De zomermaanden juni, juli en augustus brachten in de Vlaamse Ardennen opnieuw een boeiend palet aan vogelwaarnemingen. Van lokale broedsuccessen tot opvallende doortrekkers: het seizoen leverde zowel verwachte als verrassende soorten op.
Begin juni werd een koppeltje geoorde fuut op de Callemoeie gezien, om daarna te verdwijnen. Op de Weiput in Zingem zat in augustus een zomertaling.
Zwarte ooievaars werden in juni over Grotenberge (2 ex.), Kaaihoeve (2 ex.) en Nazareth (1 ex.) gezien; in juli vloog er eentje over Asper. In augustus vielen de waarnemingen van de soort opvallend stil. Een lepelaar rustte uit aan de Callemoeie; er vlogen er vijf over Deinze. Aan de Donkvijver stalen woudaapjes de show: vermoedelijk twee koppels, met in juli de eerste juvenielen (3). Kleine zilverreigers werden gezien aan de Kaaihoeve, in Dikkelvenne en aan de Donk. Een purperreiger werd in juli aan de Donk waargenomen. In Kruishoutem werd in juni een kwak gezien; in juli eentje aan de oude Leiearm in Grammene; in augustus eentje aan de oude Leie aan Noorderwal. Twee koereigers doken in juli even op aan de Callemoeie en in augustus werden vijf exemplaren in Kruishoutem gezien.
Op 10 juni werden enkele vale gieren boven Merelbeke opgemerkt. Ze konden ook vanuit Roborst gezien worden. Wespendieven waren vrij actief en werden zowat overal gezien. Haviken werden eveneens over de hele periode gezien, met in augustus zwervende juvenielen. Rode wouwen werden in juni drie keer waargenomen en in augustus één keer over Strijpen. Een zwarte wouw werd in juni gezien. Een opvallende waarneming van een blauwe kiekendief kwam in juni uit Lozere en in juli werd een vrouwtje in Dikkelvenne waargenomen. Bruine kiekendieven begonnen in augustus aan hun trek. Een visarend werd eind juli aan de sluis in Kluisbergen gezien; in augustus werden zeven waarnemingen genoteerd. De eyecatcher was een zeearend boven Eke in augustus (Kay P.), reeds de vijfde van dit jaar voor de regio.
Bij de steltlopers viel in augustus een goudplevier op, die over Franskouter vloog. Boven Mater vloog een morinelplevier (Ludo VDL). Ook andere steltlopers zoals wulp, groenpootruiter, zwarte ruiter, bosruiter en tureluur deden de regio aan. De eyecatcher was een fotogenieke juveniele kleine strandloper die een dagje aan de grond kwam aan de Soeverein in Petegem-Leie (Jurgen D.).
Visdiefjes deden het goed met minstens vier geslaagde broedsels. In Eke vloog in juni een zwartkopmeeuw over. Pontische meeuwen begonnen in juli al aan hun najaarstrek; het vaste koppeltje rond de sluis in Oudenaarde bleef ook in augustus aanwezig.
Kwartel
Uilen waren goed vertegenwoordigd: ransuilen hadden in juni al grotere jongen (op een twaalftal plaatsen gehoord); ook de oehoe kwam in juni op het lijstje. Van kerk- en steenuil werd gemeld dat er dankzij een goed muizenjaar grote nesten zijn. Draaihalzen werden in augustus op doortrek waargenomen: een tuinwaarneming in Maarke-Kerkem (Jonas) en twee ringvangsten (1 en 2 ex.) in Wortegem en Welden. Kleine bonte spechten werden in juli op twee locaties gezien/gehoord en lieten zich in augustus vijf keer opmerken. Middelste bonte spechten werden in juli op zeven locaties gezien en in augustus werden er 2 ex. gezien in Nokere. Een hop, die sinds eind april in Nokere aanwezig was, liet zich nog opmerken tot eind juni, maar verdween dan. Wellicht vond de vogel geen partner (Lieven K.).
