Op 27 november 2026 zou Karel De Waele 86 worden, maar die datum haalde hij niet meer. Hij overleed op 6 augustus. Een maand eerder had hij onverwacht de diagnose van terminale kanker gekregen. Op slag koos hij ervoor om euthanasie aan te vragen, omdat geen enkele behandeling nog tot een kwaliteitsvolle verlenging van zijn toch al lange en zeer rijke leven had kunnen leiden. In ons laatste gesprek, enkele weken geleden, vertelde hij me dat hij er volkomen vrede mee had. Zijn leven voelde afgerond aan. Zijn geest was nog even helder als altijd, maar zijn lichaam was op.
Drie jaar eerder was zijn vrouw Alma overleden. Ze was meer dan zomaar een levenspartner: samen hadden ze de wereld rondgereisd, geleefd, geleerd, drie kinderen grootgebracht en zich ingezet voor het natuurbehoud, eerst bij de Wielewaal en later bij Natuurpunt.
Toen hij dertig was, richtte Karel in de schoot van de toenmalige Wielewaal de plantenwerkgroep van de Vlaamse Ardennen op, de eerste plantenwerkgroep in Vlaanderen. Enkele jaren later was hij mede-oprichter van de Nationale Werkgroep Botanie. Het zou zijn grote passie worden: planten leren kennen, inventariseren en plantenexcursies gidsen. In 2005 resulteerde dit in de uitgave van De Flora van de Vlaamse Ardennen, die we gerust mogen beschouwen als zijn levenswerk. Tot enkele weken voor zijn dood bleef hij de verspreidingskaartjes aanvullen met de nieuwe vondsten in ‘zijn’ regio. Ook de centrale databank van FLO.WER, een samenwerkingsproject tussen de diverse plantenwerkgroepen van Natuurpunt en het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek (INBO), bleef hij tot op het laatst met nieuwe plantenwaarnemingen aanvullen.
In ons laatste gesprekje vertrouwde hij me zijn visie op de dood toe: “Na mijn dood verspreidt mijn energie zich over de aarde en dient als voeding voor andere levende wezens. Dit is mijn visie op reïncarnatie.” Nuchter als altijd. In een laatste mailtje liet hij me ook nog weten: “Mijn plantenwerkgroepen zijn in goede handen. Ik heb er vertrouwen in dat ze zullen blijven voortbestaan.” Om te eindigen met: “Ik ben dankbaar voor onze vriendschap.”
Deze boodschap was niet louter voor mij bestemd, maar tevens voor alle mensen met wie hij zijn liefde voor de natuur in het algemeen en zijn fascinatie voor de plantenwereld in het bijzonder had mogen delen, voor alle trouwe vrienden van wie hij niet persoonlijk afscheid had kunnen nemen. Het was aan mij om na zijn overlijden deze boodschap over te brengen.
Die dankbaarheid was wederzijds en dat geldt ongetwijfeld voor allen die hem goed gekend hebben, vaak vijftig jaar of langer. Nuchter, goedgehumeurd, ernstig, vriendelijke plaagstootjes uitdelend, toegewijd … dit is hoe ik Karel heb ervaren. Je kon met hem van mening verschillen over de determinatie van een plant of over een visie op het leven; de discussie bleef altijd respectvol. Hij had ook een uitzonderlijk geheugen. Een voorbeeld hiervan maakten we mee tijdens een plantentocht in de Scheldemeersen tussen Eke en Zevergem, enkele jaren geleden. Toen we enkele private visvijvers passeerden, herinnerde hij zich plots dat hij daar tussen die vijvers, ergens in het begin van de jaren 70 van de vorige eeuw, enkele exemplaren van addertong had gevonden. We gingen op zoek en vonden een grote populatie van dit zeldzame varentje, op dezelfde plek als meer dan een halve eeuw geleden.
Naast botanie en reizen had Karel tevens een grote liefde voor cultuur: onder meer theater, muziek en schilderkunst waren hem veel aandacht waard. Toen hij en Alma vijftig jaar gehuwd waren, werd dat gevierd met een boottocht op de Leie, tussen Gent en Deinze. Ik mocht mee als muzikant en samen met een bevriende celliste musiceerden we buiten op het dek. Terwijl de familie benedendeks zat te tafelen, sloop Karel telkens weer naar boven om genietend van de muziek de plantengroei op de voorbijglijdende oevers in zich op te nemen. Vaak als ik hem zag, moest ik denken aan een liedje van Willem Vermandere, maar met een lichtjes aangepaste tekst:
‘Lat mie mô lopen langs de stroate en ’k èn mien plantjes da’k zo gèren zien van ’s ochtends vroeg toet ’s avonds loate en ’k èn mien streeplieste bie mien.’
