Op 9 mei hielden heel wat vogelwerkgroepen in Vlaanderen hun jaarlijkse birdathon en ook wij in Vlaamse Ardennen plus deden opnieuw mee. Het doel? Zo veel mogelijk buiten lopen, zo veel mogelijk verschillende soorten zien binnen onze regiogrenzen, zo veel mogelijk mensen op de been brengen, en een hoop plezier beleven natuurlijk. Tijdens al die pret wordt ook heel wat nuttig werk geleverd. Zo worden tal van nieuwe territoria en zangposten ontdekt van broedvogels.
In VA+ waren die dag minstens 86 mensen op pad en werden bijna 1.400 waarnemingen ingevoerd. Goed voor 118 soorten! Dat is zonder exoten zoals nijlgans, fazant, etc.). In 2025 deden we ietsje beter met 121 soorten.
We haalden enkele zeldzame soorten binnen. Zoals een mannetje grauwe klauwier in Olsene, gevonden door Luc H. We scoorden ook de enige hoppen van Vlaanderen. Één in Volkegem door Klaas H. en één in Nokere door Lieven K. Verder waren snor, lepelaar, orpheusspotvogel, enz. leuke toevoegingen op de daglijst. Ook zeldzame broedvogels (voor de regio althans) zoals bonte en grauwe vliegenvanger, ringmus, gekraagde roodstaart, appelvink en grote lijster kwamen op de lijst.
Maar niet alles lukt natuurlijk. Opvallend, we konden maar geen slobeend vinden. Nochtans werden die de dagen ervoor wel gezien. Hetzelfde verhaal voor watersnip, geoorde fuut en ransuil. Ook goed verscholen broedvogels zoals middelste bonte specht en oehoe kregen we niet voor de kijker die dag. Nochtans zeker aanwezig in Vlaamse Ardennen plus.
Zo’n birdathon houdt ook een beetje de vinger aan de pols en laat soms pijnlijk blijken welke soorten verdomd moeilijk te vinden zijn. Zo hadden we van grote lijster en geelgors maar een waarneming. Ook ringmus wordt jaar na jaar moeilijker.
In ieder geval, we beleefden wel veel plezier. We brachten veel mensen op de been. En, er is alweer een hoop nuttige data verzameld!
Tot volgend jaar!
En nog een speciale vermelding voor ‘ons’ Eleen Legat, die de birdathon coördineerde over heel Vlaanderen.
Op 29 mei trokken we met een duidelijke boodschap naar de Vlaamse regering: 40.000 burgers ondertekenden onze petitie ‘Breng de natuur terug’. Dit astronomische aantal bewijst dat de Vlaming snakt naar meer en gezondere natuur. De timing was niet toevallig gekozen, want achter de schermen legt de overheid momenteel de laatste hand aan het ontwerp Natuurherstelplan in het kader van de Europese Natuurherstelwet. Maar hoewel de wet een historische kans biedt, baart de huidige Vlaamse invulling ons grote zorgen. Het plan weerspiegelt nog niet de urgentie en daadkracht om de trends te keren en de doelen van 2030 te halen.
Als Natuurpunt-vrijwilligers staan we wekelijks met de laarzen in de modder. We beheren reservaten, planten bossen en tellen vlinders en vogels. We doen dat met hart en ziel, maar we botsen ook vaak op gebrekkige ambitie en daadkracht van de overheid. De natuur in Vlaanderen en België is er belabberd aan toe, rapporten tonen aan dat de Europees beschermde natuur in ons land er het slechtst aan toe is van heel Europa. Bestaande wetgeving, zoals de vogel- en habitatrichtlijnen uit de vorige eeuw, bleek onvoldoende om de achteruitgang te stoppen.
Vlaanderen tekende goed beleid uit, maar sleepte met de voeten voor de uitvoering. Juist daarom werd de Europese Natuurherstelwet in de zomer van 2024 goedgekeurd: om met verplichte tussendoelen tegen 2030 en 2040 de realisatie van een gezonde natuur tegen 2050 in heel Europa te verzekeren. Het is geen vrijblijvende richtlijn die lidstaten naar eigen goeddunken kunnen negeren of uitstellen, maar een ‘verordening’. Dat betekent dat de wet meteen bindend is en rechtstreeks geldt in alle lidstaten, inclusief Vlaanderen.
De harde cijfers voor 2030
Wat houdt dat concreet in voor de nabije toekomst? De wet schrijft doelen voor rond klassiek herstel van natuurgebieden, maar ook voor groen in steden, herstel van natuurlijke overstromingsgebieden, het keren van de achteruitgang van bestuivers en natuur in landbouwgebied. Enkele cruciale kerncijfers voor het ijkpunt 2030:
Herstel van bestaande natuur: Tegen 2030 moeten alle nodige herstelmaatregelen genomen zijn op minstens 30% van de oppervlakte aan Europees beschermde habitats die er momenteel slecht aan toe zijn.
Uitbreiding van te krappe leefgebieden: voor habitats die nu te klein zijn om duurzaam te overleven (met hun typische soortensamenstelling), moet de overheid berekenen hoe groot ze idealiter zouden moeten zijn: de zogeheten gunstige referentieoppervlakte. Tegen 2030 moet al 30% van die broodnodige bijkomende oppervlakte gerealiseerd zijn.
Stedelijk groen status quo: tegen 2030 mag er netto geen stedelijk groen meer verdwijnen en daarna moet het toenemen (om hittestress door klimaatverandering tegen te gaan).
Trend bestuivers keren: de achteruitgang van bestuivers moet gestopt zijn tegen 2030 en daarna moet een toenemende trend gerealiseerd worden.
Vlaanderen staat hier voor een enorme inhaalsprong. 95% van de Europees beschermde habitats is in slechte staat en om aan de in 2014 afgesproken gunstige referentieoppervlakte voor de habitats te komen, moet de huidige oppervlakte verdubbeld worden tegen 2050. Tegen 2030 betekent dit dat er 132 km2 habitat bij gecreëerd moet worden. Maar ook voor stedelijk groen dringt de tijd. Natuur in de stad kan de hitte met meer dan 10 °C milderen, maar bomen zijn niet van vandaag op morgen groot. Daarom moet de spade nu in de grond en is er een ambitieus plan met een navenant budget en stevige tempoversnelling van terreinrealisaties noodzakelijk.