Voor kwartel was het een van de betere jaren van de afgelopen 15 jaar: 54 waarnemingen in juni, verdere meldingen in juli, maar in augustus bleef het met amper drie waarnemingen opmerkelijk stil.
Het aantal waarnemingen van wielewaal bleef laag: amper vier in juni. Eind augustus werd nog een roepende vogel gehoord in het Sint-Pietersbos te Ronse. In totaal slechts 25 waarnemingen dit jaar, het laagste aantal deze eeuw. Orpheusspotvogels werden in juni in Ronse (Lieven VG), Ename (Davy D) en Welden (Björn D) gezien of gehoord. Snorren zongen in juni in de Langemeersen en nog steeds in Kruishoutem (sinds het voorjaar). Grote lijsters werden in juni in Nokere en Mater gezien, en in juli in Bachte-Maria-Leerne. Grauwe vliegenvangers werden over de hele periode waargenomen, met maximaal 14 waarnemingen in augustus. Een bonte vliegenvanger werd in augustus in Astene gezien. Gekraagde roodstaarten werden in juni in Strijpen en in juli in Ename gezien. In augustus werden er nog enkele opgemerkt die reeds op doortrek waren. Ringmussen waren in juni nog steeds aanwezig in Machelen, werden in juli op vier locaties gezien en één exemplaar werd in augustus in Zingem waargenomen. In Everbeek werden in juni tot tien appelvinken gezien, waaronder een geslaagd broedsel; de familie bleef de hele zomer aanwezig. Er werd er ook eentje in Kruishoutem gezien. In augustus werden appelvinken in het Kluisbos en Everbeek gezien. Over Strijpen vlogen in juni zeven kruisbekken; in juli vlogen er twee over Welden.
Raven werden deze zomer gezien rond het Brakelbos, Muziekbos, Kluisbos en Hotondbos.
In juli zong in Petegem-Schelde een Europese kanarie (Theo H.). Geelgorzen werden in juli op acht locaties gezien/gehoord. Er was ook doortrek in augustus van fitis, sprinkhaanzanger, spotvogel, nachtegaal, gekraagde roodstaart … sommige soorten werden via ringvangst gemeld. Paapjes, tapuiten en roodborsttapuiten trokken goed door, vooral tegen het einde van de periode.
De achtste waarneming van bijeneter voor de regio dit jaar kwam in juni uit Elst (David B). Ondanks de verdere opmars van graszanger in Vlaanderen en vele waarnemingen vorig jaar, doen we het dit jaar voorlopig met één waarneming: Jacques VH had er eentje in Asper. Tot slot: Hilbran V. had over Franskouter een duinpieper in augustus en in Wortegem werd een ortolaan geringd.
De lente van dit jaar bracht in onze regio opnieuw een boeiende opeenvolging van bijzondere waarnemingen, met maart als startschot van een dynamisch voorjaar.
Eind maart werd op de Donkvijver in Oudenaarde een mannetje middelste zaagbek (NGE) ontdekt, terwijl op de Tweeling in Eke een roodhalsfuut (KPE) opdook. In Ouwegem werd in de derde week van maart een groep van 13 kraanvogels (LNE) aan de grond gezien. In de Langemeersen werd een roerdomp gehoord en in Melden zaten 6 koereigers. De zeearend werd twee keer gezien, over Everbeek en Vurste.
Op de Callemoeie leverden slaapplaatstellingen een zeldzame drieteenmeeuw (BDE, NGE) op, en in Mater werd een grote mantelmeeuw gezien. Daarnaast kwamen ook geelpootmeeuw, Pontische meeuw, zwartkopmeeuw en dwergmeeuw in de boekjes. Op de Callemoeie werden ook over het hele voorjaar heen geoorde futen gezien.
