Steltmuggen

Steltmuggen

Zoals in de vorige Meander aangekondigd gaan we de boel op stelten zetten, en hoe kunnen we dat beter dan met steltmuggen? Wanneer je dit artikel leest is de prille herfst in het land, en dat is een goed moment om leden van deze muggenfamilie eens op te zoeken. Ze vliegen namelijk vooral van de herfst tot de lente. Steltmuggen of Limoniidae vind je vooral op vochtige plekken, zoals op mos of rottende houtstronken in het bos. Hun eitjes zetten ze ook vooral af in die habitat (vochtige grond, water). Geen angst voor steken, dat doen ze niet.

Steltmuggen lijken wat op langpootmuggen (Tipulidae), maar zijn kleiner (lichaamslengte 5-15 mm). Hun snuit (rostrum) is niet zo lang (anatomisch gezien zijn de palpen korter), en ze houden hun vleugels in rust gevouwen over het achterlijf (langpootmuggen houden die gespreid). Taxonomisch behoren Limoniidae en Tipulidae beide tot de Tipuloidea (in het Engels ‘craneflies’ genoemd).

1. Moerasdriestip © Johan Raes
1. Moerasdriestip © Johan Raes

Wereldwijd zijn er meer dan 10.000 soorten gekend, in West-Europa enkele honderden. Volgens de recentste (mij gekende) bron zouden er in België 176 soorten gekend zijn. In de lente zijn er trouwens voor België nog 11 nieuwe soorten toegevoegd. Deze muggen zijn tot nu toe ook nog weinig bestudeerd, hun onopvallendheid en frêle lichaam zullen daar niet vreemd aan zijn. Determinatie tot op soortniveau vereist ook dikwijls microscopisch onderzoek (bino). Dan is dikwijls het hypopygium (geslachtsdeel) van mannetjes bepalend. Niet voor leken dus. We kunnen opmerken dat de familie Limoniidae soms ook wel eens een parafyletische groep genoemd wordt (cfr. fylogenetica). Dat betekent dat ze alle een gemeenschappelijke voorouder delen, maar dat niet alle nakomelingen ervan ook in de groep zijn opgenomen. Eigenlijk komt het er op neer dat er voor experts nog veel werk aan de winkel is.

Dat betekent niet dat het niet de moeite waard zou zijn om ze te fotograferen en de foto’s op te laden naar waarnemingen.be. Tip: onder meer de antennes, vleugeltekening of vleugeladering kunnen belangrijk zijn voor determinatie.

2. Tuindriestip © Johan Raes
2. Tuindriestip © Johan Raes

Ze hebben een belangrijke functie in het ecosysteem. Enerzijds zijn het detrivoren (afvaleters), de larven breken dus organisch materiaal af, ze eten onder meer plantenresten, schimmels, rottend hout. Anderzijds zijn zowel de larven als de volwassen dieren een eiwitbron voor andere (grotere) diersoorten (vissen, amfibieën, spinnen, vogels, …).

Welke families en genera vinden we bij ons terug? Alvorens een overzicht te geven wil ik er op wijzen dat vele Nederlandse namen nog maar een paar jaar geleden werden toegekend. Ik zal ze hier ook gebruiken, maar zelf vind ik de Latijnse benamingen nog altijd het meest overzichtelijk.

4. Zwarte trilmug © Johan Raes
4. Zwarte trilmug © Johan Raes

Het geslacht Limonia is gemakkelijk herkenbaar aan de vlekken of banden op de vleugels.

De moerasdriestip (Limonia phragmitidis) (1) is zeer algemeen.

5. Bosringvleugel © Johan Raes
5. Bosringvleugel © Johan Raes

En de namen tuintweestreep (Limonia hercegovinae) en tuindriestreep (Limonia nubeculosa) (2) geven al een indicatie waar die onder meer te vinden zijn.

Het geslacht Dicranomyia kenmerkt zich door hun gedrag. Deze muggen hebben de gewoonte om in stilstand op en neer te bewegen, vandaar dat ze ook wel eens trilmuggen genoemd worden.

6. Bruine kraagsteltmug © Johan Raes
6. Bruine kraagsteltmug © Johan Raes

De borststreeptrilmug (Dicranomyia modesta) (3) en de zwermtrilmug (Dicranomyia chorea) zijn de meest algemene soorten. Ik stel vast dat waarnemingen.be ook de geelvleugeltrilmug (Dicranomyia luteipennis) waarmerkt als zeer algemeen voorkomend, maar er valt vreemd genoeg geen enkele waarneming onder. Misschien word jij de eerste waarnemer?

Ook nog algemeen is de fraaie zwarte trilmug (Dicranomyia morio) (4).

7. Gewone pijlstaartmug © Johan Raes
7. Gewone pijlstaartmug © Johan Raes

Het geslacht Epiphragma telt hier maar één soort, de bosringvleugel (Epiphragma ocellare) (5). Maar deze fraaie mug is wel zowat de grootste steltmug die je hier vindt.

Het geslacht Pseudolimnophila telt maar twee (zeldzame) soorten. Ik had ooit het geluk een bruine kraagsteltmug (Pseudolimnophila sepium) (6) te kunnen spotten.

8. Populiergeelhaltertje © Johan Raes
8. Populiergeelhaltertje © Johan Raes

Het geslacht Austrolimnophila telt hier 2 zeer zeldzame species, en ook de algemene gewone pijlstaartmug (Australolimnophila ochracea) (7).

Het geslacht Gnophomyia heeft één zeer zeldzame soort, het naaldboomgeelhaltertje (Gnophomyia lugubris), en het algemene populiergeelhaltertje (Gnophomyia viridipennis) (8).

9. Ilisia maculata © Johan Raes
9. Ilisia maculata © Johan Raes

Het (gele) haltertje waarnaar verwezen wordt, betreft het kleine, knotsvorige orgaantje dat de mug (zoals ook sommige andere muggen/vliegen) gebruikt als biologische gyroscoop (evenwicht). Je ziet het onderaan de vleugelbasis.

Beide soorten zijn eigenlijk op foto nauwelijks te onderscheiden. De foto hierbij is genomen in het Lozerbos, waar deze mugjes soms massaal voorkomen, en is dan ook goedgekeurd als aannemelijk G. viridipennis.

10. Stronkviervlek © Johan Raes
10. Stronkviervlek © Johan Raes

Ilisia is een geslacht met Ilisia maculata (9) (aha, nog geen Nederlandse naam!) als algemeen voorkomend.

Neolimonia kent hier enkel de stronkviervlek (Neolimonia dumetorum) (10).

11. Tweekleurige steltpoot © Johan Raes
11. Tweekleurige steltpoot © Johan Raes

Van het geslacht Pilaria kan ik de tweekleurige steltpoot (Pilaria discicollis) (11) voorstellen.