Tot op de laatste ochtend van zijn leven bleef hij ‘plantenpraatjes’ posten op Facebook waarin hij op zijn lucide en humoristische manier inging op de etymologie van plantennamen, hoe je de plant in kwestie kon herkennen, waar hij voorkwam en waar hij die plant zelf was tegengekomen. Velen onder ons bezorgden hem plantenfoto’s, zodat hij niet zonder inspiratie zou komen te vallen. Pas op het einde van zijn laatste schrijfseltje, niet toevallig over het bosvergeet-mij-nietje, maakte hij bekend dat hij nog diezelfde dag euthanasie zou krijgen.
Karel hield nu eenmaal graag het stuur in eigen handen, zowel letterlijk als figuurlijk. Als we samen ergens naartoe gingen, dan reed hij, niet ik. Zo ook toen hij geplaagd werd door een frozen shoulder en hij met zijn rechterhand niet in staat was om de versnellingspook te bedienen. Uiteindelijk kreeg ik hem zo ver dat hij tot drie zou tellen, telkens hij naar een andere versnelling wou overschakelen. Bij ‘drie’ mocht ik dan schakelen. Maar het stuur uit handen geven?
Dat deed hij wel toen hij 70 werd en het tijd vond om de verantwoordelijkheid voor de plantenwerkgroepen uit handen te geven. Hij wou geenszins ‘de schoonmoeder uithangen’ ten opzichte van de nieuwe trekkers, maar bleef wel met raad en daad beschikbaar om bij te springen waar hij maar kon. We hadden een hele ploeg nodig om het werk dat hij decennialang in zijn eentje had gedaan van hem over te nemen.
Het moet ergens in 2014 of 2015 geweest zijn dat ik voor het eerst een stijve naaldvaren zag groeien op een steile berm aan de zuidzijde van het Bos Terrijst (Schorisse), langs een van de wandelroutes die ik jaarlijks een tiental keren neem. Telkens ik daar passeerde, ging ik na of hij er nog stond. Drie jaar later was hij verdwenen. Hoe nauwkeurig ik ook rondkeek, het mocht niet baten. Ook dit jaar – 2026 inmiddels – had ik er al enkele keren tevergeefs naar gezocht. Ik begon me zelfs af te vragen of ik me tien jaar geleden niet had vergist en me had verkeken op een afwijkend exemplaar van mannetjesvaren. Tot ik hem half juli plots terugvond: niet één maar drie exemplaren zelfs. Ik kan geen verklaring bedenken waarom die varen nu plots weer zijn opwachting maakt, in een extreem droge zomer, voorafgegaan door extreem natte zomers en winters en meerdere al even extreem hete lentes en zomers. Houdt naaldvaren misschien van de opeenvolging van extremen?
Veel planten duiken ergens op om vervolgens weer te verdwijnen. Vaak is de verklaring simpel: door een of ander toeval komt er op een bepaalde plek zaad terecht en is het in staat om te kiemen en een volwassen plant te vormen, maar het is niet het juiste habitat om zich er langdurig te kunnen vestigen. Iets te koud in de winter of te heet in de zomer, gemiddeld genomen wat te nat of te droog, te veel schaduw en te weinig zon of omgekeerd, een te zure bodem of de verkeerde grondsoort… het kan aan van alles liggen. Heel wat planten zijn immers behoorlijk kieskeurig. En dus staan ze er het volgende jaar niet meer. Dat was onder meer het geval met een rapunzelklokje dat in 2025 in mijn tuin opdook en met een soortgenoot die tijdens datzelfde jaar in een wegberm in Zingem stond te bloeien. Niet meer terug te vinden in 2026. Idem voor een grote ratelaar in een berm nabij de Hospicebossen enkele jaren eerder: éénmaal zien bloeien, daarna terug verdwenen. Ook orchideeën kunnen er wat van: op meerdere plaatsen zag ik de voorbije tien jaar gevlekte orchis, hondskruid en bokkenorchis verschijnen en al even snel terug verdwijnen. Het zijn nu eenmaal kieskeurige wezentjes, onze inheemse orchideeën. Ze moeten niet alleen in de juiste grondsoort terechtkomen, daarnaast moeten hun zaden de juiste bodemschimmels ontmoeten voordat ze kunnen kiemen. In wegbermen moet het maaibeheer dan ook nog eens meezitten en dat doet het meestal niet: in volle bloei worden ze weggerukt uit hun nieuwe standplaats, zonder dat ze de kans krijgen zaden te vormen.