Zwarte specht werd in Everbeek en Wortegem gezien of gehoord. Raven waren actief rond het Muziekbos en Brakelbos. In Ouwegem werd een buidelmees (DDG) ontdekt. Ook zwarte mees, kuifmees en glanskop zongen in de grotere bosgebieden.
De eerste boerenzwaluw werd op 9 maart gezien, kort daarna gevolgd door de oeverzwaluw. Tjiftjaf arriveerde massaal en ook de eerste fitis werd gehoord. Het aantal zangposten van zwartkop nam gestaag toe in maart. Grote lijster had nog enkele zangposten, namelijk in Nokere, Everbeek en Brakelbos. De eerste blauwborst werd op 9 maart gevonden in de Langemeersen, waar ook even twee Europese kanaries werden gezien (DDE). Ook een zingende grauwe gors in Meilegem (HVE) en Berchem (SBE) maakte indruk. Helaas tijdelijke gasten.
In april zette de voorjaarstrek zich goed door. Vanaf begin april werden zomertalingen opgemerkt in de regio, al bleven er voor zover bekend geen koppeltjes broeden. In de derde week van april werd nog een late pijlstaart gezien in het Dal in Heurne. In Ouwegem kwamen voor de tweede keer kraanvogels (LVDW) aan de grond en een zwarte ooievaar (DPO) vloog over de Langemeersen. Ook de eerste kwartel liet zich horen in de Langemeersen. Een reuzenstern (ADV) vloog over de Heurnemeersen.
De eerste gierzwaluwen kwamen toe in de derde week van april. Bij de roofvogels was het eveneens druk: een zeearend, de derde van het voorjaar, werd begin april gezien in Meilegem en de eerste wespendief liet zich zien in Everbeek op het einde van april. In Ronse (GRO) en Boekel (LNE) vloog een grauwe kiekendief over. Een laat smelleken trok nog langs de Langemeersen.
Ook andere bijzondere soorten lieten zich zien. Hop werd in Etikhove, Nederbrakel (VVDM) en Nokere (LKI) gezien. Een zingende snor (LTH) werd in Kruishoutem ontdekt. Verder kwamen de eerste tuinfluiters, grasmussen, braamsluipers en sprinkhaanzangers toe. Er werden ook enkele beflijsters opgemerkt, waaronder een langdurige pleisteraar in de Langemeersen. Paapje en tapuit werden vrij regelmatig op doortrek gezien. De laatste twee barmsijzen werden aan de Callemoeie gezien, een kruisbek werd waargenomen in het Bos Terrijst en een grauwe gors (SFE) zong kortstondig in Nukerke.
Over het voorjaar heen trokken ook de steltlopers goed door: verschillende groepjes kluten, enkele keren steltkluut, scholeksters vormden paartjes vanaf maart, goud-, bontbek- en kleine plevieren werden geregeld opgemerkt. Verder passeerden nog wulp, grutto, bokje, kemphaan, tureluur, witgat, oeverloper en bonte strandloper. Het werd een recordjaar voor bosruiter en ook zwarte ruiter werd regelmatig gezien. Ook kleine zilverreigers, lepelaars, purperreigers, ooievaars, enz. passeerden regelmatig.
De passage bij de roofvogels was ook niet min: visarend (7 maal), rode wouw (46 maal) en zwarte wouw (36 maal). De laatste blauwe kiekendief werd nog halverwege mei gezien.
Een overzicht van enkele bijzondere broedvogels. Bij de koloniebroeders kwamen de blauwe reigers samen tot ongeveer 100 nesten in VA+. Aan de Callemoeie namen de aalscholvers 14 nesten in, en in de Brielmeersen was ook een aalscholvernest aanwezig. De ooievaars in de Brielmeersen kwamen tot 7 nesten, terwijl in Ooidonk een nieuwe broedlocatie met één nest werd vastgesteld. Daarmee kwam het regionale totaal op 8 nesten, een nieuw record. Ook de roeken bereikten een recordjaar met 1.400 nesten verspreid over VA+, waardoor onze regio opnieuw een echt bolwerk voor de soort in Vlaanderen bleek. In de Heurnemeersen groeide de kolonie kokmeeuwen verder aan tot 9 nesten, waarbij de broedvlotjes duidelijk hun werk deden en tegelijk extra vogels aantrokken die nu ook in het moerasbosje broeden.
