluid, inclusief ultrasone frequenties die mensen niet kunnen horen. De AudioMoth wordt gebruikt voor het monitoren van biodiversiteit en het verzamelen van gegevens over geluid in de omgeving, zoals de geluiden van vogels, vleermuizen of insecten. De uitleg van Friedel ging vooral over de studie van uilen met de AudioMoth, maar die kan evengoed gebruikt worden om te weten welke vogels er ’s nachts over je tuin trekken, of welke vleermuizen er vliegen. Bij de verwerking van de gegevens hoort wel wat gratis te downloaden computersoftware en dat is niet altijd eenvoudig. Je krijgt sonogrammen te zien en je krijgt lijsten met mogelijke soorten. Maar ook hier is (veel) voorzichtigheid geboden. Een eerste, schuchtere poging in de tuin leverde weinig waarschijnlijke soorten als roodkeelduiker op, dat bleek de kraaiende haan te zijn. Maar kerkuil, bosuil en steenuil stonden er wel op! Ongetwijfeld zal ook hier de software in de toekomst nog veel verbeteren.

Bij LABmaker22 kost de AudioMoth ongeveer € 106, en je hebt er nog 3 batterijen en een micro-SD-kaart van 64 GB voor nodig.

  1. WARMER F.E.M., POLLING M., BUIJ R., LAROS I., VISSER T. & DE GROOT G.A. (2025) – Validating Airborne eDNA Using Manual Surveys, Acoustic Monitoring and Camera Traps to Detect Birds and Mammals in an Agroforestry Setting – Environmental DNA, 7:e70222, doi.org/10.1002/edn3.70222 ↩︎
  2. https://www.labmaker.org/collections/audiomoth ↩︎
Visbestand in de Terkleppebeek

Visbestand in de Terkleppebeek

De Molenbeek-Terkleppebeek ontspringt in Brakel in het natuurgebied van de Everbeekse bossen en mondt in Geraardsbergen uit in de Dender. Vooral de bovenloop van deze beek is een van de ecologisch meest waardevolle waterlopen in het Denderbekken.

De beperkte set aan waterkwaliteitsgegevens laat het niet toe om een uitspraak te doen over de chemische waterkwaliteit. Het is wel zo dat er een erosieproblematiek is en daarenboven geven de uitvoerings- en zoneringsplannen aan dat er nog heel wat woningen zijn die momenteel niet aangesloten zijn op de riolering of waar er geen Individuele Behandelingsinstallatie voor Afvalwater (IBA) aanwezig is. Dit doet vermoeden dat er een negatieve invloed is op de vispopulatie en dat de chemische waterkwaliteit vooral in droge en warme maanden eerder matig tot slecht is.

Naast de kwaliteit van de waterloop, bepaald door nutriënten en andere vervuilende stoffen, is het van belang om in te zetten op de biologie, en ook hier zijn er nog een aantal belangrijke knelpunten. Er bevindt zich onder andere nog een belangrijk vismigratieknelpunt aan de Molen Ter Walle.

In september 2025 werd er op 3 verschillende locaties op de Molenbeek/Terkleppebeek op grondgebied Brakel visonderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek kan men stellen dat de doelsoorten rivierdonderpad en beekprik nog in de Terkleppebeek voorkomen. Op de meest stroomafwaartse locatie werden er hoge aantallen rivierdonderpad gevangen met een goede populatieopbouw.

Beekprik werd op één plaats aangetroffen, maar het betrof wel 34 individuen over een afstand van 50 meter en van verschillende leeftijdsklassen, wat dus voldoende gunstig is. Bij eerdere onderzoeken werd de soort wel op verschillende plaatsen gevonden.