Achter het verschijnen en verdwijnen van plantensoorten kan nog andere logica schuilgaan, namelijk indien het om soorten gaat die een langlevende zaadbank vormen en aan pionierssituaties gebonden zijn. Soorten zoals gewone spurrie, zandmuur of kleine leeuwenbek zijn eenjarige voorbeelden hiervan. Hun zaden kiemen enkel op kale stukjes grond in de volle zon. Indien de vegetatie vervolgens terug dichter wordt, moeten ze wachten op een nieuwe gelegenheid en dat kan soms meerdere decennia duren voordat deze zich voordoet. Er zijn ook doorlevende soorten die afhankelijk zijn van tijdelijke pionierssituaties om te kiemen vanuit een oude zaadbank. Een voorbeeld hiervan is mannetjesereprijs. Enkele jaren geleden ontdekte ik onverwachts een mooie populatie hiervan in een stukje wegberm dat het jaar ervoor door de maaimachine was gefreesd in plaats van gemaaid. Het jaar daarop was er al geen spoor meer van te bekennen en dit is tot op heden nog steeds zo. Een andere populatie hield wel enkele jaren stand. Deze stond in een stukje wegberm dat met een grasmaaier kort werd gehouden, waardoor mannetjesereprijs niet zo snel werd weggeconcurreerd door hoog opschietende grassen.
Achter het komen en gaan van planten zit soms een begrijpelijke logica, maar even vaak blijft het een boeiend en intrigerend raadsel.
Drie maart 2026, kort na de middag. Net voordat de Knoktestraat de Rue de Trieu wordt, sla ik rechtsaf, de Vierschaar in. Ik ruik ze eerder dan ik ze zie: de eerste bloeiende maartse viooltjes. Grote ereprijs, paarse dovenetel en kleine veldkers bloeien eveneens, maar die ruik je niet. Een struikje van het geslacht Prunus ziet wit van de bloesems. De eerste hommels doen er zich aan te goed. De temperatuur haalt nog niet de voorspelde achttien graden Celsius, maar warm is het alvast.
Zoals zo vaak de voorbije dertig jaar volg ik de grensweg tussen Oost-Vlaanderen en Henegouwen. Wallonië ligt links, het is er nog wat mistig. Rechts van de weg ligt een oud kasteeldomein zonder kasteel. Daar mogen gewone mensen niet komen. Links begint het bos. Ook dat is taboe voor wandelaars. ‘Attention Chasse, Propriété privée’ staat veelvuldig te lezen op metalen bordjes, half ingegroeid in de boomstammen waarop ze zijn vastgespijkerd. Aan de fietssporen te zien, zijn er heel wat mountainbikers die zich aandienen als jachtwild. De helling aan de Vlaamse kant staat vele meters lang vol met sneeuwklokjes. In tegenstelling tot die in mijn tuin zijn ze nog niet uitgebloeid.
Even verderop loopt een klein paadje dat naar een grote hooiweide leidt die bij het kasteeldomein behoort. Het bordje met ‘Privédomein, verboden toegang’ dat er vorig jaar stond, is verdwenen. Ik ga op bezoek bij de twee gigantische bomen die aan de rand van het grasland staan. Zelfs met de hulp van mijn spiegelbeeld kan ik hun stammen niet omarmen. De minst dikke van de twee verraadt op basis van de verdroogde vruchten die hij nog draagt zijn identiteit van tulpenboom. Zijn nog dikkere buurman is er ook een, maar waarom deze in tegenstelling tot zijn buur geen vruchten heeft gemaakt, is me een raadsel. Het zijn getuigen van een ver verleden, van toen er nog een kasteel stond. Via Norbert Desmet kwam ik te weten dat het op het einde van de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetters met de grond gelijk werd gemaakt, zodat ze geen spoor zouden achterlaten van de lanceerbasis voor hun beruchte V2-bommen.