Het geslacht Molophilus (‘molletjes’) telt hier een 20-tal soorten. Ik had ooit het geluk om een zwarthaarmolletje (Molophilus niger) (12) te kunnen fotograferen op bemoste boomschors langs de Schelde. Wil je die ook spotten, dan moet je goed uitkijken, het is een millimetergeval.

12. Zwarthaarmolletje © Johan Raes
12. Zwarthaarmolletje © Johan Raes

Het geslacht Chionea moet je hier niet zoeken. Chionea belgica vind je (in de winter) maar op een paar plaatsen in het zuidoosten van het land. Spijtig genoeg vooral op de Hoge Venen, en we weten allemaal wat daar is gebeurd…

Volgende keer gaan we het pad van de insectenwereld even verlaten, en schakelen we over van zespoten naar achtpoten, om kennis te maken met een (grotendeels) onzichtbare wereld vol vreemde wezentjes.

Bronnen

  1. Voor enkele interessante bronnen en info zie site ccw.naturalis.nl.
  2. BEUK P., SOORS J, D’OLIVEIRA M., PEETERS K., DEK, N-J. MENTEN J., SCHMITZ L., LAMBERTS S., WIJKER A. OOSTERBROEK P. (2026) – Negentien steltmuggen (Diptera: Limoniidae) nieuw voor België en/of Nederland – Phegea 54(1)
Bramentuin in Schorisse heringericht

Bramentuin in Schorisse heringericht

Het Leader-project ‘Biodiversiteitstuinen’ is een Europees plattelandsfonds dat plattelandsprojecten ondersteunt in diverse Europese regio’s, waaronder de regio Vlaamse Ardennen en Dender. Het project voorziet in de heraanleg en herwaardering van verschillende plantenverzamelingen in eigendom en beheer van Natuurpunt. Deze zijn eerder aangelegd om de soortendiversiteit van bomen en struiken te behouden; soorten die kenmerkend of uniek zijn voor de streek.

Door de tijd heen zijn deze verzamelingen achteruitgegaan, waardoor een opwaardering aan de orde was. Het betreft een Rubicetum (bramenverzameling) in Schorisse, een Salicetum (wilgenverzameling) in Zingem, een genenbank van inheemse en streekeigen bomen en struiken in Ename en een hoogstamboomgaard in Brakel. De verzamelingen worden uitgebreid met een wilde rozenverzameling (Rosetum) in Ename. Tegelijk worden hieraan verschillende biodiversiteitstuinen toegevoegd die door derden worden beheerd of aangelegd, waaronder een hoogstamboomgaard in Nukerke, een leifruitverzameling in Ename en een wilgenverzameling in Zwalm. Voorts wordt uitgekeken naar een Populetum (populierenverzameling). Alle biodiversiteitstuinen worden toegankelijker voor leken en krijgen een educatieve inrichting. Het geheel zal worden vervat in een kleine brochure en worden gekoppeld aan een fietsroute die de verschillende verzamelingen aandoet. De opening is voorzien in het voorjaar van 2027.

Even terug in de tijd, namelijk naar Meander nr. 4 van 2010, met daarin een artikel van Karel De Waele: “Zondag 22 augustus was voor broeder Joris De Ruyver, voor Anne Fobert, Ronny De Clercq, voor Natuurpunt Vlaamse Ardennen plus en voor de batologie (de studie van de bramen) in Vlaanderen een feestdag. Op zijn 97ste mocht broeder Joris het immers meemaken dat een oude droom van hem uiteindelijk gerealiseerd werd: de opening van een ‘levend herbarium’, een echte tuin met een 40-tal bramensoorten uit de Vlaamse Ardennen en omgeving, door hem met de hulp van Anne en Ronny ingezameld, zorgvuldig in bloempotten opgekweekt en via een omweg aan de rand van het Bos t’Ename uiteindelijk uitgeplant in de Bramentuin in Maarkedal.”

Deze grootste bramentuin van Vlaanderen werd nu heraangelegd en klaargemaakt om begin volgend jaar opnieuw open te gaan.

Bezoekers aan de bramentuin leren er onder meer dat bramen veel meer zijn dan één soort. Er zijn in Europa meer dan 750 soorten bramen beschreven. De Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en aangrenzende gebieden (2023) schat dat er in dat gebied meer dan 300 soorten bramen voorkomen. Met de tabel in het boek zouden 80 à 90% van de gevonden bramen kunnen worden gedetermineerd. De verschillen zitten in het aantal en de vorm van de blaadjes, de grootte en smaak van de vruchten en de groei- en bloeiwijze. Het voorkomen van sommige soorten is zelfs beperkt tot de Vlaamse Ardennen.

Door de term ‘verbraming’ van onze natuur hebben bramen vaak een negatieve reputatie, maar die is niet altijd terecht. Bramen zijn natuurlijk vooral gekend wegens de lekkere bessen die niet alleen door mensen gegeten worden, maar ook door veel diersoorten. De bloemen zijn een belangrijke nectarbron en de bladeren zijn gegeerd door b.v. reeën, zeker in de winter. Daarnaast hadden bramen vroeger ook praktische toepassingen. Zo werd de koebraam soms als natuurlijke omheining gebruikt. Bovendien heeft deze soort zeer mooie bloemen én lekkere bessen.

De heraanleg is begin dit jaar gestart. Bezoekers zullen de bramen van dichtbij kunnen bekijken én proeven. Ook het plukken van de vruchten is toegestaan, maar niet om in grote hoeveelheden mee te nemen.

De tuin krijgt daarnaast ook educatieve elementen zoals infoborden en insectenhotels, om de rol van bramen in de biodiversiteit te tonen. Soorten die sterk op elkaar lijken, verdwijnen uit de collectie. De meest kenmerkende en opvallend verschillende soorten blijven.

De tuin is gratis te bezoeken, maar begeleide wandelingen zijn ook mogelijk.

Natuur voor iedereen: Buur en Natuur in de Vlaamse Ardennen

Natuur voor iedereen: Buur en Natuur in de Vlaamse Ardennen

Dat de natuur er voor iedereen is, lijkt evident, maar toch vindt niet iedereen de weg. In het project Buur en Natuur gaan anderstalige nieuwkomers en natuurliefhebbers samen op pad in de Vlaamse Ardennen. Zo maken deelnemers op een ongedwongen manier kennis met elkaar, de natuur én met Natuurpunt.

Voor veel nieuwkomers is de stap naar de lokale natuur en naar een natuurvereniging nog groot. Nochtans is de natuur een ideale plek om tot rust te komen, nieuwe mensen te ontmoeten en op een spontane manier Nederlands te oefenen. Buur en Natuur biedt deelnemers de mogelijkheid om via natuuractiviteiten een sociaal netwerk uit te bouwen, de omgeving op een andere manier te leren kennen en een band te ontwikkelen met de buurt en de regio.