Van de visdief waren er in de streek inmiddels minstens vier broedende koppels en twee zwarte sterns passeerden de Callemoeie. Bruine kiekendief broedde op minstens vijf locaties en slechtvalk kwam ook tot broeden op enkele plekken in VA+. Havik werd op 24 locaties gezien. We mogen uitgaan van een aantal broedparen. Middelste bonte specht kwam ook voor in 24 km-hokken. Oehoe zet zijn opmars verder door en bereikte ondertussen ook al Bos t’Ename.
Roodborsttapuit werd in een 40-tal km-hokken waargenomen. Dat moet een van de hoogste aantallen zijn deze eeuw. Nachtegaal zong in 14 verschillende km-hokken. Ringmus doet het dan weer heel slecht, met nog maar een paar clusters in de regio. Ook grote lijster blijft op een laag aantal steken. Geelgors was nog aanwezig in 12 km-hokken.
In mei mindert de intensiteit van de trek, maar de kans op zeldzaamheden vergroot. Op 1 mei vlogen 2 roodpootvalken (JDW) over TTP Loweg in Mullem. Op 2 mei trok een jonge slangenarend (DVDP) over de Langemeersen, een waarneming die nog maar de vijfde van de soort in de regio was en bovendien de eerste met bewijsfoto. Op 3 mei passeerden 3 witwangsterns (BDE) over de Callemoeie, eveneens een zeldzame gebeurtenis. In Ronse werd een koereiger waargenomen. De woudapen aan de Donk keerden opnieuw terug.
Bij de steltlopers doken opnieuw enkele zeldzame doortrekkers op. Temmincks strandlopers passeerden aan de Callemoeie (SFE) en in de Heurnemeersen (DDG). Aan de Callemoeie werden daarnaast een zilverplevier (KSN) en een kanoet (LTH) gezien, soorten die niet elk jaar opduiken.
Een zomertortel (TVE) werd zingend gehoord in Dikkelvenne. Bijeneter kende een bijzonder sterke maand met zeven waarnemingen, wat past binnen de trend dat de soort regelmatiger wordt gezien. Hop werd opnieuw drie keer gemeld, onder meer aan de Donk (HME), in een tuin aan Volkegembos (KHU) en langdurig pleisterend in Nokere (LKI). Een mannetje grauwe klauwier werd gezien in Olsene (LHA) en een vrouwtje in Zulzeke (GIE).
De waarnemingen van wielewaal namen toe in de loop van mei, al bleven ze beperkt. Van orpheusspotvogel kwamen vijf meldingen binnen. In Kruishoutem liet de snor zich nog steeds horen. Een opvallende fluiter (TDC) werd op 1 mei in het Brakelbos ontdekt, jammer genoeg slechts als doortrekker. Het aantal waarnemingen van grauwe vliegenvanger bleef laag, net als dat van gekraagde roodstaart. Bonte vliegenvanger werd vier keer gezien of gehoord, waarvan vermoedelijk één broedgeval in Bachte-Maria-Leerne. Goudvink werd op twee locaties in Ronse gehoord.
Zo vormden maart, april en mei samen een bijzonder rijk en gevarieerd voorjaar, met een mooie afwisseling van broedvogels, doortrekkers en uitzonderlijke zeldzaamheden die de regio opnieuw op de kaart zetten.