Achter me klinken de luide stemmen van een lawaaierige groep wandelaars. Het is moeilijk om te ontsnappen aan het rumoer van de gemiddelde medemens. Vier statige, hoog opgeschoten bomen van het geslacht Chamaecyparis vangen mijn aandacht. Drie van hen staan op een rij, een behoorlijk aantal meters van elkaar. De dikste heeft een stamdoorsnede van bijna een meter. Zijn het restanten van een oude haag van ‘tuinsparretjes’? Nummer vier is beduidend jonger en heeft de rij verlaten, een zaailing vermoed ik. Ik besluit de dikste van dichtbij te gaan bekijken. Ik verdwijn ei zo na in een steile, diepe put waarvan de bodem niet meteen zichtbaar is. Er zijn nog meer van die putten. Ze lijken op verluchtingsschachten en liggen netjes op een rij. Er schijnt een legende te bestaan over een onderaardse tunnel die vanuit het kasteel vertrok en deze richting uitging. Wie weet wat zich daar nog meer onder de grond bevindt.
Boven de grond staat een vlek speenkruid met glanzende gele sterretjes te bloeien en steken de eerste scheuten van bosereprijs hun hoofdjes boven de afgevallen herfstbladeren. De hangende zegge zegt me dat het van nature behoorlijk nat is langs het wandelpad.
De lawaaigroep is me intussen voorbij. Hopelijk gaan ze naar de Bosbar en blijven ze daar. Een van hen staat te plassen, de rest van de groep wacht hem op, vijftig meter verderop. Luid pratend stapt hij naar hen toe. In zijn gsm of in zichzelf? Het is niet duidelijk. Ze gaan rechtdoor, dus neem ik het eerste pad naar rechts. Er groeit witte klaverzuring op het bermpje naast het pad. Ik sla opnieuw rechtsaf, een weinig gebruikt pad in. Het loopt langs de grens van het kasteeldomein, oude ijzeren paaltjes in de grond, versleten staaldraad ligt hier en daar te roesten. In de verte slaan drie reeën op de vlucht, hun witte konten in de lucht. Even verder waarschuwt de ruwe smele me dat het drassig wordt. Ik heb mijn oude wandelschoenen aan met twee scheurtjes in het leder van de rechterschoen. Voorzichtig stap ik over de pollen gras, dankbaar voor hun waarschuwing.
Ik heb moeite met het concept privébos en nog meer met het bestaan van private jachtterreinen. Het zijn late restanten van het feodale tijdperk. Dat begon ooit ongeveer zo: een grote bende gewapende agressievelingen liep het land onder de voet, onder leiding van een van hybris vergeven aanvoerder. Die verklaarde zichzelf tot koning en zei: ‘Al dit land is nu van mij’. Wie het hiermee niet eens was, werd over de kling gejaagd. Grote delen van ‘zijn’ land gaf hij in bruikleen aan de trouwste leden van zijn roversbende, vergezeld van ronkende titels zoals hertog, graaf of baron. Zij beschikten nu over leven en dood van alles en iedereen die toevallig ook in die landstreek woonde. In recentere tijden werden hun eigendomsrechten in notariële akten verankerd. Verpauperde deze landadel, dan verkochten ze grote partijen van hun grond aan industriëlen, rijk geworden op de rug van andermans arbeid. Die maakten er hun privéjachtterrein van, in navolging van de vorige eigenaars. En daar zitten we nu nog steeds mee opgescheept.
Bossen en andere natuurgebieden mogen van mij allemaal staatsbezit worden, beheerd onder het toeziend oog van een democratisch verkozen regering en een bekwame administratie. Ik heb geen enkel probleem om de toegang ontzegd te worden tot de omgeving van een dassenburcht of een nestplaats van oehoes, een kwetsbaar nat hooiland of een zeldzaam stukje bronbos. Het plezier van wereldvreemde enkelingen om ’s winters op al wat leeft te kunnen schieten, verdient geen privileges.