Waarom natuurherstel een slimme investering is
Vaak wordt in het politieke debat gedaan alsof natuurherstel een dure hobby is die de economie remt. Het tegendeel is waar. Natuurherstel is geen kost, het is een investering die zichzelf meervoudig terugbetaalt. Uit Europese studies blijkt dat elke euro die in natuurherstel wordt gestoken, 8 tot 38 euro oplevert. Voor het dichtbevolkte Vlaanderen ligt die rendementsfactor zelfs tussen de 8 en de 51 euro! Denk aan winst op het vlak van volksgezondheid, drinkwaterproductie en toerisme. De Nederlandse overheid liet een grondige maatschappelijke kosten-batenanalyse uitvoeren: de kosten tot 2050 raamden ze op 76 miljard euro, tegenover maar liefst 129 miljard euro aan maatschappelijke baten.
Bovendien biedt een ambitieuze wetgeving rechtszekerheid. Door nu proactief de natuur te herstellen en veerkrachtig te maken, voorkomen we een nieuwe, verlammende stikstofcrisis en creëren we juist weer ademruimte voor duurzame maatschappelijke activiteiten.
Daarnaast beschermt natuurherstel ons rechtstreeks tegen de gevolgen van de klimaatcrisis:
Strijd tegen de hitte: het sterk verstedelijkte Vlaanderen is extreem kwetsbaar voor hittestress. Als we niets doen, stijgt het aantal hittedoden in ons land van 461 vandaag naar maar liefst 2.904 in 2050. De Natuurherstelwet verplicht de overheid om te zorgen voor een absolute toename van stedelijk groen om steden leefbaar te houden.
Waterveiligheid: Onze huidige waterhuishouding is niet bestand tegen het nieuwe klimaat, met extreme droogtes en felle overstromingen tot gevolg. Als er een ‘waterbom’ boven Vlaanderen valt, kan de schade oplopen tot 8 miljard euro. Door natuurlijke overstromingsgebieden en de sponswerking van de bodem te herstellen, beschermen we kwetsbare infrastructuur én dorpskernen.
Voedselzekerheid: De wet eist dat we de achteruitgang van bijen en andere bestuivers keren en landbouwbodems herstellen. Dat is niet alleen goed voor de biodiversiteit, maar simpelweg essentieel voor de toekomst van onze eigen voedselvoorziening.
Waar staan we nu? De klok tikt
Uiterlijk op 1 september 2026 moet België zijn definitieve Nationaal Natuurherstelplan indienen bij de Europese Commissie. Omdat natuur een regionale bevoegdheid is, moeten Vlaanderen, Wallonië en Brussel elk hun eigen plan opstellen en die plannen vervolgens samenvoegen.
Het goede nieuws is dat het allereerste Vlaamse ontwerpplan onlangs is opgeleverd en voor advies is voorgelegd aan de Strategische Adviesraden. De politieke besprekingen binnen de Vlaamse Regering starten eerstdaags. Het slechte nieuws? Het plan vertoont nog grote, gevaarlijke leemtes. Het belangrijkste struikelblok is dat het financiële luik nog volledig ontbreekt. Om de doelen te halen, is er naar schatting jaarlijks 0,5 miljard euro aan extra budget nodig. Zolang dat geld niet zwart-op-wit is toegezegd, blijft het plan een papieren tijger.
Bovendien missen we in de huidige teksten een absolute sense of urgency. Het blijft onduidelijk welke concrete acties nu écht voor die noodzakelijke tempoversnelling op het terrein gaan zorgen. Het ontwerpplan moet in september 2026 ingediend worden en in september 2027 de finale versie. Natuurpunt dringt er bij de overheid op aan om de tijd tot de indiening van het finale plan nog goed te gebruiken om met de nodige participatie tot een gedragen ambitieus plan te komen waarmee we de doelen halen en het Vlaamse natuurbeleid eindelijk de nodige tempoversnelling te geven om onze achterstand in te halen.
Wat eist Natuurpunt?
Samen met onze partners in de Belgische Biodiversiteitscoalitie (waaronder WWF, BOS+, Greenpeace, Bond Beter Leefmilieu en Vogelbescherming Vlaanderen) eisen we daadkracht van de Vlaamse Regering. Onze eisen zijn helder:
Kies voor echte ambitie: Maak van die 30% gezonde natuur een prioriteit. Zorg voor concrete, meetbare plannen die onze ecosystemen er weer bovenop helpen.
Verdubbel het natuurbudget: Zorg voor budgettaire transparantie en durf te investeren. Die 0,5 miljard extra per jaar verdient zichzelf dubbel en dwars terug. Dit budget moet vlot toegankelijk zijn voor iedereen die op het terrein mee de schouders onder natuurherstel wil zetten.
Start de actie op het terrein NU: Wacht niet tot de definitieve indiening van het natuurherstelplan in 2027. De doelen voor 2030 zijn zeer nabij. Burgers, bedrijven en onze eigen Natuurpunt-afdelingen staan klaar om erin te vliegen. Geef ons de instrumenten en de ruimte om te versnellen.
Wat kunnen wij lokaal doen?
Als lokale afdeling zijn wij het gezicht van Natuurpunt. Juist nu is het moment om in onze eigen gemeente het gesprek aan te gaan met lokale besturen, landbouwers en buurtbewoners. Laat zien welke kansen de Natuurherstelwet biedt voor de beekvallei in jouw buurt, voor het stadsbos dat er moet komen, of voor de trage wegen die we kunnen vergroenen.
De 40.000 handtekeningen hebben getoond dat het draagvlak er is. Laten we dat momentum vasthouden. Blijf de vinger aan de pols houden, spreek lokale politici aan en bovenal: breek mee de lans voor die hoognodige tempoversnelling. Onze natuur, onze gezondheid en onze toekomst hangen ervan af.
Drie maart 2026, kort na de middag. Net voordat de Knoktestraat de Rue de Trieu wordt, sla ik rechtsaf, de Vierschaar in. Ik ruik ze eerder dan ik ze zie: de eerste bloeiende maartse viooltjes. Grote ereprijs, paarse dovenetel en kleine veldkers bloeien eveneens, maar die ruik je niet. Een struikje van het geslacht Prunus ziet wit van de bloesems. De eerste hommels doen er zich aan te goed. De temperatuur haalt nog niet de voorspelde achttien graden Celsius, maar warm is het alvast.