Op 9 mei hielden heel wat vogelwerkgroepen in Vlaanderen hun jaarlijkse birdathon en ook wij in Vlaamse Ardennen plus deden opnieuw mee. Het doel? Zo veel mogelijk buiten lopen, zo veel mogelijk verschillende soorten zien binnen onze regiogrenzen, zo veel mogelijk mensen op de been brengen, en een hoop plezier beleven natuurlijk. Tijdens al die pret wordt ook heel wat nuttig werk geleverd. Zo worden tal van nieuwe territoria en zangposten ontdekt van broedvogels.
In VA+ waren die dag minstens 86 mensen op pad en werden bijna 1.400 waarnemingen ingevoerd. Goed voor 118 soorten! Dat is zonder exoten zoals nijlgans, fazant, etc.). In 2025 deden we ietsje beter met 121 soorten.
We haalden enkele zeldzame soorten binnen. Zoals een mannetje grauwe klauwier in Olsene, gevonden door Luc H. We scoorden ook de enige hoppen van Vlaanderen. Één in Volkegem door Klaas H. en één in Nokere door Lieven K. Verder waren snor, lepelaar, orpheusspotvogel, enz. leuke toevoegingen op de daglijst. Ook zeldzame broedvogels (voor de regio althans) zoals bonte en grauwe vliegenvanger, ringmus, gekraagde roodstaart, appelvink en grote lijster kwamen op de lijst.
Maar niet alles lukt natuurlijk. Opvallend, we konden maar geen slobeend vinden. Nochtans werden die de dagen ervoor wel gezien. Hetzelfde verhaal voor watersnip, geoorde fuut en ransuil. Ook goed verscholen broedvogels zoals middelste bonte specht en oehoe kregen we niet voor de kijker die dag. Nochtans zeker aanwezig in Vlaamse Ardennen plus.
Zo’n birdathon houdt ook een beetje de vinger aan de pols en laat soms pijnlijk blijken welke soorten verdomd moeilijk te vinden zijn. Zo hadden we van grote lijster en geelgors maar een waarneming. Ook ringmus wordt jaar na jaar moeilijker.
In ieder geval, we beleefden wel veel plezier. We brachten veel mensen op de been. En, er is alweer een hoop nuttige data verzameld!
Tot volgend jaar!
En nog een speciale vermelding voor ‘ons’ Eleen Legat, die de birdathon coördineerde over heel Vlaanderen.
In 2025 werd in de Vlaamse Ardennen een geslaagd broedgeval van hop vastgesteld. Het betreft het eerste bevestigde broedgeval in de regio in minstens 75 jaar.
In de Vlaamse Ardennen verdwenen de laatste broedende hoppen vermoedelijk in de jaren 1950. Op de zandgronden van Zulte zouden toen nog twee koppels hebben gebroed. In het boek1 ‘Zijn er nog vogels?’ wordt vermeld dat in de jaren 1940 nesten van hoppen in Wortegem door kinderen werden leeggeroofd. De soort lijkt het in de 21ste eeuw opnieuw iets beter te doen met een aantal broedgevallen in Vlaanderen.
De aanloop naar het broedgeval in de Vlaamse Ardennen begon al in 2024. Buurtbewoners meldden toen in mei en juni een roepende hop ergens nabij de taalgrens in Brakel. De vogel werd ook herhaaldelijk foeragerend waargenomen in de omliggende tuinen. De waarnemingen stopten echter in de derde week van juni. In april 2025 herhaalde de situatie zich. Opnieuw waren het de buurtbewoners die in de tweede week van april een roepende hop meldden.
Eind mei kon Ken De Cooman het nest lokaliseren. Verrassend was dat er in juni-juli een tweede broedsel volgde in hetzelfde nest. Meestal wordt door Europese hoppen slechts één keer per jaar gebroed. Het is wel bekend dat hoppen jarenlang hetzelfde nest kunnen gebruiken. In die optiek is het interessant om te weten dat de hop in de jaren 1930 op dezelfde locatie broedde.
Zo’n tweede legsel start vaak al tien dagen na het uitvliegen van het laatste jong van het eerste broedsel en soms volgt het eerste ei zelfs al onmiddellijk nadat het laatste jong het nest heeft verlaten.