Aan het volgende kruispunt der boswegen bots ik weer op dezelfde groep wandelaars. Nu zie ik dat het om mensen met een mentale handicap gaat, vijf levenslang onvolwassenen van diverse middelbare leeftijden en één begeleider. Via de Pensemont wandelen ze het bos uit. Ik blijf in stilte achter. Wegens de toenemende temperatuur stop ik mijn jas in mijn schoudertas. Aan de overkant van mijn zitbank liggen verdorde adelaarsvarens plat tegen de grond. Het is een overwinteringsplek voor teken. James, mijn trouwe, luie huiskater, heeft vandaag net zijn eerste teek gevangen. Vorig jaar was dat pas op 23 maart en dat was ook al veel vroeger dan verwacht.
Een jaar geleden, rond dezelfde tijd van het jaar, hoorde ik in dit stuk van het bos twee raven met elkaar praten. ‘Croc’, zei de een, ‘crwek’ antwoordde de ander. Dat ging zo enkele minuten door. Ze kwamen steeds dichterbij en ik hield mijn verrekijker klaar. Plots zwegen ze. Eerder dan ikzelf hadden ze de pratende wandelaars gehoord die onze richting uit kwamen. Teleurgesteld knikte ik hen vriendelijk goeiedag. Even later hoorde ik het ‘trr trr trr’ van een zwarte specht. Ook hem kreeg ik niet te zien, maar om van muziek te genieten heb je enkel je oren nodig, niet je ogen.
Vandaag hoor ik alleen maar de alomtegenwoordige boomklevers en het geroffel van een onbepaalde specht. Zwart, groen of bont? De klankkleur van het tromgeroffel wordt vooral bepaald door de grootte van de holle boomstam die als percussie-instrument dienst doet.
Ik stap de Pensemont op, terug naar de grensweg. Van een gigantische tamme kastanje rest nog enkel de omgevallen stam, gesneuveld door het leven, niet door kettingzagen. Zijn geschiedenis staat op een infobord te lezen. Hij was de laatste overlevende van de kaalkap tijdens de Eerste Wereldoorlog. Interessant, maar fnuikend voor de fantasie. Ik had hem liever een leven zonder oorlogen toegedicht.
Bij gebrek aan vogels bestudeer ik de medemens. Een jogger, smartphone in de hand, sloft in tegengestelde richting, mismoedig naar zijn voeten kijkend, ondanks dat het voor hem bergaf gaat.
Ik zie heel wat aardhommels die kriskras heen en weer vliegen om dan plots tussen de afgevallen bladeren te duiken, op zoek naar muizengaten in de grond. Het zijn pas ontwaakte koninginnen die een nestplaats zoeken. Matriarchen noem ik ze liever, dat klinkt minder feodaal. Ik vraag me bezorgd af of ze wel voldoende te eten vinden, zo vroeg in het jaar. Overal verschijnen de bladeren van wilde hyacinten, maar het duurt nog een tijdje eer ze in bloei staan en voor voedzaam stuifmeel en nectar zullen zorgen. Vorig jaar zag ik de eerste hyacintbloemen op één april. De weinige vroege voorjaarsbloeiers staan op dit moment aan de bosranden, een halve tot een hele kilometer verderop. In hommelvlucht is dat vlot drie maal zo ver. Rechtdoor vliegen kunnen deze beestjes niet zo goed. (Op 14 maart zou ik bij een volgende wandeling de eerste bloeiende wilde hyacinten zien, dus nog twee weken vroeger dan het jaar voordien!)
Boven aangekomen blijkt de Bosbar dicht. Het is ook gewoon een schooldag annex werkdag en dus niet interessant vanuit commercieel oogpunt. Ik zet me op een bankje om een groep vinken gade te slaan. Een man houdt zijn smartphone hoog in de lucht. Hij heeft enkel oog voor zichzelf en voor wat hij op Instagram kan posten. Het zijn alvast niet de vinken. Er komt een klein gezinnetje aangewandeld: man, vrouw, zoontje van tien en hondje aan de leiband. Ik vermoed dat de jongen vrij heeft wegens een pedagogische studiedag en ik denk: geniet ervan, nu dat nog kan. De jogger komt weer aangesloft. Hij is terug boven geraakt en doet trouw wat de app op zijn smartphone hem opdraagt. Hoe zou je ook kunnen wandelen, lopen of de omgeving in je op kunnen nemen zonder de hulp van zo’n ding?
Voor mij gaat het terug omlaag, niet naar de Liefdesbron, maar via een parallel bospad terug naar de voet van de Pensemont. Van de liefdesbron heb ik tien jaar geleden een slokje genomen. Het heeft zijn werk gedaan. Links ligt een weiland waar twee zomers geleden twee reeën lagen te zonnen, een mannetje met verse horens en een hinde. Ondanks de wandeldrukte was er toen niemand die naar hen bleef staan kijken.