De komende drie jaar worden vijf reeksen georganiseerd, verspreid over de Vlaamse Ardennen. Een reeks bestaat uit verschillende wandelingen en activiteiten, met natuur en sociale interactie als rode draad. Dit kan gaan van een vogelwandeling over het bezoek aan een watermolen tot het maken van een insectenhotel.

De eerste reeks ging op 14 september van start in regio Oudenaarde met Natuurboerderij Bos t’Ename als uitvalsbasis. De deelnemers en begeleiders kregen een rondleiding op de boerderij en bakten samen pizza’s. De start was veelbelovend en we kijken uit naar een boeiend vervolg.

Het project staat open voor iedereen. Dus heb je zin om mee te wandelen, te helpen met de organisatie van activiteiten of het project te leren kennen? Wees welkom! Je hoeft geen doorgewinterde natuurgids of diversiteitsexpert te zijn. Een open houding, enthousiasme en een hart voor mensen zijn veel belangrijker. Natuuracademie zorgt voor de nodige ondersteuning en omkadering. Ook afdelingen en gidsen die graag meer willen leren over mogelijke drempels en obstakels bij natuurbeleving en hoe deze toegankelijk te maken, mogen aankloppen.

“In het begin ben je een heel diverse groep ‘vreemden’. Gaandeweg leer je elkaar beter kennen en kijk je er naar uit om elkaar volgende week weer te zien. De ‘vreemden’ worden medemensen die je een warm hart toedraagt, ongeacht hun afkomst, religie en cultuur. Het bezig zijn in en met de natuur draagt ook bij aan meer liefde en respect voor de natuur, en de appreciatie van de rust en de stilte in de natuur” – quote deelnemer in Klein-Brabant

Interesse? Neem contact op met Iris Buedts, procesbegeleider natuur & diversiteit bij Natuuracademie, via iris.buedts@natuurpunt.be.

Buur en Natuur is een samenwerking van het Europese WSE-netwerk ‘Wij doen mee’, Wij doen mee – Vlaamse Ardennen en al hun partners, Natuurpunt Vlaamse Ardennen plus, Natuurpunt Natuuracademie en andere lokale partners.

Kom mee bomen planten in het natuurgebied het Burreken!

Kom mee bomen planten in het natuurgebied het Burreken!

Natuurpunt kon de afgelopen jaren 17 ha grond verwerven dankzij uitstekende relaties met zijn buren. Een uitbreiding van het natuurgebied zoals we die nog nooit kenden.

De gronden liggen vlakbij het kerngebied van het Burreken, waar Natuurpunt reeds heel wat gronden in eigendom en beheer heeft. Ze vormen zo een quasi aaneengesloten geheel van 50 ha op de grens van Maarkedal, Brakel en Horebeke.

Voortaan beheert Natuurpunt een grote eenheid natuur die ervoor zorgt dat invloeden als erosie en instroom van pesticiden verder worden vermeden in de vallei van de Krombeek, een van de laatste ongerepte beken van de Vlaamse Ardennen en de thuis van de rivierdonderpad en beekprik.

De pas verworven percelen zullen de komende jaren geleidelijk aan worden omgevormd tot halfopen bocagelandschap. Een bocagelandschap is een kleinschalig landschap met graslanden en bosjes, afgewisseld met veel kleine landschapselementen zoals houtkanten, heggen, struwelen, poelen, etc.

Het wordt de thuis van o.m. steenuil, vuursalamander en eikelmuis.

De percelen die we in 2026 aanplanten, zullen bovendien zorgen voor de verbinding tussen het Burreken en de bossen aan Den Daele te Horebeke en verderop Schamperij en Planterij, Natuurpunt-gebieden die tot nu toe klein en geïsoleerd zijn.

Op zaterdag 21 november 2026 geven we alvast het startsein van wat binnen enkele jaren een nieuw landschap wordt. Ook jij kan mee komen aanplanten, want er moeten maar liefst 1.500 inheemse boompjes en struikjes de grond in. Een hele opdracht die we maar kunnen realiseren dankzij jullie hulp.

De jeugdbewegingen, buren, jonge ouders en grootouders met hun (klein-)kinderen zijn welkom om een boompje te planten.

Praktisch

Zaterdag 21 november starten we om 09.00 uur en planten we tot 16.00 uur.

Je kan steeds langskomen op de plantlocatie wanneer het jou past.

Deze is makkelijk te bereiken vanaf de parking ter hoogte van de Groenstraat te Horebeke.

Vandaar is het 15 minuten wandelen langs een bewegwijzerde route.

We vragen om zelf een spade of schop mee te brengen. Voorzie ook laarzen/stevig schoeisel en werkhandschoenen.

Kom bij voorkeur met de fiets of te voet, want de parkeergelegenheid is beperkt.

’s Middags voorzien we soep met een boterham voor de deelnemers.

Hiervoor vragen we je om in te schrijven via: http://npvap.be/a/31192

Gronden verwerven om er natuur van te maken die haar rol kan spelen voor deze en volgende generaties, is de beste garantie op kwalitatieve natuur. Als eigenaar heeft Natuurpunt namelijk meer rechten en mogelijkheden dan als huurder. Zo kunnen we, mits goedkeuring van de bevoegde overheid, een gepaste herinrichting en beheer toepassen om de doelstellingen op het vlak van natuur en biodiversiteit te halen.

De Vlaamse overheid erkent Natuurpunt als partner om natuur te beschermen en voorziet subsidies voor de aankoop van gronden. Zo betaalt ze een deel van de aankoopwaarde terug aan Natuurpunt. Dit model staat echter meer en meer onder druk tijdens deze legislatuur. Daarover kan je meer lezen in deze Meander (campagne ‘Sluit onze natuur niet op’).

Hierdoor moet Natuurpunt zelf extra middelen bij elkaar zoeken om de aankoop financieel rond te krijgen. Recent deden we dan ook een oproep aan onze leden en sympathisanten om deze aankoop te steunen. Dat bracht meer dan 40.000 euro op. Een heel grote bedanking is dan ook op zijn plaats aan alle donateurs.

Maar ook bedrijven deden een duit in het zakje.

Zoals Vicline, een onafhankelijk studiebureau technieken. Zij ontwerpen cruciale systemen om gebouwen optimaal, comfortabel en energiezuinig te laten functioneren en streven naar een harmonieuze integratie in het gebouw en een maximaal rendement.

De zaakvoerder is Stijn Tuytten en hij vond de steun aan Natuurpunt logisch: “Onze filosofie sluit naadloos aan bij de visie van Natuurpunt: waar zij zorgen voor het herstel en beheer van onze natuur, draagt Vicline bij aan het beschermen van ons klimaat via toekomstgerichte technieken. We kijken verder dan de standaardoplossingen en zetten volop in op duurzaamheid en efficiëntie. Wij streven naar een harmonieuze integratie in elk gebouw, waarbij ecologische duurzaamheid altijd vooropstaat.”

Met de steun van velen kan Natuurpunt zorgen voor natuur voor iedereen.