Ook beekforel werd teruggevonden, met op één locatie volwassen individuen van meer dan 3 jaar oud. Ook op een andere locatie werd een aantal volwassen individuen vastgesteld die stroomafwaarts de duiker (vismigratieknelpunt) zaten. Stroomopwaarts van die duiker werden er vooral jonge dieren aangetroffen. Hierbij gaat het mogelijk om uitzet van januari 2025 in het kader van soortherstel. Uit onderzoek in het Zwalmbekken is geweten dat er natuurlijke reproductie optreedt in de Sassegembeek, maar dat op andere waterlopen de soort niet tot natuurlijke reproductie komt omwille van erosieproblematiek. Het slib van de erosie zorgt er andere voor dat de eitjes als het ware versmacht worden. Een verdere opvolging en eventueel genetische analyse lijkt hier belangrijk om te kunnen uitsluiten of het hier om een duurzame populatie gaat die zichzelf in stand weet te houden.

Beekprik © Jan Van Uytvanck
Beekprik © Jan Van Uytvanck
Schatten van de Schijteput

Schatten van de Schijteput

Deze ongewone titel in Meander brengt ons terug naar de ijstijden, toen de Schelde meer dan een kilometer breed haar weg zocht in de vallei. Plaatselijk zijn de uitgeschuurde oevers van de winterbedding, o.a. te Melden en Berchem, nog getuigen van deze Pleistocene vallei.

Schedels en botten van mammoeten en andere ijstijdfauna bij het uitgraven van de Donkvijver in Oudenaarde bleven wat onderbelicht, maar getuigden toch van de grootsheid van dit landschap ooit. De vondst van rivierparelmossels in Asper en Ename1 maakte voor mij de link met de (heel) oude geschiedenis van Kluisbergen, meer bepaald met de Schijteput in Meerse. Toen men in 1977 de Schelde recht trok, legde men bezinkingsbekkens aan waarin de aarde van de graafwerken terechtkwam. Toen die voldoende uitgedroogd waren, werd de grond in landbouwgebruik genomen en daar waren dan mossels en schelpen te vinden uit de diepere bedding die verwijst naar de Pleistocene ijstijdvallei, meer dan 12.000 jaar terug …

Mijn oudste herinnering is dat ik rond 1955 aan de hand van mijn grootmoeder ging kijken naar een in het slib vastgelopen schip. Dat was toen groot nieuws! De Schelde had toen nog iets schilderachtigs, voor ze in een rechtlijnig keurslijf werd gegoten. De mosselboot legde nog aan met getoeter aan de kade van de Pontstraat in Grijkoort (allicht ooit een veerpont daar?). IJsvogels en oeverzwaluwen broedden in de oevers, maar de vervuiling was er ook al, onder andere door de textielnijverheid. Er was toen ter hoogte van Meerse een grote bocht in de Schelde door uitschuring en oevererosie. In de volksmond noemde men dat ‘inschijten’, vandaar allicht de wat merkwaardige naam Schijteput?

Terug naar die andere Berchemse mossels: ik vond tot in de jaren negentig op die opgespoten grond veel stevige mosselschelpen van de Bataafse stroommossel, een ondertussen hier uitgestorven soort van snelstromend, zuiver water. Speciaal was wel dat een groot deel daarvan middendoor was gebroken en bovendien lagen er ook meerdere silexafslagen. Dit gaf mogelijk aan dat er op die plaats een nederzetting was – op een slib/zandbank in de rivier? – van steentijdmensen die er bivakkeerden en allicht de mossels als voedsel gebruikten. Ook zoetwaternerieten vond ik er, een kleurrijk schelpje dat nu ook verdwenen is.

Maar er is meer: in diezelfde lagen werden even verder stroomafwaarts schelpen van de rivierparelmossel gevonden bij ruimingen en opgravingen. Ik citeer2: “In uitzonderlijke gevallen worden de schelpen 20 centimeter lang. (…). De soort verdween echter, onder andere door achteruitgang van de waterkwaliteit en het opgraven van de mossels vanwege de soms aanwezige, zelfs aan het hof van koningen en keizers gewilde parels(!)”. Er blijkt een verband te zijn met vissoorten zoals de toen nog aanwezige steur, waar de larven van de mossel zich aan de kieuwen vasthechten. Als parasiet brengen ze er maanden door en kunnen ze dus grote afstanden afleggen2. In het eerder geciteerde artikel1 verwijst men naar vondsten in Ename en Asper in Holocene afzettingen, dus was het ook aan de Schijteput perfect mogelijk, alleen toen niet genoeg gezocht en nu ondergewerkt na jaren landbouw. Overigens moet dat Holoceen in het begin een heerlijke tijd voor mossels e.a. geweest zijn: zuurstof- en kalkrijk, zuiver en helder wild water als perfecte condities.