Zoals zo vaak de voorbije dertig jaar volg ik de grensweg tussen Oost-Vlaanderen en Henegouwen. Wallonië ligt links, het is er nog wat mistig. Rechts van de weg ligt een oud kasteeldomein zonder kasteel. Daar mogen gewone mensen niet komen. Links begint het bos. Ook dat is taboe voor wandelaars. ‘Attention Chasse, Propriété privée’ staat veelvuldig te lezen op metalen bordjes, half ingegroeid in de boomstammen waarop ze zijn vastgespijkerd. Aan de fietssporen te zien, zijn er heel wat mountainbikers die zich aandienen als jachtwild. De helling aan de Vlaamse kant staat vele meters lang vol met sneeuwklokjes. In tegenstelling tot die in mijn tuin zijn ze nog niet uitgebloeid.
Even verderop loopt een klein paadje dat naar een grote hooiweide leidt die bij het kasteeldomein behoort. Het bordje met ‘Privédomein, verboden toegang’ dat er vorig jaar stond, is verdwenen. Ik ga op bezoek bij de twee gigantische bomen die aan de rand van het grasland staan. Zelfs met de hulp van mijn spiegelbeeld kan ik hun stammen niet omarmen. De minst dikke van de twee verraadt op basis van de verdroogde vruchten die hij nog draagt zijn identiteit van tulpenboom. Zijn nog dikkere buurman is er ook een, maar waarom deze in tegenstelling tot zijn buur geen vruchten heeft gemaakt, is me een raadsel. Het zijn getuigen van een ver verleden, van toen er nog een kasteel stond. Via Norbert Desmet kwam ik te weten dat het op het einde van de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetters met de grond gelijk werd gemaakt, zodat ze geen spoor zouden achterlaten van de lanceerbasis voor hun beruchte V2-bommen.
Achter me klinken de luide stemmen van een lawaaierige groep wandelaars. Het is moeilijk om te ontsnappen aan het rumoer van de gemiddelde medemens. Vier statige, hoog opgeschoten bomen van het geslacht Chamaecyparis vangen mijn aandacht. Drie van hen staan op een rij, een behoorlijk aantal meters van elkaar. De dikste heeft een stamdoorsnede van bijna een meter. Zijn het restanten van een oude haag van ‘tuinsparretjes’? Nummer vier is beduidend jonger en heeft de rij verlaten, een zaailing vermoed ik. Ik besluit de dikste van dichtbij te gaan bekijken. Ik verdwijn ei zo na in een steile, diepe put waarvan de bodem niet meteen zichtbaar is. Er zijn nog meer van die putten. Ze lijken op verluchtingsschachten en liggen netjes op een rij. Er schijnt een legende te bestaan over een onderaardse tunnel die vanuit het kasteel vertrok en deze richting uitging. Wie weet wat zich daar nog meer onder de grond bevindt.
Boven de grond staat een vlek speenkruid met glanzende gele sterretjes te bloeien en steken de eerste scheuten van bosereprijs hun hoofdjes boven de afgevallen herfstbladeren. De hangende zegge zegt me dat het van nature behoorlijk nat is langs het wandelpad.
De lawaaigroep is me intussen voorbij. Hopelijk gaan ze naar de Bosbar en blijven ze daar. Een van hen staat te plassen, de rest van de groep wacht hem op, vijftig meter verderop. Luid pratend stapt hij naar hen toe. In zijn gsm of in zichzelf? Het is niet duidelijk. Ze gaan rechtdoor, dus neem ik het eerste pad naar rechts. Er groeit witte klaverzuring op het bermpje naast het pad. Ik sla opnieuw rechtsaf, een weinig gebruikt pad in. Het loopt langs de grens van het kasteeldomein, oude ijzeren paaltjes in de grond, versleten staaldraad ligt hier en daar te roesten. In de verte slaan drie reeën op de vlucht, hun witte konten in de lucht. Even verder waarschuwt de ruwe smele me dat het drassig wordt. Ik heb mijn oude wandelschoenen aan met twee scheurtjes in het leder van de rechterschoen. Voorzichtig stap ik over de pollen gras, dankbaar voor hun waarschuwing.
Ik heb moeite met het concept privébos en nog meer met het bestaan van private jachtterreinen. Het zijn late restanten van het feodale tijdperk. Dat begon ooit ongeveer zo: een grote bende gewapende agressievelingen liep het land onder de voet, onder leiding van een van hybris vergeven aanvoerder. Die verklaarde zichzelf tot koning en zei: ‘Al dit land is nu van mij’. Wie het hiermee niet eens was, werd over de kling gejaagd. Grote delen van ‘zijn’ land gaf hij in bruikleen aan de trouwste leden van zijn roversbende, vergezeld van ronkende titels zoals hertog, graaf of baron. Zij beschikten nu over leven en dood van alles en iedereen die toevallig ook in die landstreek woonde. In recentere tijden werden hun eigendomsrechten in notariële akten verankerd. Verpauperde deze landadel, dan verkochten ze grote partijen van hun grond aan industriëlen, rijk geworden op de rug van andermans arbeid. Die maakten er hun privéjachtterrein van, in navolging van de vorige eigenaars. En daar zitten we nu nog steeds mee opgescheept.
Bossen en andere natuurgebieden mogen van mij allemaal staatsbezit worden, beheerd onder het toeziend oog van een democratisch verkozen regering en een bekwame administratie. Ik heb geen enkel probleem om de toegang ontzegd te worden tot de omgeving van een dassenburcht of een nestplaats van oehoes, een kwetsbaar nat hooiland of een zeldzaam stukje bronbos. Het plezier van wereldvreemde enkelingen om ’s winters op al wat leeft te kunnen schieten, verdient geen privileges.
Aan het volgende kruispunt der boswegen bots ik weer op dezelfde groep wandelaars. Nu zie ik dat het om mensen met een mentale handicap gaat, vijf levenslang onvolwassenen van diverse middelbare leeftijden en één begeleider. Via de Pensemont wandelen ze het bos uit. Ik blijf in stilte achter. Wegens de toenemende temperatuur stop ik mijn jas in mijn schoudertas. Aan de overkant van mijn zitbank liggen verdorde adelaarsvarens plat tegen de grond. Het is een overwinteringsplek voor teken. James, mijn trouwe, luie huiskater, heeft vandaag net zijn eerste teek gevangen. Vorig jaar was dat pas op 23 maart en dat was ook al veel vroeger dan verwacht.