Ecologen worden kunstliefhebbers

Ecologen worden kunstliefhebbers

Dieren duiken al eeuwenlang op in de kunst. Vooral vlinders waren oorspronkelijk populair. De vlinder moest de toeschouwer eraan herinneren dat het leven fragiel en kort is en met de rups die sterft, waarna er een vlinder verschijnt, symboliseerden vlinders ook de verrijzenis. In de 15de eeuw illustreerden vlinders mee de marges van getijdenboeken. Een mooi voorbeeld is het getijdenboek dat de Franse schilder Jean Bourdichon illustreerde aan het einde van de 15de, begin 16de eeuw. Veel planten, vlinders en andere insecten zijn daarop goed herkenbaar (zie voorbeeld kolibrievlinder).

Veel van de grote meesters – onder andere Hans Memling en Hieronymus Bosch – verwerkten soorten zoals de kleine vos in hun schilderijen. Ook vleugels van de koninginnenpage werden vaak afgebeeld. De mooiste afbeeldingen van vlinders waren trouwens eerst in de kunst te vinden; de kwaliteit van de afbeeldingen in meer wetenschappelijke publicaties verbeterde pas later.

Grote rosse vleermuis © Wikimedia
Grote rosse vleermuis © Wikimedia

Naast vlinders werden vogels veel geschilderd. Een overzicht daarvan vind je terug in het uitstekende boek ‘Vliegwerk’ van Matthias Depoorter (2015). Daarin beschrijft hij ook het werk ‘Lucht’ van Jan Breughel de Oude (1568-1625) uit het Louvre. Dit werk uit 1621 maakt deel uit van een serie met als andere elementen Vuur, Water en Aarde. Er werden meerdere series geschilderd, soms ook door de leerlingen van de meester. Op het schilderij dat Depoorter beschrijft, zijn zowel veel inheemse vogels als exotische vogelsoorten goed herkenbaar. De rijken van die tijd lieten van overal ter wereld vogels aanvoeren, onder andere om hun rijkdom te etaleren.

Het Natuurpuntbericht van 8 juli 2026 vestigde echter de aandacht op een artikel1 waarin een versie van ‘Lucht’, daterend van 1611, bewaard in Lyon, beschreven wordt. Op dit schilderij zijn meer dan 60 soorten vogels te zien: 40 inheemse soorten, minstens 14 exotische soorten en een paar huisdieren. Opmerkelijk is dat daarnaast ook vier vleermuizen worden afgebeeld. Wat het schilderij nog meer bijzonder maakt, is dat één vleermuis, ongetwijfeld de grote rosse vleermuis, afgebeeld is met een vogel in de bek. Van deze grote rosse vleermuis (Nyctalus lasiopterus) is nog maar zeer recent bewezen dat ze ook jaagt op kleinere vogels, zoals roodborst en pimpelmees, als deze op trek zijn. Met DNA-analyse kon men tot 30 vogelsoorten herkennen in de uitwerpselen van deze vleermuis. Nu blijkt dat gedrag al in 1611 vastgelegd te zijn op doek!

In tegenstelling tot de gewone rosse vleermuis, komt de grote rosse vleermuis, de grootste vleermuis van Europa, bij ons niet voor. Ze is te vinden in het zuiden van Europa, waar Breughel ze bij eerdere reizen naar Italië kan gezien hebben. Op het schilderij is ook een grootoorvleermuis herkenbaar. De wetenschappers eindigen hun artikel met de opmerking dat “de voortdurende digitalisering van museumcollecties en kunstgalerijen ecologen nieuwe mogelijkheden biedt om deze gegevens efficiënter te raadplegen en te analyseren. Misschien liggen er, net als in het geval van het schilderij ‘Lucht’ van Brueghel de Oude, in kunstwerken nog veel verborgen observaties te wachten om door ecologen ontdekt te worden.” Zo wordt de eeuwenoude wederzijdse beïnvloeding tussen kunst en wetenschap in ere gehouden.

Kolibrivlinder © Wikimedia
Kolibrivlinder © Wikimedia

Een gelijkaardige studie2, gebaseerd op kunstwerken, bestudeerde de verspreiding van de snoek in Europa. Van de snoek bestaat er een noordelijke en een zuidelijke vorm, van elkaar gescheiden door de Alpen. De vorm in Italië werd recent als soort erkend. Deze soort heeft op de flank eerder strepen dan vlekken.

De studie analyseerde afbeeldingen van snoeken in de Europese kunst van de 13de tot het midden van de 20ste eeuw, om na te gaan of de weergegeven verschillen inzicht kunnen bieden in de historische verspreiding van snoeken. Van de 86 bekeken werken met snoeken konden er op basis van kleurpatronen 73 op soortniveau worden ingedeeld. Verschillende Noord-Europese kunstenaars die zuidelijke snoeken afbeeldden, brachten, net zoals Jan Breughel de Oude, enige tijd in Italië door of hadden banden met de Italiaanse kunstwereld.

Referenties

  1. ROMERO-VIDALA P., SANCHEZ-NAVARROB S., TENAC E & CLAVEROA M. (2026) – Natural history on canvas: Brueghel knew about bird-eating noctule bats – PNAS ↩
  2. GIANNICO E., CHIAVINI L., NATAL M., DELLA BINA F., CHIAVONI F., BRUSTENGA L., ARDENGH A., FILONZI M., MARZANO F.N. & LUCENTINI L. (2026) – When art meets nature: understanding the historical distribution of European pikes – Rendiconti Lincei. Scienze Fisiche e Naturali, doi.org/10.1007/s12210-026-01445-6 ↩
De Vlaamse Ardennen een stukje toegankelijker voor mensen met een beperking

De Vlaamse Ardennen een stukje toegankelijker voor mensen met een beperking

Het project ‘Toegankelijke natuur- en recreatiebeleving in de Vlaamse Ardennen’ ontwikkelde verschillende recreatieve activiteiten voor mensen met een beperking die graag actief van de natuur genieten. In 2026 is er een samenwerking van het Bezoekerscentrum Natuurpunt Vlaamse Ardennen – Boembekemolen met Toerisme Oost-Vlaanderen en Toerisme Vlaanderen om twee uitgestippelde wandelingen, offroad, met een rolstoel te beleven in de omgeving van de Boembekemolen.

Het bezoekerscentrum kocht daarvoor twee rolstoelen aan en is vanaf nu een uitleenpunt voor deze rolstoelen. Beide rolstoelen kunnen gehuurd worden voor € 15 voor een halve dag, of € 30 voor een hele dag. Een waarborg van € 100 dient een week op voorhand gestort te worden.

De eerste rolstoel is van het type Joëlette, een rolstoel met 1 wiel waarbij minimaal 3 begeleiders nodig zijn. Deze is gericht op kinderen met een beperking en bestemd om het 2,5 km lange Snuitpad Eddy Eikelmuis te beleven.