Het paar broedde in de rand van een groot beukenbos, dat tot de bosgordel op de getuigenheuvels van de Vlaamse Ardennen behoort. De nestholte bevond zich in een afgestorven beuk. De hop foerageerde geregeld in de tuinen en op de schapenweide in de omgeving.
Bij het ontdekken van de nestlocatie op 21 mei waren er nog geen jongen te zien in het nest. Een week later, op 28 mei, werden voor het eerst twee jongen waargenomen. Op 3 juni waren de jongen vermoedelijk uitgevlogen en de dagen daarop was de roep weer te horen. Ook bij het tweede legsel waren er twee jongen.
De reproductie van twee keer twee uitgevlogen jongen is aan de lage kant. In een nest van zeven eieren komen gemiddeld vijf tot zes jongen uit en vliegen er gemiddeld drie tot vier uit.
Referenties
MENSCHAERT L. (1991) – Zijn er nog vogels – Wielewaal Schelde-Leie ↩
In december was er weinig vorst, waardoor het aantal wintergasten relatief beperkt bleef, terwijl in januari en februari stilaan meer typische wintergasten en vroege doortrekkers opdoken. Een occasioneel sneeuwtapijt zorgde voor wat meer dynamiek.
Over de hele winter werden kolganzen gezien, voornamelijk in de Scheldevallei, met een duidelijke piek in februari, waar rond Semmerzake meer dan 600 exemplaren werden geteld. Hier en daar werden enkele toendrarietganzen gezien.
In de Brielmeersen te Deinze overwinterden opnieuw enkele ooievaars; in februari waren daar al 7 nesten bezet. Grote zilverreigers werden de hele winter verspreid waargenomen, met de grootste concentratie rond Zingem: maximaal 12 ex. Kleine zilverreiger kwam 11 keer in de boekjes terecht, terwijl koereiger 5 maal gemeld werd, met o.a. een groepje van drie in Kwaremont.
Roerdomp, een soort die de laatste jaren moeilijk waar te nemen is in VA+, liet zich nu op 4 locaties zien. Vooral in de Langemeersen was een exemplaar vaak te zien.
In januari vond Nico G. een roodhalsfuut op de Callemoeie, waar in dezelfde maand ook al brilduiker en nonnetje werden gevonden, meteen de eerste topsoort van het nieuwe jaar.
Op de Donkvijver werd een koppel grote zaagbek ontdekt.
Bij de steltlopers zorgde een korte afkoelingsperiode eind december voor wat beweging, met kemphanen in Roborst, aan de Callemoeie en in de Langemeersen. Bokjes werden op vijf locaties gezien, terwijl van houtsnip 75 waarnemingen binnenkwamen, met maxima van 7 exemplaren in Bos t’Ename en 6 in Zingem. Goudplevieren werden onder meer gezien met een groep van 44 over Roborst en met 30 exemplaren over Maarkedal. In februari kwam bij de steltjes duidelijk al de voorjaarstrek op gang. De eerste scholeksters en grutto’s verschenen, naast waarnemingen van goudplevier, witgatje, tureluur, wulp en kemphaan. Twee bonte strandlopers verbleven kort in Ouwegem. Op dezelfde locatie werden ook een groenpootruiter en een bontbekplevier gezien, de eerste februariwaarnemingen van deze soorten voor VA+.
De meeuwenslaapplaats aan de Callemoeie werd opnieuw intensief gevolgd door Nico G en Björn D. De wintermaxima bedroegen 8500 kokmeeuwen, 3900 stormmeeuwen, 660 zilvermeeuwen, 30 kleine mantelmeeuwen, 8 zwartkopmeeuwen, 9 Pontische meeuwen, 2 geelpootmeeuwen en 1 dwergmeeuw. In Ouwegem werden nog 2 grote mantelmeeuwen gezien.