Een jaar geleden, rond dezelfde tijd van het jaar, hoorde ik in dit stuk van het bos twee raven met elkaar praten. ‘Croc’, zei de een, ‘crwek’ antwoordde de ander. Dat ging zo enkele minuten door. Ze kwamen steeds dichterbij en ik hield mijn verrekijker klaar. Plots zwegen ze. Eerder dan ikzelf hadden ze de pratende wandelaars gehoord die onze richting uit kwamen. Teleurgesteld knikte ik hen vriendelijk goeiedag. Even later hoorde ik het ‘trr trr trr’ van een zwarte specht. Ook hem kreeg ik niet te zien, maar om van muziek te genieten heb je enkel je oren nodig, niet je ogen.
Vandaag hoor ik alleen maar de alomtegenwoordige boomklevers en het geroffel van een onbepaalde specht. Zwart, groen of bont? De klankkleur van het tromgeroffel wordt vooral bepaald door de grootte van de holle boomstam die als percussie-instrument dienst doet.
Ik stap de Pensemont op, terug naar de grensweg. Van een gigantische tamme kastanje rest nog enkel de omgevallen stam, gesneuveld door het leven, niet door kettingzagen. Zijn geschiedenis staat op een infobord te lezen. Hij was de laatste overlevende van de kaalkap tijdens de Eerste Wereldoorlog. Interessant, maar fnuikend voor de fantasie. Ik had hem liever een leven zonder oorlogen toegedicht.
Bij gebrek aan vogels bestudeer ik de medemens. Een jogger, smartphone in de hand, sloft in tegengestelde richting, mismoedig naar zijn voeten kijkend, ondanks dat het voor hem bergaf gaat.
Ik zie heel wat aardhommels die kriskras heen en weer vliegen om dan plots tussen de afgevallen bladeren te duiken, op zoek naar muizengaten in de grond. Het zijn pas ontwaakte koninginnen die een nestplaats zoeken. Matriarchen noem ik ze liever, dat klinkt minder feodaal. Ik vraag me bezorgd af of ze wel voldoende te eten vinden, zo vroeg in het jaar. Overal verschijnen de bladeren van wilde hyacinten, maar het duurt nog een tijdje eer ze in bloei staan en voor voedzaam stuifmeel en nectar zullen zorgen. Vorig jaar zag ik de eerste hyacintbloemen op één april. De weinige vroege voorjaarsbloeiers staan op dit moment aan de bosranden, een halve tot een hele kilometer verderop. In hommelvlucht is dat vlot drie maal zo ver. Rechtdoor vliegen kunnen deze beestjes niet zo goed. (Op 14 maart zou ik bij een volgende wandeling de eerste bloeiende wilde hyacinten zien, dus nog twee weken vroeger dan het jaar voordien!)
Boven aangekomen blijkt de Bosbar dicht. Het is ook gewoon een schooldag annex werkdag en dus niet interessant vanuit commercieel oogpunt. Ik zet me op een bankje om een groep vinken gade te slaan. Een man houdt zijn smartphone hoog in de lucht. Hij heeft enkel oog voor zichzelf en voor wat hij op Instagram kan posten. Het zijn alvast niet de vinken. Er komt een klein gezinnetje aangewandeld: man, vrouw, zoontje van tien en hondje aan de leiband. Ik vermoed dat de jongen vrij heeft wegens een pedagogische studiedag en ik denk: geniet ervan, nu dat nog kan. De jogger komt weer aangesloft. Hij is terug boven geraakt en doet trouw wat de app op zijn smartphone hem opdraagt. Hoe zou je ook kunnen wandelen, lopen of de omgeving in je op kunnen nemen zonder de hulp van zo’n ding?
Voor mij gaat het terug omlaag, niet naar de Liefdesbron, maar via een parallel bospad terug naar de voet van de Pensemont. Van de liefdesbron heb ik tien jaar geleden een slokje genomen. Het heeft zijn werk gedaan. Links ligt een weiland waar twee zomers geleden twee reeën lagen te zonnen, een mannetje met verse horens en een hinde. Ondanks de wandeldrukte was er toen niemand die naar hen bleef staan kijken.
Ik passeer het heideveld waarvoor enkele jaren geleden ruimte werd gecreëerd. Goed voor de biodiversiteit, niet te groot, niet te klein, precies zoals het moet zijn. De adelaarsvarens aan de bosrand liggen er winters uitgeblust bij. Voor hen begint de lente pas over enkele weken. Terug op de Vierschaar zie ik het gezinnetje weer. De jongen loopt vijftig meter voorop, daar achter volgt de man. De vrouw, met een berg jassen over de arm en het hondje nog steeds aan de leiband, is achterop geraakt. Ze loopt luidkeels te telefoneren. Het speenkruid heeft intussen al dubbel zoveel gele sterbloempjes geopend als anderhalf uur geleden. Rechts van me zit een buizerd in het bos. Van zodra hij ziet dat ik hem zie, vliegt hij ervandoor. Een mens die naar me kijkt, is een mens die me kan neerknallen, zegt zijn overlevingsinstinct. Hij heeft gelijk. Hij bevindt zich in een privaat jachtgebied.
Op de zitbank met opschrift ‘Daar aan de overkant, het weidse Waalse land’ zit een ouder koppel te genieten van het uitzicht. De Henegouwse mist is volledig opgetrokken. Op de picknickbanken even verderop zitten twee mannen op hun smartphone te scrollen. Ze laten het weidse landschap aan zich voorbijgaan.
Daar ergens in Henegouwen is een wielerwedstrijd bezig, met cameradrones en helikopters in de lucht en joelende mensen langs de kant, gelukkig ver genoeg van hier. Over enkele weken zal het ook op deze plaats weer van dat zijn, tenzij de Trieu uit het parcours van de Ronde van Vlaanderen zou zijn geschrapt. Ik hou niet van massa-evenementen. Er bestaat immers een exponentieel verband tussen de grootte van de aanwezige massa en de mate van verstoring van de natuur.
‘Ooit was dit Romeinse grond, hier stond kasteel Calmont’, lees ik op een zitbank in de Knoktstraat. Het een heeft niets met het ander te maken, maar het rijmt lekker. Aan de oprit van het kasteeldomein staat te lezen dat hier opleidingen voor jachthonden doorgaan. Ik wandel terug naar mijn auto. Hij staat geparkeerd tussen 1945 Sylvain Grysolle en 1946 Rik Van Steenbergen, in de Ronde Van Vlaanderenstraat. Zo meteen ga ik toch even TV kijken, nieuwsgierig of Wout Van Aert rechtop is kunnen blijven in zijn eerste koers van het jaar.