Het merkwaardige tijdschrift La Hulotte3 wijdde in 2014 een volledig nummer aan deze mossel, zoals gewoonlijk opgeluisterd met tal van schitterende tekeningen.

De soort is met uitsterven bedreigd en wordt wereldwijd gezien als een van de meest bedreigde grotere ongewervelden. Nu zijn ze nog te vinden in de Ebro en in een aantal Franse rivieren zoals de Charente. Ooit vormden ze echte ‘banken’ dicht tegen elkaar, in gezelschap van andere soorten, in Ename werden bij een site uit het Neolithicum nog 15 andere soorten gevonden4, zoals Bataafse en bolle stroommossel, schilder-, vijver- en zwanenmossel .

Ze werden voor de parels met duizenden ‘gekraakt’ of als voedsel gebruikt, maar het is uiteindelijk de watervervuiling die de doodsteek gaf. Dat is logisch wegens de overdosis voor deze waterzuiveraar bij uitstek, denk daarbij ook, maar misschien beter niet te veel, aan mossels? Ook het verdwijnen van de steur als ‘draagvis’ is misschien wel onderschat, de fameuze schakel in de ketting? Dit is ook voor het verdwijnen van veel andere soorten allicht van tel, iets waar de wetenschap maar moeizaam in vordert, om diverse redenen. We denken daarbij aan de ‘neven’effecten van pesticiden, PFAS enz. Overigens is in de schelp van onze mossels perfect aan te duiden waar de industrie een woordje begon mee te spreken in zijn verdwijnen, vastgelegd in de kalkopbouw van honderdjarige generaties.

Daarmee wordt zoveel jaar later een aanvulling aan de fauna geleverd en wordt meteen een tipje opgelicht van die wondere geschiedenis van de Scheldevallei …

Dus was het ook niet helemaal raar toen ik op mijn zoektochten aangesproken werd door de duidelijk geërgerde vrouw van de landbouwer, zittend in de Minaraad: “wat ik daar nu toch in godsnaam op hun grond liep te doen”. Schatten zoeken uit de ijstijd was mijn wat onvoorziene antwoord, en het was ook niet helemaal onjuist. Stel je voor: dure parels! Maar dat wist ik toen nog niet. Allicht was daarmee haar onrust niet opgelost en (maar ik geef toe ‘met binnenpret’) wel haar nieuwsgierigheid nog gegroeid?

© Norbert Desmet
© Norbert Desmet
  1. KUIJPER W.J., DEBRUYNE S. & PARENT J.P. (2025) – The Holocene occurrence of the giant freshwater pearl mussel Pseudunio auricularius (Spengler,1793) (Bivalvia: Margaritiferidae) in Belgium and the Netherlands. – Basteria, 89 (2): 232-239 ↩︎
  2. Nature today, 27-12-2025: https://www.naturetoday.com/intl/nl/nature-reports/message/?msg=34786 ↩︎
  3. La Hulotte N°101 (2014) – La Mulette perlière – la grand-mère du ruisseau à truites ↩︎
  4. CROMBÉ P., JACOPS J., AMEELS V., DEBRUYNE S., DEFORCE K., DE GROOTE I., DE MULDER G., HALBRUCKER É., PARENT J.-P., ROBERT P., VANDENDRIESSCHE H. & TEETAERT D. (2024) – The Neolithic wetland site of Ename-Stuw (Scheldt valley, BE) – Notae Praehistoricae 44: 25-62. ↩︎