Ik lijd aan filefobie. Het lijkt op claustrofobie en het overvalt me tijdens verkeersopstoppingen. Om de opkomende benauwdheid annex woedebuien de baas te blijven, heb ik tal van copingstrategieën zoals daar zijn: circulaire ademhaling, boventoonzang oefenen, Mongoolse keelzangen produceren of mondharmonica spelen. Maar vaak is er een natuurlijke afleiding, namelijk de middenberm. Vooral in het voorjaar kan deze me soms de broodnodige troost bezorgen.
Op een keer geraakte ik maar niet van de N60 af. Vanuit Gent wilde ik afslaan richting Gavere. Telkens er ergens in de verte een groen licht te zien was, stond het verkeer stil. Bij rood ging het enkele autolengtes vooruit. En dat bleef zich maar herhalen. Maar in de berm stond vogelmelk te bloeien, heel veel vogelmelk. Ze stond er prachtig bij. Sindsdien noem ik deze voorjaarsbloeier in gedachten ‘middenbermtroost’.
Al rijdend mag mijn aandacht niet te veel richting bermen gaan, maar al voortkruipend is daartegen geen bezwaar. Dan mag ik me laven aan de witte linten van bloeiend Deens lepelblad, de gele bloemen van grote zandkool of aan de paarse overvloed van luzerne. Het is verbazend wat er in zij- en tussenbermen allemaal groeien en bloeien kan. Soms zie je lange stroken zilte schijnspurrie die zich over de rand van het asfalt wagen, andere keren een zeldzame gevlekte orchis of een paarse vlek die tijdens een latere inspectie een populatie kromhals blijkt te zijn.
De flora van de middenbermen kan me nog op een andere manier troosten, namelijk al fietsend. Elke rechtgeaarde fietser kent dat wel: zo’n mooi, breed fietspad dat echter langs een drukke weg ligt en je maar al te vaak door de lelijkheid van een industriepark of een verpauperde woonwijk loodst. De alternatieve routes zijn meestal heel wat kilometers langer, dus neem je toch maar weer dat fietspad langs die rotbaan. Gelukkig is er dan vaak een grazige berm tussen het fietspad en de rijweg, waarop je soms botanische schatten kan ontdekken. Bijenorchissen langs de N60, hondskruid en rapunzelklokje langs de N35, voedselarme plantengemeenschappen met zilverhaver, zandhoornbloem, liggende klaver en klein vogelpootje … Met hun stille esthetiek maken ze het kabaal van het voortrazende verkeer draaglijker. Soms gaat het maar om een klein bosje wilde tijm, een andere keer om uitbundig bloeiende keizerskaarsen of de onverwachte aanwezigheid van fijne kervel.
Er is ontzettend veel lelijkheid in het uithoekje van de wereld waarin we wonen, maar in de bermen tonen de wilde planten ons dat er ook schoonheid te vinden is op onverwachte plekjes. Als de bermen maar niet te vroeg in het voorjaar gemaaid worden, want dan zien ze er troosteloos uit en voel ik me een tijdlang ontroostbaar.