Ondanks enkele succesverhalen blijft het in Vlaanderen zorgwekkend gesteld met de biodiversiteit. Die vormt nochtans een essentiële basis voor ecosystemen, die instaan voor voedselproductie, waterzuivering, klimaatadaptatie en gezondheid. Een interdisciplinaire groep KU Leuven-experts brengt daarom in kaart wat er anders en beter moet. Zij pleiten voor een koerswijziging in het Vlaamse biodiversiteitsbeleid: van versnipperde maatregelen naar structurele en samenhangende keuzes.
Klimaatverandering en biodiversiteitsverlies versterken elkaar. Die verwevenheid biedt echter ook mogelijkheden om met slimme win-winstrategieën Vlaanderen aan te passen aan klimaatverandering. Het opwaarderen van moerasgebieden en meer ruimte geven aan waterlopen, met overstromingsgebieden voor waterberging, maken het mogelijk om de steeds frequentere en hevigere regenbuien op te vangen. Dat betekent minder schade en vervuiling, lagere kosten, minder menselijke slachtoffers en tegelijk meer biodiversiteit. Een duidelijk succesverhaal is het Sigmaplan in het Scheldebekken.
Het Europese landbouwbeleid heeft de achteruitgang van biodiversiteit in het landbouwgebied niet kunnen keren. Nochtans kan biodiversiteit belangrijke ecosysteemdiensten leveren aan de landbouw, zoals bestuiving en natuurlijke plaagbestrijding. Relatief eenvoudige maatregelen kunnen de basismilieukwaliteit verbeteren en bepaalde ecosysteemdiensten herstellen, maar zij volstaan niet voor het herstel van hoogwaardige biodiversiteit. Daarom is een gebiedsgerichte aanpak nodig, met expliciete keuzes in het landschap: zones met hoogproductieve, maar duurzamere landbouw, gecombineerd met zones rond natuurgebieden waar landbouw natuurinclusief wordt en waar biodiversiteit voorrang krijgt.
Grote, aaneengesloten natuurgebieden blijken essentieel om populaties levensvatbaar te houden en randeffecten te beperken. Ook het terugdringen van nutriëntenvervuiling en het herstellen van natuurlijke processen, zoals hydrologie in rivier- en moerasgebieden, leveren aantoonbare resultaten op. Daarnaast blijkt gericht beheer van invasieve uitheemse soorten noodzakelijk om herstelkansen voor inheemse biodiversiteit te waarborgen. Ten slotte benadrukken de aanbevelingen het belang van tijdige en doortastende ruimtelijke keuzes: bescherming en herstel werken vooral wanneer ze op voldoende grote schaal worden toegepast, eerder dan als losse, tijdelijke ingrepen.
Voor een brug tussen natuur en erfgoed met het oog op een kwaliteitsvol landschap
Ieder voorjaar fietsen er duizenden wielertoeristen over de heuvels en kasseiwegen van de Vlaamse Ardennen en recreatieve fietsers tussen de bloesems van Vochtig Haspengouw. Ze roemen het landschap omwille van zijn schoonheid.
Tijdens corona hebben heel veel landgenoten het landschap herontdekt als bron van beleving en gezondheid. Maar toch hebben wij Vlamingen er een ambigue relatie mee. Dat is ten dele begrijpelijk. We zijn zelf verantwoordelijk voor de verregaande afname van open ruimte, onze ruimtelijke wanorde, voor verval en aftakeling, voor de verrommeling…
Onze dubbelzinnige verhouding met het landschap
Toch resten er nog landschappen die ruimtelijk nog min of meer intact zijn en genoeg inhoud en schoonheid ten toon spreiden? Op landschapsschaal bekeken heeft Vlaanderen nog steeds mooie voorbeelden van de twee grote Europese types van cultuurlandschap, hoofdzakelijk geschapen door landbouw en veeteelt, waarvoor dank. Enerzijds open akkergebieden (open field) zoals de kouters van Binnen- en Zuid-Vlaanderen, het Brabants plateau of Droog Haspengouw. Anderzijds grote complexen waarin vele perceelsranden nog steeds bezet zijn met houtkanten, hagen, (knot)bomenrijen, zoals in delen van de Kempen, het Hageland of in Voeren (bocage). In andere regio’s ontmoeten beide landschapstypes elkaar, zoals in de Vlaamse Ardennen, het Pajottenland of Vochtig Haspengouw. En dan hebben we nog onze polders die het buitenland ons benijdt en grote graslandcomplexen in de riviervalleien.
Op microschaal bekeken zitten vele landschappen barstensvol met erfgoedelementen en -structuren. Onder de grond zit archeologie. Aan het oppervlak zitten ontelbare reliëfvormen die getuigenis afleggen van hoe de mens de natuur ooit naar zijn hand heeft gezet: boswallen, verdedigingswallen, ontginningsputten, heuveltjes waarop ooit een galg, een calvarie of een molen heeft gestaan of waarin konijnen zijn gekweekt, ont- of bewateringssystemen, ijskelders, forten, enz. Bovenop het oppervlak staat klein bouwkundig erfgoed, zoals kapelletjes en veldkruisen, of houtig erfgoed zoals veteraanbomen en hoogstamboomgaarden. Al dat moois bezit meestal niet enkel een cultuurhistorische of esthetische waarde, maar is ook belangrijk voor de natuur, omdat er heel wat biodiversiteit aan gekoppeld is.
Alleen: dergelijke erfgoedelementen en -structuren zijn niet altijd goed leesbaar door de landschapsgebruiker. Als de landschapsdeskundige uitleg geeft, valt hem meestal een hoge mate van verwondering ten deel.
Heritage: natuur én erfgoed
In een internationale context vallen deze landschapswaarden onder wat door wetenschap en beleid heritage wordt genoemd, en wat expliciet zowel natuur als erfgoed omvat. De UNESCO-Werelderfgoedlijst bevat zowel culturele als natuurlijke sites, als gebieden die om beide redenen zijn opgenomen. Maar in Vlaanderen zitten natuur en erfgoed gevat in aparte, los van elkaar staande entiteiten. Dit bemoeilijkt het behouden en verder uitbouwen van een kwaliteitsvol landschap. Landschapselementen die zowel natuur als cultuur zijn, vallen al te veel door de mazen van het net. Op die manier missen we de broodnodige bestuiving tussen beide.