Ik passeer het heideveld waarvoor enkele jaren geleden ruimte werd gecreëerd. Goed voor de biodiversiteit, niet te groot, niet te klein, precies zoals het moet zijn. De adelaarsvarens aan de bosrand liggen er winters uitgeblust bij. Voor hen begint de lente pas over enkele weken. Terug op de Vierschaar zie ik het gezinnetje weer. De jongen loopt vijftig meter voorop, daar achter volgt de man. De vrouw, met een berg jassen over de arm en het hondje nog steeds aan de leiband, is achterop geraakt. Ze loopt luidkeels te telefoneren. Het speenkruid heeft intussen al dubbel zoveel gele sterbloempjes geopend als anderhalf uur geleden. Rechts van me zit een buizerd in het bos. Van zodra hij ziet dat ik hem zie, vliegt hij ervandoor. Een mens die naar me kijkt, is een mens die me kan neerknallen, zegt zijn overlevingsinstinct. Hij heeft gelijk. Hij bevindt zich in een privaat jachtgebied.
Op de zitbank met opschrift ‘Daar aan de overkant, het weidse Waalse land’ zit een ouder koppel te genieten van het uitzicht. De Henegouwse mist is volledig opgetrokken. Op de picknickbanken even verderop zitten twee mannen op hun smartphone te scrollen. Ze laten het weidse landschap aan zich voorbijgaan.
Daar ergens in Henegouwen is een wielerwedstrijd bezig, met cameradrones en helikopters in de lucht en joelende mensen langs de kant, gelukkig ver genoeg van hier. Over enkele weken zal het ook op deze plaats weer van dat zijn, tenzij de Trieu uit het parcours van de Ronde van Vlaanderen zou zijn geschrapt. Ik hou niet van massa-evenementen. Er bestaat immers een exponentieel verband tussen de grootte van de aanwezige massa en de mate van verstoring van de natuur.
‘Ooit was dit Romeinse grond, hier stond kasteel Calmont’, lees ik op een zitbank in de Knoktstraat. Het een heeft niets met het ander te maken, maar het rijmt lekker. Aan de oprit van het kasteeldomein staat te lezen dat hier opleidingen voor jachthonden doorgaan. Ik wandel terug naar mijn auto. Hij staat geparkeerd tussen 1945 Sylvain Grysolle en 1946 Rik Van Steenbergen, in de Ronde Van Vlaanderenstraat. Zo meteen ga ik toch even TV kijken, nieuwsgierig of Wout Van Aert rechtop is kunnen blijven in zijn eerste koers van het jaar.
Ik lijd aan filefobie. Het lijkt op claustrofobie en het overvalt me tijdens verkeersopstoppingen. Om de opkomende benauwdheid annex woedebuien de baas te blijven, heb ik tal van copingstrategieën zoals daar zijn: circulaire ademhaling, boventoonzang oefenen, Mongoolse keelzangen produceren of mondharmonica spelen. Maar vaak is er een natuurlijke afleiding, namelijk de middenberm. Vooral in het voorjaar kan deze me soms de broodnodige troost bezorgen.
Op een keer geraakte ik maar niet van de N60 af. Vanuit Gent wilde ik afslaan richting Gavere. Telkens er ergens in de verte een groen licht te zien was, stond het verkeer stil. Bij rood ging het enkele autolengtes vooruit. En dat bleef zich maar herhalen. Maar in de berm stond vogelmelk te bloeien, heel veel vogelmelk. Ze stond er prachtig bij. Sindsdien noem ik deze voorjaarsbloeier in gedachten ‘middenbermtroost’.
Al rijdend mag mijn aandacht niet te veel richting bermen gaan, maar al voortkruipend is daartegen geen bezwaar. Dan mag ik me laven aan de witte linten van bloeiend Deens lepelblad, de gele bloemen van grote zandkool of aan de paarse overvloed van luzerne. Het is verbazend wat er in zij- en tussenbermen allemaal groeien en bloeien kan. Soms zie je lange stroken zilte schijnspurrie die zich over de rand van het asfalt wagen, andere keren een zeldzame gevlekte orchis of een paarse vlek die tijdens een latere inspectie een populatie kromhals blijkt te zijn.
