Een zonnige woensdagochtend, een droge dag, meer dan welkom na het verkillende, natte weer van de dagen voordien. Na te veel dagen vooral binnen zitten, heeft mijn hoofd dringend nood aan buitenlucht, mijn lichaam aan beweging. Ik kies voor een wandeling in de Scheldemeersen tussen Eke Sluis en Zevergem; de steile flanken van de Hotond en de Muziekberg zijn immers te glibberig door de regen van gisteren. En eergisteren.
Op de parking tegenover Veevoeders Franchon is altijd plaats. Honderd meter verder is het Waterratstraatje, maar terwijl ik die richting uit ga, hoor ik vanaf de overkant van de rivier de eerste grote lijster van het jaar. De Kriephoek is zijn territorium.
In het drassige weiland langs de Waterratstraat grazen een tiental rietganzen. Een grote zilverreiger staat lui te zonnen. Even verderop zie ik er nog een. Wat op het eerste gezicht op een groot stuk plastiek in een gracht leek, komt in beweging. Het is een ooievaar. Een blauwe reiger houdt de omgeving in de gaten. In de ruigte achter de prikkeldraad zitten nog drie soortgenoten van hem, half verborgen. In het weiland daarachter jagen twee loslopende honden een stel zilvermeeuwen de lucht in. Mijn mederecreanten fietsen elektrisch aan dit alles voorbij.
De wereld lijkt weer even zoals hij altijd zou moeten zijn. Er is nog hoop. Blauwe reigers waren zeldzaam toen ik klein was. Grote zilverreigers bestonden enkel in mijn fantasie en in mijn vogelgids. Om ooievaars te zien, moest je naar het Zwin. Daar werden ze gekweekt en daar zaten de reigers te suffen in grote kooien. Nu lopen ze hier zomaar vrij te zijn, dicht bij huis, in een halfnatuurlijk stukje in het werkingsgebied van de afdeling Natuurpunt Bovenschelde.
Twee straatjes verder, in de Koedreef, kom ik bij een modderpad dat parallel loopt met de Schelde. Aan het begin daarvan staat een verkeersbord: verboden toegang voor auto’s en paarden. Nazarethse humor, vermoed ik. Zelfs de grootste gek met een 4×4 zou zich hier niet in wagen. Links zit een grote groep bergeenden in het obligate gezelschap van een stel nijlganzen. Ook die waren er niet toen ik klein was. Ze worden nog steeds beschouwd als vreemde eenden in de bijt, al gaat het intussen reeds om dertigste generatie nazaten. Ik hoor een ‘vliegende kat’. Hij zet zich eventjes neer op een boomtak, naast een andere buizerd, om een seconde later reeds zijn glijvlucht te vervolgen. Een prille romance vermoed ik. In de weilanden rechts van me, dichter bij de Schelde, zit een enorme groep ganzen. Met de verrekijker kan ik er nog niets met zekerheid van maken; daarvoor is de afstand te groot, vooral bij tegenlicht, maar ik vermoed dat het kolganzen zijn.
In de verte zie ik een tot ooievaarsnestpaal gereduceerde boom. Er bevindt zich geen nest op, maar wat niet is, kan nog komen. Wat verder ontwaar ik een tweede boomstam waarvan de kruin is geamputeerd. Ook daarop ligt een rond platform vruchteloos te wachten op een op stelten lopende bewoner. Het doet me denken aan een oude vrijgezel die vruchteloos wacht op de liefde van zijn leven. Een torenvalk gebruikt hem voorlopig als uitkijkpost. Wellicht is hij te uitgeput om al vliegend te jagen na al die ellendig natte dagen.
Een vrouw met een loslopende hond bekijkt me enigszins argwanend, zoals ik daar met mijn verrekijker in de aanslag sta. Misschien ben ik wel een potloodventer die zich als vogelaar heeft vermomd. Ook dat is vaste prik bij een wandeling in relatief eenzaam gebied. Of heeft ze schrik dat ik een boswachter ben die haar zal berispen om haar loslopende hond?
Het onverharde gedeelte van Vaerebeke voert me voorbij een bord dat het begin van het beschermd landschap aankondigt. ‘Beschermd door wie en waartegen?’ vraag ik me af, want wie kan deze Scheldemeersen vrijwaren voor de volgende hittegolf en de bijbehorende periodes van extreme droogte?
Links liggen private visvijvers en rechts de weilanden met de winterganzen. Honderden kolganzen zitten er in gezelschap van grauwe ganzen, nijlganzen en bergeenden. Ik waan me even in de Damse polders. In de grote vijver aan de andere kant van het pad klinkt het kabaal van een troep Canadese ganzen. Ook zij zijn voor velen niet welkom, al zijn ze hier geboren en voelen ze zich hier thuis. Ze delen vredig het water met wilde eenden, slobeenden, krakeenden en een eenzame wintertaling. Even verderop dobberen enkele tientallen meerkoeten. En er zit zowaar een ooievaar op nog zo’n boompaal. Het nest onder zijn lange poten ziet er nog jong uit. Private visvijvers zijn toch ergens goed voor.
Gealarmeerd door een overvliegende blauwe reiger verspillen de kolganzen hun kostbare energie door massaal op de vlucht te slaan. Het zou maar eens een zeearend wezen. Beter honderd keer onnodig de lucht ingaan dan éénmaal blijven zitten op het verkeerde moment.
Een smal paadje zonder naam brengt me terug naar de Schelde. Terwijl ik achtereenvolgens een blauwe reiger in het vizier neem en terugstaar naar een nijlgans die het boze oog op me heeft gericht, is daar terug de dame met de loslopende hond. Ze heeft hetzelfde rondje gemaakt als ik, maar dan in tegenwijzerzin. Ze maant haar hond aan om te zitten en doet hem een leiband om. Als ik hen passeer, wil hij nieuwsgierig naar me toe springen. ‘Nee, dat zal je niet doen!’ snerpt haar stem terwijl ze hem terugtrekt. ‘Foei!’ voegt ze er kleuterjufgewijs aan toe. Ik denk aan hoe mijn jongste zoon zijn speelse hond aanpakt in een dergelijke situatie. Hij laat haar zitten, hurkt naast haar neer en houdt haar halsband vast. Terwijl hij haar flanken streelt, zegt hij zachtjes: ‘blijf’. En dat doet ze. Loslopen in de Scheldemeersen is geen deel van haar opvoeding.
De fietssnelweg langs de rivier is recent van een nieuwe asfaltlaag voorzien. Ik ga opzij voor een bende luidruchtige wielerterroristen die nooit plaats genoeg hebben. Ik betrap een sperwer die me zit aan te gluren vanop een hoge tak in een kale es. Van zodra ik terug gluur, vliegt hij ervandoor. De zon verspreidt de warmte van een lentedag, al is het nog midden in de winter.
Ik ben terug bij mijn beginpunt. Er zitten geen ganzen meer naast het Waterratstraatje en ook de ooievaar en de reigers zijn verdwenen. Enkel een koppeltje bergeenden houdt nog stand. Aan de overkant zingt nog steeds de grote lijster. De Kriephoek is zijn domein. Geen soortgenoot die hem tegenspreekt.