Deze opdeling is duidelijk afleesbaar in de praktijk bij de Vlaamse overheid, waar de agentschappen Natuur en Bos en Onroerend Erfgoed zich hoofdzakelijk focussen op respectievelijk de topnatuurgebieden en de toperfgoedgebieden. Bovendien werkt die tweespalt ook door in het maatschappelijk middenveld.
Natuurpunt stelt in haar Missie en Visie: “Omdat natuur en landschap onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, zetten we ons in voor de verbetering van de kwaliteit van het landschap en de bescherming van erfgoed…” Desondanks wordt de zorg voor erfgoedstructuren en elementen in het landschap wel in hoge mate gedragen door de vrijwilligers aan de basis, maar werkt ze te weinig door in het nationale beleid van de vereniging. Natuurpunt laat zich te weinig horen naar het publiek en naar het beleid als pleitbezorger voor het landschappelijk erfgoed in de ruime zin. Dat is ten dele te wijten aan het gebrek aan erkenning door de overheid van de rol van de vereniging als landschapsbeheerder en aan budget, waardoor het werk zich hoofdzakelijk beperkt tot vrijwillige initiatieven.
Herita profileert zich als National Trust voor Vlaanderen en stelt het onroerend erfgoed te willen beschermen en te verdiepen in het landschap. De focus ligt echter vooralsnog voornamelijk op het beheer van groot bouwkundig erfgoed zoals kastelen. Hopelijk gaat Herita in het kader van een verdere uitbouw van de werking ook meer inzetten op cultuurhistorisch waardevol landschap.
Een oproep vanuit de Vlaamse Ardennen en Ename
Op 26 april ging de jaarlijkse Vlaamse Ardennendag door in de regio waar het samenspel van natuurlijke processen en menselijke beïnvloeding voor het kwaliteitslabel “Mooiste landschap van Vlaanderen” heeft gezorgd.
Dit Enamemanifest is een oproep: als organisatoren van de Vlaamse Ardennendag vragen wij van Vlaanderen, van de provincies, van de lokale overheden dat zij de zorg voor natuurlijk en cultureel erfgoed terdege op elkaar afstemmen. Van de middenveldorganisaties, en speciaal van Natuurpunt en Herita, vragen we sterk verhoogde inzet op dat vlak.
Het kan en moet beter. Alles van waarde is weerloos zolang het niet voldoende gekoesterd wordt en zolang het beleid en het maatschappelijk middenveld er niet voor in de bres springen. Laat ons niet alleen fietsen door het landschap, maar ook het gat tussen natuur en erfgoed in dat landschap dichtfietsen.
In 2025 werd in de Vlaamse Ardennen een geslaagd broedgeval van hop vastgesteld. Het betreft het eerste bevestigde broedgeval in de regio in minstens 75 jaar.
In de Vlaamse Ardennen verdwenen de laatste broedende hoppen vermoedelijk in de jaren 1950. Op de zandgronden van Zulte zouden toen nog twee koppels hebben gebroed. In het boek1 ‘Zijn er nog vogels?’ wordt vermeld dat in de jaren 1940 nesten van hoppen in Wortegem door kinderen werden leeggeroofd. De soort lijkt het in de 21ste eeuw opnieuw iets beter te doen met een aantal broedgevallen in Vlaanderen.
De aanloop naar het broedgeval in de Vlaamse Ardennen begon al in 2024. Buurtbewoners meldden toen in mei en juni een roepende hop ergens nabij de taalgrens in Brakel. De vogel werd ook herhaaldelijk foeragerend waargenomen in de omliggende tuinen. De waarnemingen stopten echter in de derde week van juni. In april 2025 herhaalde de situatie zich. Opnieuw waren het de buurtbewoners die in de tweede week van april een roepende hop meldden.
Eind mei kon Ken De Cooman het nest lokaliseren. Verrassend was dat er in juni-juli een tweede broedsel volgde in hetzelfde nest. Meestal wordt door Europese hoppen slechts één keer per jaar gebroed. Het is wel bekend dat hoppen jarenlang hetzelfde nest kunnen gebruiken. In die optiek is het interessant om te weten dat de hop in de jaren 1930 op dezelfde locatie broedde.
Zo’n tweede legsel start vaak al tien dagen na het uitvliegen van het laatste jong van het eerste broedsel en soms volgt het eerste ei zelfs al onmiddellijk nadat het laatste jong het nest heeft verlaten.
Het paar broedde in de rand van een groot beukenbos, dat tot de bosgordel op de getuigenheuvels van de Vlaamse Ardennen behoort. De nestholte bevond zich in een afgestorven beuk. De hop foerageerde geregeld in de tuinen en op de schapenweide in de omgeving.
Bij het ontdekken van de nestlocatie op 21 mei waren er nog geen jongen te zien in het nest. Een week later, op 28 mei, werden voor het eerst twee jongen waargenomen. Op 3 juni waren de jongen vermoedelijk uitgevlogen en de dagen daarop was de roep weer te horen. Ook bij het tweede legsel waren er twee jongen.
De reproductie van twee keer twee uitgevlogen jongen is aan de lage kant. In een nest van zeven eieren komen gemiddeld vijf tot zes jongen uit en vliegen er gemiddeld drie tot vier uit.
Referenties
MENSCHAERT L. (1991) – Zijn er nog vogels – Wielewaal Schelde-Leie ↩
Jo Cosijn wordt nog steeds gemist, maar op zondag 10 mei leek het alsof hij er bij was.
Van bij de start hadden we droog en warm weer, terwijl drie buizerds boven de bomen cirkelden. Voor de start van de wandeling zei dochter Elisa dat ze naar deze dag had toegeleefd: “Het was precies weer dezelfde drukte als toen papa er nog was en we ons klaarmaakten voor de wandeling die papa zou leiden. Hij spoorde ons altijd aan om op tijd te komen, want de gids moet er altijd als eerste zijn, was zijn devies.”
De gidsen waren op tijd: Filip Keirse, die Johan als voorzitter opvolgt, en Michel Vandervennet, die onderweg mooie gedichten voorlas. Allebei namen ze een deel van de grote groep opgedaagde mensen om door heubel en dal te struinen in Maarke en te eindigen aan het Cosijnbos. Veel vrijwilligers hebben een jaar geleden bij regenweer een duizendtal bomen aangeplant in de vallei van de Maarkebeek. De jonge bomen doen het goed. De nieuwe aanplant zal uitgroeien tot een bos. Het was het laatste perceel dat Jo aangekocht had.