Van de kraanvogeltrek konden in februari ook in VA+ enkele waarnemingen genoteerd worden, met in totaal vijf meldingen van doortrekkende groepen.
Havik kwam deze winter 11 maal in de boekjes. Het aantal blauwe kiekendieven bleef in december relatief laag, met maximaal twee exemplaren op de slaapplaats, maar in januari en februari werden er telkens 8 op deze slaapplaats geteld. Bruine kiekendief werd in januari in Nederename gezien. Rode wouw werd in elke wintermaand meerdere keren gezien. Smelleken werd in januari in Gottem en in februari in Zulzeke gezien. Slechtvalken namen opnieuw territoria in in Zottegem, Ronse en Oudenaarde, met waarnemingen in januari en februari.
De uitschieter bij de roofvogels was een overvliegende grijze wouw eind februari in Opbrakel door Steven DB; het is wachten op een pleisterend individu.
Oehoes lieten zich in alle drie de wintermaanden op verschillende locaties horen en soms zien. In december werd ransuil op twee locaties vastgesteld, in januari werd een ransuilenroest in Nederename met maximaal drie exemplaren gemeld en in februari werden ransuilen op vijf locaties gezien of gehoord.
In februari namen de spechtenactiviteit en het trommelen merkbaar toe: middelste en kleine bonte specht werden elk op verschillende locaties gezien of gehoord, en ook zwarte specht werd opgetekend.
De raven hebben echt wel vaste voet aan de grond gekregen in de regio. Na de doorbraak in 2025 werden deze winter nog steeds raven gemeld. Voornamelijk aan de grote bossen in het zuiden van VA+. Een bijzondere melding begin februari betrof een bonte kraai langs de N8 ter hoogte van de Kappeleberg in Maarke door Leo D.; zoekacties in de omgeving leverden geen vervolgwaarnemingen op. Indien deze aanvaard wordt door het BRBC (Belgian Rare Birds Committee), wordt dit de eerste waarneming van de soort deze eeuw voor VA+.
Nog een uitschieter: in januari werd een grote pieper als allereerste winterwaarneming voor de regio over Strijpen vastgesteld door Chris N., en in het Muziekbos werd een witkopstaartmees gevonden door Simon F.
Er overwinterden in onze regio opnieuw enkele groepjes boomleeuwerik. Ringmussen werden maar op 6 plaatsen teruggevonden. Van grote lijster werden amper twee zangposten gevonden. Een pijnlijke vaststelling.Roodborsttapuiten overwinterden op verschillende plaatsen. Een zeer zacht einde van de maand februari nodigde veel overwinterende tjiftjaffen uit om al te beginnen zingen. Een zingende zwartkop op 4 februari werd als opvallend vroeg genoteerd.
Appelvink kwam op verschillende plaatsen deze winter in beeld, met een maximum van 10 exemplaren aan de Kaaihoeve in Meilegem. Goudvink kwam in januari in Nukerke en Ruien in de notitieboekjes. Kneu vormde in december op verschillende plekken grotere groepen, met een opvallend maximum van circa 400 exemplaren in Ronse. Barmsijzen werden zowel in december als in januari en februari regelmatig gezien, met meerdere meldingen verspreid over de regio. Tot slot kwam in december een grote slaapgroep rietgors in beeld, met 250 exemplaren in de Snippenweide, waar ook waterpiepers overnachtten. Overwinterende geelgorzen kwamen op amper 4 locaties in beeld.
Dank aan alle waarnemers. Volg de waarnemingen per dag op via de website van de Vogelwerkgroep VA+. En bij deze ook een oproep: blijf waarnemingen invoeren. Alleen zo kunnen we een duidelijk beeld krijgen van de verspreiding en evolutie van de aantallen. Nu het broedseizoen eraan komt, graag ook bij het vakje ‘gedrag’ de juiste optie selecteren: bv. zingend, of nestbouw, enz.