De andere rolstoel is een offroad-rolstoel, de Stricker, met een elektrisch aangedreven voorwiel, bedoeld voor een uitgestippelde wandeling van 5 km rond de molen.

© Dieter Lernout
© Dieter Lernout

Meer info (gebruikersovereenkomst, handleiding, info etc.) vind je op de site van het bezoekerscentrum onder ‘zien en doen’, via deze QR-code.

Deze toestellen worden te huur aangeboden vanuit het Bezoekerscentrum. Hoewel de toestellen makkelijk in gebruik zijn, vragen ze enige opvolging, introductie en wat hulp bij vertrek en terugkomst.

Vanuit het bezoekerscentrum wordt een werkgroep van vrijwilligers opgericht die dit project ondersteunt. Taken zijn mede-uitbating, verhuurmomenten opvolgen, infomomenten klanten, onderhoud rolstoelen, etc. Het bezoekerscentrum zoekt dus enkele vrijwilligers die een specifieke opleiding/info krijgen rond de rolstoelen, waarna zij mensen die de rolstoelen willen huren op weg kunnen helpen bij de start van het gebruikersmoment.

Wil jij deel uitmaken van dit project? Contacteer Dieter Lernout, 0477 76 02 48, dieter.lernout@natuurpunt.be.

Meer informatie: Bezoekerscentrum Boembekemolen

Tussen buurtwinkel en supermarkt

Tussen buurtwinkel en supermarkt

Onderweg naar Zwitserland op familiebezoek passeerden we deze zomer de Elzas, ooievaarsland bij uitstek, en daar op een parking langs de autostrade hielden we even een stop om onze boterhammen op te eten. Weinig volk op de ruime, groen ingerichte ruimte met bankjes en bomen: iedereen haast zich naar de cafetaria, de klassieke toeristenval onderweg. We krijgen gezelschap van een ooievaar, voorzichtig steeds dichterbij komend, loerend naar onze maaltijd, duidelijk het schooien gewoon … Een familie met 4 kinderen houdt ook halt en onze tafelgenoot ziet daar meer voordeel in: met een halve sandwich vertrekt hij naar zijn nabije nest ‘op paal’ met 3 jongen. Geklepper klinkt luid boven het geraas van de auto’s. Die ooievaar is bekeerd tot de supermarkt. Zijn buurtwinkel, de graslanden met muizen en sprinkhanen, heeft hij verlaten of die is daar ook verdwenen onder een reusachtig maïsveld.

Later las ik dat men plaatselijk het aantal ooievaarsnesten op palen wil minderen wegens ‘overlast in de reservaten’: de te talrijke ooievaars plunderen de populatie sprinkhanen, maar ook amfibieën, grondbroeders e.a. Langzaam sijpelt de link door met andere ‘sympathieke’ soorten die we tot onze avifauna zijn gaan rekenen en die een link naar de supermarkt vertonen. Je kan aan een lange lijst beginnen, met enige rekbaarheid van kauw en koereiger tot oehoe en zeearend. En geef toe, ook wij hebben onze buurtwinkels opgeofferd voor de o zo makkelijke grootwarenhuizen. Het begon in de Makro tijd met volle parkings en hoevelen onder ons rijden niet tot over de Franse grens om met ‘mijn wagen volgeladen’ met … wijn en bronwater terug te keren.

Ik zal misschien wel een van de weinigen zijn die niet jubelend de supersoorten verwelkomt, met uitzondering van de klimaatvolgers als hop, Cetti’s zanger, bijeneter, Orpheusspotvogel en co. Daar zijn ook de soorten bij die bij hun terugtrek uit Afrika vergeten de rem dicht te halen: en ‘doorschieten’ – slangenarend, grijze wouw, dwergooruil – maar die zich moeilijk definitief zullen vestigen. Ook bij insecten kennen we dat fenomeen. Maar dan is er de groep die zich wel definitief lijkt te vestigen, zowel vogels (koe- en zilverreiger, nijlgans, oehoe…), zoogdieren (wasbeer, bever en hervestiging van wolf, steenmarter en otter) als vissen, insecten… Daarbij zitten ook een pak exoten.

De vraag daarbij blijft de mogelijke invloed op de ‘oude’ soorten: als we het voorbeeld van de oehoe nemen, nu al een wat vertrouwde soort in Vlaanderen en Nederland, met daar een toename van 10 paar in 2010 naar 129! territoria in 2025, waarvan 80% in bossen (bron: Uilen 2025), dan blijven toch wat bedenkingen hangen. Waar die arriveert in de bossen van de Vlaamse Ardennen, verdwijnt de ransuil net als de egel, en vermindert ook de populatie van bosuil aanzienlijk.

Voedselkwantiteit speelt een kapitale rol en daar hebben we weinig zicht op. Naast de favoriete, zeer algemene prooien zoals houtduif en kraaiachtigen, behoren ook holenduiven, spechten en zelfs jonge hazen en vossen tot het dieet. Het speelt een rol dat de nieuwkomers weinig kieskeurig zijn: als de uilen in het bos opgegeten zijn, schakelen ze over naar een ander bos of nemen ze ratten (tot 90% in de buurt van bewoning!) in hun menu op, onuitputtelijk … Overschakelen naar de stad lijkt een kwestie van tijd; met daar grote voorraden aan ratten, duiven, kauwen e.a. is het daar een gedekte tafel. Nestelen doen ze hier en daar al in gebouwen of op een kunstrots in een pretpark. Oehoes in de stad zijn in Duitsland al relatief algemeen.

Net als bij de ooievaars van in het begin, hebben koereigers de neiging ‘om op te ruimen’: het is een soort die graag in groep foerageert en in gestrekte formatie door hooilanden marcheert en kikkers, sprinkhanen en jonge vogels in één doortocht binnenspeelt. Laat die maar eens los in onze snippers van intensief beheerde reservaten … Ze doen me denken aan de Romeinen die Europa veroverden … We tasten nog in het duister over de impact op de ‘kleinschalige oude natuur’, de buurtwinkel.

Voedsel is cruciaal, denk aan de zeearend, die zich kon vestigen, steunend onder meer op de toename van vele ganzensoorten met jongen, maar dat voedsel is tegelijk ook de basis van het verdwijnen van soorten. Daarbij komen onze, nu allicht te laat vertroetelde akkervogels in zicht: waar ooit bij het oogsten van graan op de overblijvende stoppel nog een hele wintervoorraad achterbleef, is dat nu opgedroogd door betere oogsttechnieken en andere bedrijfsvoering waarbij stoppels ingezaaid worden met groenbemesters. Weg ringmussen, leeuweriken, kneus en gorzen, wellicht stilaan onbekende soorten voor een erg nabije toekomst. Andere soorten lijden mee, als voorbeeld in ‘mijn winkel’: in Wortegem vormden in 2002 vogels in de braakballen van ransuilen op het einde van de winter dikwijls meer dan de helft van de prooien. Deze werden op de slaapplaatsen gevangen, juist op tijd om bij het einde van de winter het gebrek aan muizen op te vangen en toen nog een populatie uilen te redden?