De flora van de middenbermen kan me nog op een andere manier troosten, namelijk al fietsend. Elke rechtgeaarde fietser kent dat wel: zo’n mooi, breed fietspad dat echter langs een drukke weg ligt en je maar al te vaak door de lelijkheid van een industriepark of een verpauperde woonwijk loodst. De alternatieve routes zijn meestal heel wat kilometers langer, dus neem je toch maar weer dat fietspad langs die rotbaan. Gelukkig is er dan vaak een grazige berm tussen het fietspad en de rijweg, waarop je soms botanische schatten kan ontdekken. Bijenorchissen langs de N60, hondskruid en rapunzelklokje langs de N35, voedselarme plantengemeenschappen met zilverhaver, zandhoornbloem, liggende klaver en klein vogelpootje … Met hun stille esthetiek maken ze het kabaal van het voortrazende verkeer draaglijker. Soms gaat het maar om een klein bosje wilde tijm, een andere keer om uitbundig bloeiende keizerskaarsen of de onverwachte aanwezigheid van fijne kervel.
Er is ontzettend veel lelijkheid in het uithoekje van de wereld waarin we wonen, maar in de bermen tonen de wilde planten ons dat er ook schoonheid te vinden is op onverwachte plekjes. Als de bermen maar niet te vroeg in het voorjaar gemaaid worden, want dan zien ze er troosteloos uit en voel ik me een tijdlang ontroostbaar.
Een zonnige woensdagochtend, een droge dag, meer dan welkom na het verkillende, natte weer van de dagen voordien. Na te veel dagen vooral binnen zitten, heeft mijn hoofd dringend nood aan buitenlucht, mijn lichaam aan beweging. Ik kies voor een wandeling in de Scheldemeersen tussen Eke Sluis en Zevergem; de steile flanken van de Hotond en de Muziekberg zijn immers te glibberig door de regen van gisteren. En eergisteren.
Op de parking tegenover Veevoeders Franchon is altijd plaats. Honderd meter verder is het Waterratstraatje, maar terwijl ik die richting uit ga, hoor ik vanaf de overkant van de rivier de eerste grote lijster van het jaar. De Kriephoek is zijn territorium.
In het drassige weiland langs de Waterratstraat grazen een tiental rietganzen. Een grote zilverreiger staat lui te zonnen. Even verderop zie ik er nog een. Wat op het eerste gezicht op een groot stuk plastiek in een gracht leek, komt in beweging. Het is een ooievaar. Een blauwe reiger houdt de omgeving in de gaten. In de ruigte achter de prikkeldraad zitten nog drie soortgenoten van hem, half verborgen. In het weiland daarachter jagen twee loslopende honden een stel zilvermeeuwen de lucht in. Mijn mederecreanten fietsen elektrisch aan dit alles voorbij.
De wereld lijkt weer even zoals hij altijd zou moeten zijn. Er is nog hoop. Blauwe reigers waren zeldzaam toen ik klein was. Grote zilverreigers bestonden enkel in mijn fantasie en in mijn vogelgids. Om ooievaars te zien, moest je naar het Zwin. Daar werden ze gekweekt en daar zaten de reigers te suffen in grote kooien. Nu lopen ze hier zomaar vrij te zijn, dicht bij huis, in een halfnatuurlijk stukje in het werkingsgebied van de afdeling Natuurpunt Bovenschelde.
Twee straatjes verder, in de Koedreef, kom ik bij een modderpad dat parallel loopt met de Schelde. Aan het begin daarvan staat een verkeersbord: verboden toegang voor auto’s en paarden. Nazarethse humor, vermoed ik. Zelfs de grootste gek met een 4×4 zou zich hier niet in wagen. Links zit een grote groep bergeenden in het obligate gezelschap van een stel nijlganzen. Ook die waren er niet toen ik klein was. Ze worden nog steeds beschouwd als vreemde eenden in de bijt, al gaat het intussen reeds om dertigste generatie nazaten. Ik hoor een ‘vliegende kat’. Hij zet zich eventjes neer op een boomtak, naast een andere buizerd, om een seconde later reeds zijn glijvlucht te vervolgen. Een prille romance vermoed ik. In de weilanden rechts van me, dichter bij de Schelde, zit een enorme groep ganzen. Met de verrekijker kan ik er nog niets met zekerheid van maken; daarvoor is de afstand te groot, vooral bij tegenlicht, maar ik vermoed dat het kolganzen zijn.