Toen de beide groepen na de wandeling aan het Cosijnbos belandden, mocht het gezin van Jo het bord onthullen. Het werd heel stil toen Kristien, Elisa en Remi het doek verwijderden en het mooie bord tevoorschijn kwam. Er volgde een groepsfoto en onder een feestelijke tent nam iedereen een appelsap of streekbier. Er werd geklonken op Jo en zijn bosje.
Toen de plechtigheid gedaan was, zagen we regenwolken opduiken en was de temperatuur gedaald. Het is een mooie dag geworden, een mooie herdenking van een bijzondere man.
Ik lijd aan filefobie. Het lijkt op claustrofobie en het overvalt me tijdens verkeersopstoppingen. Om de opkomende benauwdheid annex woedebuien de baas te blijven, heb ik tal van copingstrategieën zoals daar zijn: circulaire ademhaling, boventoonzang oefenen, Mongoolse keelzangen produceren of mondharmonica spelen. Maar vaak is er een natuurlijke afleiding, namelijk de middenberm. Vooral in het voorjaar kan deze me soms de broodnodige troost bezorgen.
Op een keer geraakte ik maar niet van de N60 af. Vanuit Gent wilde ik afslaan richting Gavere. Telkens er ergens in de verte een groen licht te zien was, stond het verkeer stil. Bij rood ging het enkele autolengtes vooruit. En dat bleef zich maar herhalen. Maar in de berm stond vogelmelk te bloeien, heel veel vogelmelk. Ze stond er prachtig bij. Sindsdien noem ik deze voorjaarsbloeier in gedachten ‘middenbermtroost’.
Al rijdend mag mijn aandacht niet te veel richting bermen gaan, maar al voortkruipend is daartegen geen bezwaar. Dan mag ik me laven aan de witte linten van bloeiend Deens lepelblad, de gele bloemen van grote zandkool of aan de paarse overvloed van luzerne. Het is verbazend wat er in zij- en tussenbermen allemaal groeien en bloeien kan. Soms zie je lange stroken zilte schijnspurrie die zich over de rand van het asfalt wagen, andere keren een zeldzame gevlekte orchis of een paarse vlek die tijdens een latere inspectie een populatie kromhals blijkt te zijn.
De flora van de middenbermen kan me nog op een andere manier troosten, namelijk al fietsend. Elke rechtgeaarde fietser kent dat wel: zo’n mooi, breed fietspad dat echter langs een drukke weg ligt en je maar al te vaak door de lelijkheid van een industriepark of een verpauperde woonwijk loodst. De alternatieve routes zijn meestal heel wat kilometers langer, dus neem je toch maar weer dat fietspad langs die rotbaan. Gelukkig is er dan vaak een grazige berm tussen het fietspad en de rijweg, waarop je soms botanische schatten kan ontdekken. Bijenorchissen langs de N60, hondskruid en rapunzelklokje langs de N35, voedselarme plantengemeenschappen met zilverhaver, zandhoornbloem, liggende klaver en klein vogelpootje … Met hun stille esthetiek maken ze het kabaal van het voortrazende verkeer draaglijker. Soms gaat het maar om een klein bosje wilde tijm, een andere keer om uitbundig bloeiende keizerskaarsen of de onverwachte aanwezigheid van fijne kervel.
Er is ontzettend veel lelijkheid in het uithoekje van de wereld waarin we wonen, maar in de bermen tonen de wilde planten ons dat er ook schoonheid te vinden is op onverwachte plekjes. Als de bermen maar niet te vroeg in het voorjaar gemaaid worden, want dan zien ze er troosteloos uit en voel ik me een tijdlang ontroostbaar.
In ‘The Lord of the Rings’ trekken de bomen ten strijde tegen de kwade machten. Zo ver komt het voorlopig nog niet, maar steeds meer onderzoek legt bloot dat bomen tot meer in staat zijn dan we denken.
Bomen beschikken over een arsenaal aan middelen om zich te beschermen tegen vraat: haren of waslaag op de bladeren, stekelige bladeren, blaadjes die bij de minste wind bewegen (ratelpopulier) enz. Vraat door insecten veroorzaakt in een plant allerlei reacties, waardoor in de nog niet aangetaste delen beschermende stoffen worden geproduceerd. Vluchtige stoffen kunnen ook de andere planten in de buurt waarschuwen of kunnen predatoren aantrekken. Mezen zijn zelfs in staat om die stoffen te detecteren en weten daardoor dat er voedsel te vinden is1.
Bij een recent onderzoek2 in Duitsland volgden wetenschappers met satellietbeelden eiken in een bos van 2.400 km2. Als bij een eik in het voorjaar de frisse blaadjes verschijnen, is dat een feestmaal voor de rupsen van onder andere de groene eikenbladroller en de kleine wintervlinder. Deze kunnen een boom nagenoeg kaal vreten. De boom overleeft dat wel, maar ideaal is het niet. Maar de wetenschappers ontdekten dat als een boom het ene jaar wordt kaalgevreten, hij het volgende jaar zijn blaadjes drie dagen later liet ontluiken. De rupsen die al klaar zaten, bleven daardoor op hun honger zitten en stierven massaal. Daardoor kon de boom een rustige lente beleven. De onderzoekers becijferden dat deze truc de vraat aan de bladeren met 55% doet afnemen. Een ander groot voordeel is dat het omkeerbaar is: het jaar erop ontluikt de boom gewoon weer tegelijk met alle andere. Dit voorkomt dat de rupsen zich kunnen aanpassen en de boom steeds later en later zou moeten bloeien om ze te ontlopen. De start van de lente in de bossen hangt zo niet alleen af van het weer, maar ook van de dreiging door plantenetende insecten.
Planten hebben dan wel geen brein, toch hebben ze manieren om informatie op te slaan. Onderzoek van de afgelopen jaren heeft aangetoond dat herhaalde en langdurige blootstelling aan plagen of ziekten langdurige, zogenaamde epigenetische veranderingen in het DNA van planten kan veroorzaken, zonder daarbij het DNA zelf te veranderen3. Hierdoor kunnen planten in een geactiveerde afweerstaat blijven. Eenmaal voorbereid, kunnen ze beter weerstand bieden aan ongedierte en ziekten, zelfs als ze aanvankelijk genetisch vatbaar waren.