We beleven een ongelofelijke schaalvergroting, dichtbij en wereldwijd, en dat resulteert in een snelle verarming van de natuur. Ik kijk dan ook wat argwanend naar de euforie bij het verschijnen van de ‘grote nieuwe’ soorten. Soms lijkt men die te bejubelen om het grote verlies te verdoezelen met een wereld van superaanbiedingen, net als in de grootwarenhuizen, en misschien werkt dat zelfs wel (“het gaat toch goed met de natuur, de zeearend is terug”). Mijn vrees is dat we net als met de buurtwinkel, straks hopeloos overgeleverd zijn zonder verweer aan ‘de groten der aarde’, en dat natuur daarbij compleet ondergeschikt zal zijn, of het nu al is. Wanneer gaan we eindelijk eens natuur op landschapsschaal bekijken en de natuur de ruimte geven om zichzelf te gaan reguleren over grote oppervlakte?

‘Voedselzekerheid’ = ‘Boerenbedrog’?

We schreven in het vorige nummer over de voedseloverschotten in de landbouw en het terugkerende argument van de landbouw dat ze voor voedselzekerheid zorgen. Dit argument kwam weer aan bod nadat minister Depraetere (Vooruit) geopperd had dat er te veel landbouwgrond was.

Een Nederlandse studie stelt het argument van de voedselzekerheid (nog maar eens) in vraag. Ongetwijfeld gaat dit ook op voor de Vlaamse landbouw. Het artikel zelf is niet gratis te vinden op het internet, maar op de site van Wageningen University & Research (WUR) is wel een samenvatting te vinden1. Uit die studie blijkt dat de Nederlandse bijdrage aan de wereldwijde voedselvoorziening veel beperkter is dan wordt gedacht.

Door niet alleen de producten die Nederland uitvoert mee te tellen, maar ook het voedsel, het veevoer en de landbouwgrond die Nederland via import uit het buitenland gebruikt, krijgt men zicht op de nettobijdrage van Nederland aan de voedselvoorziening.

De Nederlandse landbouw gebruikt in eigen land ongeveer 1,6 miljoen hectare landbouwgrond. Daarnaast is voor de huidige voedselproductie, consumptie en export nog eens ongeveer 4,7 miljoen hectare landbouwgrond in het buitenland nodig. Die grond wordt daar vooral gebruikt voor de productie van veevoer dat Nederland importeert. Nederland exporteert dus wel veel landbouwproducten, maar importeert per saldo meer calorieën en eiwitten dan het exporteert. Het is dus maar de vraag of dit strategisch zo interessant is.

Uit de analyse blijkt dat Nederland het huidige voedingspatroon van de eigen bevolking wel in eigen land kan produceren, op voorwaarde dat producten die hier niet of nauwelijks kunnen worden geteeld, worden vervangen door lokaal beschikbare alternatieven. Daarvoor is dan wel alle beschikbare landbouwgrond nodig. Er blijft dan geen ruimte over voor voedselproductie voor export, noch voor andere maatschappelijke doelen, zoals duurzame bio-grondstoffen, bio-energie of extra natuur.

De studie pleit er uiteraard niet voor om voedselhandel af te schaffen. Handel kan nuttig zijn, bijvoorbeeld wanneer producten niet in Nederland kunnen worden geteeld, zoals koffie of citrusfruit. De toekomstige voedselexport moet volgens de onderzoekers vooral plantaardig zijn. Dierlijke producten passen binnen zo’n systeem als dieren vooral regionaal beschikbare biomassa eten die niet geschikt is voor directe menselijke consumptie.

De onderzoekers deden geen onderzoek naar wat de economische gevolgen zijn van andere keuzes in landbouw, handel en consumptie, of wat die keuzes betekenen voor het sociaal welzijn. De uitkomsten laten dus vooral zien wat er vanuit landgebruik, voedselstromen en voedingswaarde mogelijk is, en waar de grenzen van het huidige landbouwbeeld en -beleid liggen.

Over landbouw nog dit: eind juli ging premier De Wever op bezoek bij de grote landbouwbeurs in Libramont.2 Hij stelde daar dat duurzaamheidsdoelstellingen in de landbouw wel belangrijk zijn “maar we moeten wel realistisch blijven” en hij vond de landbouwer “de beste bewaker van het landschap”. Na afloop volgde nog een lunch, niet met de boeren, maar met de CEO’s van de agrovoedingssector…

Voor wie het nog eens anders wil horen3!

Referenties

  1. https://www.wur.nl/nl/nieuws/voedt-nederland-de-wereld-studie-zet-vraagtekens-bij-bekend-landbouwbeeld ↩
  2. https://vilt.be/nl/nieuws/premier-de-wever-op-libramont-landbouw-is-een-sector-in-crisis ↩
  3. https://www.youtube.com/watch?v=PttkL2GuLQQ ↩
Zoals dikwijls:te laat, te weinig aan natuur gedacht …

Zoals dikwijls:te laat, te weinig aan natuur gedacht …

Even wat groene rimpels in de berichtgeving: Natuurpunt samen met, jawel, de Boerenbond, merken op dat het misloopt met de fermettenrage in ons Vlaamse landschap.

Wie niet ziende blind is, ervaart ook wel dat ons landschap snel uitgekleed wordt, met voorkeur in de nog mooiste landschappen. Een van de oorzaken: boerderijen waar de bedrijfsvoering stopt, worden (tegen hoge prijzen) verkocht voor villa- en fermettenbouw. De rust en het groen zijn een meerwaarde geworden, verstaanbaar misschien, maar terecht?

Biodiversiteitsverlies

Dat bij de ‘herinrichting’ ontzettend veel natuur verloren is gegaan, bleef onder de radar in het nieuws en in het beleid. Zonder noemenswaardige tegenstand van openbare besturen bij het verlenen van de vergunningen volgt dan, gelukkig niet altijd, maar meestal wel, de kaalslag: oude bomen, boomgaarden en gebouwen weg, tabula rasa met letterlijk ‘egalisering’ van het terrein. Je kan het ook legalisering van de natuurafbraak noemen = doe maar. Wie het door een groene bril bekijkt, ziet daar moeizaam opgebouwde oude natuur uit het Vlaamse landschap verdwijnen, stapstenen voor vogels, vleermuizen, zoogdieren enz. Het heeft in de vogelwereld vrijwel zeker een groot aandeel in het verdwijnen van soorten als zwaluwen, steenuilen, lijsters, mussen en roodstaartjes, allen deelgenoot van de ketting natuur in boerenland. Daar is bij ons wat om te doen tegenwoordig, met ‘stop die achteruitgang’: de veldleeuwerik schopte het tot vogel van het jaar in een wanhoopspoging om de soort van het verdwijnen te redden. In Nederland is dat de steenuil, in beide gevallen een eerder triestige eer. Vogels, wees op je hoede als je soort van het jaar wordt! En dan begint de draaimolen: zoals verwacht legt Brouns het accent op het grondverlies voor de landbouw en ergens als aanhangsel in een flets kleurtje het natuur- en biodiversiteitsverlies … De volgende nieuwsuitzending is daar onze minister-president met commentaar uit een nog dieper dal: de politieke teneur is gezet. De oplossing is verder weg dan ooit, oplossen met een ‘takske’, ja, het is inderdaad maar één letter verschil…. Over inzicht in de problematiek is dat nog bedenkelijker, want er is meer schade en hinder dan op het eerste gezicht geschat.