In de verte zie ik een tot ooievaarsnestpaal gereduceerde boom. Er bevindt zich geen nest op, maar wat niet is, kan nog komen. Wat verder ontwaar ik een tweede boomstam waarvan de kruin is geamputeerd. Ook daarop ligt een rond platform vruchteloos te wachten op een op stelten lopende bewoner. Het doet me denken aan een oude vrijgezel die vruchteloos wacht op de liefde van zijn leven. Een torenvalk gebruikt hem voorlopig als uitkijkpost. Wellicht is hij te uitgeput om al vliegend te jagen na al die ellendig natte dagen.
Een vrouw met een loslopende hond bekijkt me enigszins argwanend, zoals ik daar met mijn verrekijker in de aanslag sta. Misschien ben ik wel een potloodventer die zich als vogelaar heeft vermomd. Ook dat is vaste prik bij een wandeling in relatief eenzaam gebied. Of heeft ze schrik dat ik een boswachter ben die haar zal berispen om haar loslopende hond?
Het onverharde gedeelte van Vaerebeke voert me voorbij een bord dat het begin van het beschermd landschap aankondigt. ‘Beschermd door wie en waartegen?’ vraag ik me af, want wie kan deze Scheldemeersen vrijwaren voor de volgende hittegolf en de bijbehorende periodes van extreme droogte?
Links liggen private visvijvers en rechts de weilanden met de winterganzen. Honderden kolganzen zitten er in gezelschap van grauwe ganzen, nijlganzen en bergeenden. Ik waan me even in de Damse polders. In de grote vijver aan de andere kant van het pad klinkt het kabaal van een troep Canadese ganzen. Ook zij zijn voor velen niet welkom, al zijn ze hier geboren en voelen ze zich hier thuis. Ze delen vredig het water met wilde eenden, slobeenden, krakeenden en een eenzame wintertaling. Even verderop dobberen enkele tientallen meerkoeten. En er zit zowaar een ooievaar op nog zo’n boompaal. Het nest onder zijn lange poten ziet er nog jong uit. Private visvijvers zijn toch ergens goed voor.
Gealarmeerd door een overvliegende blauwe reiger verspillen de kolganzen hun kostbare energie door massaal op de vlucht te slaan. Het zou maar eens een zeearend wezen. Beter honderd keer onnodig de lucht ingaan dan éénmaal blijven zitten op het verkeerde moment.
Een smal paadje zonder naam brengt me terug naar de Schelde. Terwijl ik achtereenvolgens een blauwe reiger in het vizier neem en terugstaar naar een nijlgans die het boze oog op me heeft gericht, is daar terug de dame met de loslopende hond. Ze heeft hetzelfde rondje gemaakt als ik, maar dan in tegenwijzerzin. Ze maant haar hond aan om te zitten en doet hem een leiband om. Als ik hen passeer, wil hij nieuwsgierig naar me toe springen. ‘Nee, dat zal je niet doen!’ snerpt haar stem terwijl ze hem terugtrekt. ‘Foei!’ voegt ze er kleuterjufgewijs aan toe. Ik denk aan hoe mijn jongste zoon zijn speelse hond aanpakt in een dergelijke situatie. Hij laat haar zitten, hurkt naast haar neer en houdt haar halsband vast. Terwijl hij haar flanken streelt, zegt hij zachtjes: ‘blijf’. En dat doet ze. Loslopen in de Scheldemeersen is geen deel van haar opvoeding.
De fietssnelweg langs de rivier is recent van een nieuwe asfaltlaag voorzien. Ik ga opzij voor een bende luidruchtige wielerterroristen die nooit plaats genoeg hebben. Ik betrap een sperwer die me zit aan te gluren vanop een hoge tak in een kale es. Van zodra ik terug gluur, vliegt hij ervandoor. De zon verspreidt de warmte van een lentedag, al is het nog midden in de winter.
Ik ben terug bij mijn beginpunt. Er zitten geen ganzen meer naast het Waterratstraatje en ook de ooievaar en de reigers zijn verdwenen. Enkel een koppeltje bergeenden houdt nog stand. Aan de overkant zingt nog steeds de grote lijster. De Kriephoek is zijn domein. Geen soortgenoot die hem tegenspreekt.