Afhankelijk van de sterkte van de stressprikkel kan deze inprenting een levenslang effect hebben en zelfs worden doorgegeven aan volgende generaties. Hoe sterker de stress, hoe langer planten zich dit ‘herinneren’.
Planten kunnen ook hun omgeving gebruiken om stressherinneringen4 op te slaan. Wanneer ze worden aangevallen, geven planten chemische stoffen af via hun wortels, waardoor nuttige micro-organismen ziekten kunnen onderdrukken. Zodra de bodem is geconditioneerd, blijven deze nuttige micro-organismen in de buurt van de plantenwortels om de plant te helpen ziekten te bestrijden. Als deze bodemverbetering sterk genoeg is, kan dit een langdurig effect hebben, waar de volgende generatie planten van kan profiteren.
Bron: zie referentie 2
Bij sommige plantensoorten hebben wetenschappers de secundaire stoffen die dit externe stressgeheugen aansturen geïdentificeerd. Het zijn gespecialiseerde stoffen die niet essentieel zijn voor het primaire metabolisme van de cel.
Tenslotte is er misschien hoopvol nieuws voor de zomereik5 in onze bossen. Het is bekend dat de zomereik meer last heeft van droogte dan de wintereik. Met de toenemende droogteperiodes door de klimaatverandering stelt men zich dan ook vragen bij de toekomst van deze soort in onze bossen. Zomereiken lijken echter in staat te zijn om zich aan droogte aan te passen. De wetenschappers besluiten dan ook dat “alles bij elkaar genomen de grote fenotypische variatie binnen populaties en de voortdurende lokale aanpassing een basis vormen voor optimistische prognoses voor de toekomst van deze soort in het centrum van zijn huidige verspreidingsgebied.”
Referenties
AMOL., JANSEN J.J., VAN DAM N.M., DICKE M. & VISSER M.E. (2013) – Birds exploit herbivore-induced plant volatiles to locate herbivorous prey – Ecol Lett16(11):1348-55, doi: 10.1111/ele.12177 ↩
MALLICK S., LICHTER J., BAE S., KNEIB T., MOLLEMAN F., LEROY B.M.L., HILMERS T., HUSZARIK M., LIEBHOLD A.M., WEISSER W.W., JEHLE J.A., MÜLLER J., & PRINZING A. (2026) – Satellite data show trees delay budburst across landscapes to escape herbivores – Nature ecology & evolution, doi.org/10.1038/s41559-026-03071-9 ↩
PARKER A.H., WILKINSON S.W. & TON J. (2022) – Epigenetics: a catalyst of plant immunity against pathogens – New Phytologist 233: 66–83, doi: 10.1111/nph.17699 ↩
ROLFE S.A., GRIFFITHS J. & TON, J. (2019) – Crying out for help with root exudates : adaptive mechanisms by which stressed plants assemble health-promoting soil microbiomes – Current Opinion in Microbiology, 49: 73-82, doi.org/10.1016/j.mib.2019.10.003 ↩
NOSENKO T., SCHROEDER H., ZIMMER I., BUEGGER F., ORGEL F., BURAU I., PADMANABAN P.B.S., GHIRARDO A., BRACKER R., KERSTEN B.& SCHNITZL J.P. (2025) – Patterns of Adaptation to Drought in Quercus robur Populations in Central European Temperate Forests – Global Change Biology, 31:e70168 1 of 14, doi.org/10.1111/gcb.70168 ↩
De Vlaamse voorjaarsklassiekers liggen al weer een tijdje achter de rug en het moet gezegd, het waren boeiende wedstrijden. Soms even boeiend om te zien zijn de helikopterbeelden van het Vlaamse landschap dat hier en daar weer oranje-rood kleurde.
Niet door klaprozen zoals in het bekende gedicht van John McCrae In Flanders fields the poppies blow, maar door het gebruik van Roundup (glyfosaat), dat evengoed symbool staat voor dood en er mee voor zorgt dat klaprozen geen kans meer krijgen. Glyfosaat is in België verboden voor particulieren, maar onderzoek van het Nieuwsblad bracht aan het licht dat het via internet gemakkelijk te bestellen is bij Poolse webshops. De sectorfederatie Belplant – vereniging van de industrie van plantenbescherming – reageerde verbolgen op deze praktijk en dat is toch opmerkelijk: blijkbaar is het in de landbouw geen probleem om glyfosaat te gebruiken, maar elders wel? (waarmee we niet willen pleiten dat ook particulieren het weer mogen gebruiken!)
Nog opmerkelijk dit voorjaar was dat her en der groenten zoals prei ingeploegd werden. En recent1 werd er door de coöperatie van industriële groentetelers Ingro een grote partij plantgoed vernietigd – goed voor meer dan één miljoen kilo groenten – om, naar eigen zeggen, een overschotcrisis te voorkomen. En is het niet cynisch dat Belgische fruittelers bijna opgelucht reageren als een forse winterprik de fruitoogst van dit jaar in Polen hypothekeert? Het betekent minder aanbod en dus betere prijzen. De vertegenwoordiger2 van groente- en fruithandelaar Bel’Export: “Het is voor hen natuurlijk erg vervelend, maar het gezegde luidt niet voor niets: ‘De een zijn dood is de ander zijn brood.’” Is de solidariteit er bij de boeren enkel om te protesteren? Als iets dergelijks zich bij ons voordoet, worden onmiddellijk steunmaatregelen gevraagd …
En zou Sammy Mahdi vorig jaar nog eens teruggedacht hebben aan zijn uitspraak van oktober 2022 dat minister Demir (N-VA) de Belgische friet bedreigt door extra maatregelen in het kader van het MestActiePlan op te leggen. In april van dit jaar lag nog de helft van de totale aardappelproductie3 uit 2025 in bewaarloodsen. In dit alles spelen ook de industriële verwerkers een belangrijke rol, waarbij de individuele boer de grootste gedupeerde is.
De steeds terugkerende claim van organisaties, zoals de Boerenbond, dat milieu- en natuurmaatregelen onze voedselzekerheid bedreigen, klinkt steeds meer vals. Onze landbouworganisaties, toeleverings- en verwerkingsbedrijven liggen niet wakker van voedselzekerheid: landbouw is een industriële business. De individuele landbouwer is de speelbal, die men dan maar, als bliksemafleider, wijsmaakt dat natuur en milieu zijn vijanden zijn. De boer tussen hamer en aambeeld, misschien moet Mahdi daar eens een forse uitspraak over doen?