In de zijlijn…

Steenuil © Jos Zwarts
Steenuil © Jos Zwarts

Zelf stond ik op de eerste lijn bij de start: Kluisbergen leek van bij het begin de ideale plek om zijn rust in de natuur te verzilveren, het uitzicht nietwaar! Hoe groter de naam en het kapitaal, hoe pompeuzer de inplantingen. Dikwijls zette de ingang met smeedijzeren hekkens en camera’s al de toon en onze gemeente is duidelijk niet alleen: er werden wat stulpjes neergezet in onze oases van groen! Het moet zelfs niet altijd hellend zijn; ook in de buurt van Waregem deinde die rage uit richting Wortegem, Kruishoutem, een verkennende wandeling of PANO-reportage waardig. Als je in de buurt woont, kan je geluk hebben: veel van de boerderijen zijn tot gewoon woonhuis binnen de familie gebleven en er komt zelfs autochtoon groen bij, maar het kan ook minder zijn als de eigenaars alleen van perkjes houden natuurlijk. Of erger, als ze van paardjes houden! Hier wat terzijde: je zal maar de steenuil uit de buurt zijn; en dan hopen op mestkevers en pieren, maar die gaan ten onder aan ontwormingsmiddelen en een ander grasbeheer dan de weiden van de oude hoeve. Zeker geen winstpunt als men het idee van vakantieverblijf voor groepen als verdienmodel kiest: onrust troef, vespa’tjes en 2pk’s incluis, en gegarandeerd een dode beek aan de achterkant, waar de meestal veel te kleine waterzuivering in uitmondt. De neoliberaal zegt dan: dat is positieve streekontwikkeling, vroeger was het erger, het was de overloop van de mestput…

De commentaren…

In de nasleep zijn ook de reacties boeiend. De conflicten voorop: hinder voor de nieuwe bewoners, geur en vroege arbeid op het veld, dat hadden ze niet verwacht, ontoelaatbaar! Brouns en Ceyssens, ja, passend op hun paard: verlies aan hectaren landbouwoppervlak, ongehoord. De politiekers: ik zag er ooit één dansen bij de verkoop van een hoeve, streekontwikkeling volgens hem, hij was schepen van landbouw … Zijn collega: “Moeten we niet sleutelen aan de vergunningen? Best afblijven …” De buurtbewoners: “Schone entree daar, en vette wagens”. De financieel expert Maus: “De oogst hoeft niet steeds graan te zijn; bij verkoop wordt ook geoogst door de boer” en dat is zeker waar. De kerkuil: tot nooit meer. En ja, ik zou niet graag een zoon hebben die nu landbouwer wil worden, wat een zootje… De natuur: diepe zucht, we staan weeral achteraan in de rij, en misschien nog het belangrijkst: hoeveel medeburgers raakt het nog?

Besluiten moeten we met ‘er is hoop’, maar die is er niet, toch niet in onze streek. Het loslaten van landbouwgrond kan een opportuniteit zijn voor een bestemming natuur, zeker bij boeren die stoppen in valleigebied. Het bebossingsverhaal is een voorbeeld van hoe moeilijk natuurherstel gaat. Als we de resultaten zien, weten we genoeg. We zagen de ambtenaren hun best doen, maar wat kan je doen als de politiek er een minister op zet met als opdracht: zeker niet te veel doen rond natuur? En het is niet makkelijk voor die mens om te overtuigen dat landbouwgrond belangrijk is in het fermettendossier en voor onze voeding tegen het licht van de aardappelcatastrofe van 2025. De samenvoeging omgeving en natuur is een farce op zich. Een minister voor natuur die zijn opdracht grootschaliger mag uitvoeren en natuur meer ruimte geeft, zou al beter zijn dan de sprokkeltjes waar we het nu mee moeten doen. Een voorbeeld: geef de Scheldemeersen bij ons hier en daar terug aan de natuur, voor meer natte natuur! En wie weet: de provincie Oost-Vlaanderen, dienst integraal waterbeheer, werkt aan een peilbesluit voor de Meldenmeersen en wij, Natuurpunt, mogen mee aanzitten. Te volgen met gepaste verwachtingen?

Bijzondere vogelwaarnemingen voorjaar 2026

Bijzondere vogelwaarnemingen voorjaar 2026

De lente van dit jaar bracht in onze regio opnieuw een boeiende opeenvolging van bijzondere waarnemingen, met maart als startschot van een dynamisch voorjaar.

Eind maart werd op de Donkvijver in Oudenaarde een mannetje middelste zaagbek (NGE) ontdekt, terwijl op de Tweeling in Eke een roodhalsfuut (KPE) opdook. In Ouwegem werd in de derde week van maart een groep van 13 kraanvogels (LNE) aan de grond gezien. In de Langemeersen werd een roerdomp gehoord en in Melden zaten 6 koereigers. De zeearend werd twee keer gezien, over Everbeek en Vurste.

Op de Callemoeie leverden slaapplaatstellingen een zeldzame drieteenmeeuw (BDE, NGE) op, en in Mater werd een grote mantelmeeuw gezien. Daarnaast kwamen ook geelpootmeeuw, Pontische meeuw, zwartkopmeeuw en dwergmeeuw in de boekjes. Op de Callemoeie werden ook over het hele voorjaar heen geoorde futen gezien.

Zwarte specht werd in Everbeek en Wortegem gezien of gehoord. Raven waren actief rond het Muziekbos en Brakelbos. In Ouwegem werd een buidelmees (DDG) ontdekt. Ook zwarte mees, kuifmees en glanskop zongen in de grotere bosgebieden.

De eerste boerenzwaluw werd op 9 maart gezien, kort daarna gevolgd door de oeverzwaluw. Tjiftjaf arriveerde massaal en ook de eerste fitis werd gehoord. Het aantal zangposten van zwartkop nam gestaag toe in maart. Grote lijster had nog enkele zangposten, namelijk in Nokere, Everbeek en Brakelbos. De eerste blauwborst werd op 9 maart gevonden in de Langemeersen, waar ook even twee Europese kanaries werden gezien (DDE). Ook een zingende grauwe gors in Meilegem (HVE) en Berchem (SBE) maakte indruk. Helaas tijdelijke gasten.

In april zette de voorjaarstrek zich goed door. Vanaf begin april werden zomertalingen opgemerkt in de regio, al bleven er voor zover bekend geen koppeltjes broeden. In de derde week van april werd nog een late pijlstaart gezien in het Dal in Heurne. In Ouwegem kwamen voor de tweede keer kraanvogels (LVDW) aan de grond en een zwarte ooievaar (DPO) vloog over de Langemeersen. Ook de eerste kwartel liet zich horen in de Langemeersen. Een reuzenstern (ADV) vloog over de Heurnemeersen.

De eerste gierzwaluwen kwamen toe in de derde week van april. Bij de roofvogels was het eveneens druk: een zeearend, de derde van het voorjaar, werd begin april gezien in Meilegem en de eerste wespendief liet zich zien in Everbeek op het einde van april. In Ronse (GRO) en Boekel (LNE) vloog een grauwe kiekendief over. Een laat smelleken trok nog langs de Langemeersen.

Ook andere bijzondere soorten lieten zich zien. Hop werd in Etikhove, Nederbrakel (VVDM) en Nokere (LKI) gezien. Een zingende snor (LTH) werd in Kruishoutem ontdekt. Verder kwamen de eerste tuinfluiters, grasmussen, braamsluipers en sprinkhaanzangers toe. Er werden ook enkele beflijsters opgemerkt, waaronder een langdurige pleisteraar in de Langemeersen. Paapje en tapuit werden vrij regelmatig op doortrek gezien. De laatste twee barmsijzen werden aan de Callemoeie gezien, een kruisbek werd waargenomen in het Bos Terrijst en een grauwe gors (SFE) zong kortstondig in Nukerke.

Kuifmees © Rik Desmet
Kuifmees © Rik Desmet

Over het voorjaar heen trokken ook de steltlopers goed door: verschillende groepjes kluten, enkele keren steltkluut, scholeksters vormden paartjes vanaf maart, goud-, bontbek- en kleine plevieren werden geregeld opgemerkt. Verder passeerden nog wulp, grutto, bokje, kemphaan, tureluur, witgat, oeverloper en bonte strandloper. Het werd een recordjaar voor bosruiter en ook zwarte ruiter werd regelmatig gezien. Ook kleine zilverreigers, lepelaars, purperreigers, ooievaars, enz. passeerden regelmatig.

De passage bij de roofvogels was ook niet min: visarend (7 maal), rode wouw (46 maal) en zwarte wouw (36 maal). De laatste blauwe kiekendief werd nog halverwege mei gezien.

Een overzicht van enkele bijzondere broedvogels. Bij de koloniebroeders kwamen de blauwe reigers samen tot ongeveer 100 nesten in VA+. Aan de Callemoeie namen de aalscholvers 14 nesten in, en in de Brielmeersen was ook een aalscholvernest aanwezig. De ooievaars in de Brielmeersen kwamen tot 7 nesten, terwijl in Ooidonk een nieuwe broedlocatie met één nest werd vastgesteld. Daarmee kwam het regionale totaal op 8 nesten, een nieuw record. Ook de roeken bereikten een recordjaar met 1.400 nesten verspreid over VA+, waardoor onze regio opnieuw een echt bolwerk voor de soort in Vlaanderen bleek. In de Heurnemeersen groeide de kolonie kokmeeuwen verder aan tot 9 nesten, waarbij de broedvlotjes duidelijk hun werk deden en tegelijk extra vogels aantrokken die nu ook in het moerasbosje broeden.

Van de visdief waren er in de streek inmiddels minstens vier broedende koppels en twee zwarte sterns passeerden de Callemoeie. Bruine kiekendief broedde op minstens vijf locaties en slechtvalk kwam ook tot broeden op enkele plekken in VA+. Havik werd op 24 locaties gezien. We mogen uitgaan van een aantal broedparen. Middelste bonte specht kwam ook voor in 24 km-hokken. Oehoe zet zijn opmars verder door en bereikte ondertussen ook al Bos t’Ename.

Roodborsttapuit werd in een 40-tal km-hokken waargenomen. Dat moet een van de hoogste aantallen zijn deze eeuw. Nachtegaal zong in 14 verschillende km-hokken. Ringmus doet het dan weer heel slecht, met nog maar een paar clusters in de regio. Ook grote lijster blijft op een laag aantal steken. Geelgors was nog aanwezig in 12 km-hokken.

Geoorde fuut © Robin Vanheuverswyn
Geoorde fuut © Robin Vanheuverswyn

In mei mindert de intensiteit van de trek, maar de kans op zeldzaamheden vergroot. Op 1 mei vlogen 2 roodpootvalken (JDW) over TTP Loweg in Mullem. Op 2 mei trok een jonge slangenarend (DVDP) over de Langemeersen, een waarneming die nog maar de vijfde van de soort in de regio was en bovendien de eerste met bewijsfoto. Op 3 mei passeerden 3 witwangsterns (BDE) over de Callemoeie, eveneens een zeldzame gebeurtenis. In Ronse werd een koereiger waargenomen. De woudapen aan de Donk keerden opnieuw terug.

Bij de steltlopers doken opnieuw enkele zeldzame doortrekkers op. Temmincks strandlopers passeerden aan de Callemoeie (SFE) en in de Heurnemeersen (DDG). Aan de Callemoeie werden daarnaast een zilverplevier (KSN) en een kanoet (LTH) gezien, soorten die niet elk jaar opduiken.

Een zomertortel (TVE) werd zingend gehoord in Dikkelvenne. Bijeneter kende een bijzonder sterke maand met zeven waarnemingen, wat past binnen de trend dat de soort regelmatiger wordt gezien. Hop werd opnieuw drie keer gemeld, onder meer aan de Donk (HME), in een tuin aan Volkegembos (KHU) en langdurig pleisterend in Nokere (LKI). Een mannetje grauwe klauwier werd gezien in Olsene (LHA) en een vrouwtje in Zulzeke (GIE).

De waarnemingen van wielewaal namen toe in de loop van mei, al bleven ze beperkt. Van orpheusspotvogel kwamen vijf meldingen binnen. In Kruishoutem liet de snor zich nog steeds horen. Een opvallende fluiter (TDC) werd op 1 mei in het Brakelbos ontdekt, jammer genoeg slechts als doortrekker. Het aantal waarnemingen van grauwe vliegenvanger bleef laag, net als dat van gekraagde roodstaart. Bonte vliegenvanger werd vier keer gezien of gehoord, waarvan vermoedelijk één broedgeval in Bachte-Maria-Leerne. Goudvink werd op twee locaties in Ronse gehoord.

Zo vormden maart, april en mei samen een bijzonder rijk en gevarieerd voorjaar, met een mooie afwisseling van broedvogels, doortrekkers en uitzonderlijke zeldzaamheden die de regio opnieuw op de kaart zetten.