Aaien kan gevaarlijk zijn!

Aaien kan gevaarlijk zijn!

Je kan tegenwoordig bijna geen televisie meer kijken zonder dat je een reclame voor een antiparasietenmiddel voor huisdieren te zien krijgt. Beestje en baasje lijken in die reclames altijd vrolijk en gelukkig, maar er zit aan het gebruik van die middelen toch een duister kantje.

In Nederland houdt documentair fotograaf Marlonneke Willemsen zich bezig met de groei en ontwikkeling van verschillende diersoorten. Zo voerde ze op een bepaald ogenblik rupsen van de nachtvlinder grote beer met de blaadjes van paardenbloemen die ze uit het stadspark haalde. De rupsen groeiden normaal, maar bij het uit de pop komen bleken de vlinders ernstig misvormd. Vele vlinders konden helemaal niet meer uit de pop komen. Bij analyse van de paardenbloemen werden grote concentraties en aantallen van insecticiden en andere bestrijdingsmiddelen aangetroffen. Dat was aanleiding voor verder onderzoek (2023): in paardenbloemen van 15 openbare parken in 7 Nederlandse provincies werden overal middelen tegen vlooien, teken en luizen aangetroffen. In alle paardenbloemenmonsters waren tevens bestrijdingsmiddelen aanwezig, afkomstig uit de landbouw.

In zijn boek ‘Het pesticidenparadijs’1 geeft Dirk de Bekker daar meer duiding over.

Veel van de gebruikte middelen die men vrij kan kopen, bevatten gevaarlijke stoffen die in de landbouw sinds 2018 verboden zijn, zoals fipronil, een PFAS forever chemical, en imidacloprid. In 2017 werden in Nederland en België tientallen pluimveebedrijven geblokkeerd, omdat men er te hoge gehaltes aan fipronil had vastgesteld. Het product was er gebruikt om bloedluis te bestrijden. Veel mensen beschouwen deze producten, omdat ze vrij te koop zijn, niet als potentieel gevaarlijk. Dat geldt trouwens ook voor alle middeltjes tegen mieren, vliegen, wespen, … Plantencentra verkopen ‘bij-vriendelijke’ planten, terwijl een rayon verder onschuldig ogende producten, maar gevaarlijk voor bijen, verkocht worden. De bij-vriendelijke planten zijn bovendien vaak zelf met pesticiden opgekweekt.

Bij een ‘aai-experiment’ bleek dat zelfs een maand na het toedienen van het product, met daarbij het ook ons bekende Frontline, de eigenaren nog fipronil en imidacloprid mee-aaiden. Via zwemmende, plassende, ruiende … honden (en katten, maar die zwemmen niet) komen zo veel pesticiden in het milieu terecht. Ook via het wassen van dekens en manden komen deze producten via het afvalwater in het water terecht. En hoe dan ook horen de gekamde haren thuis in de vuilbak, of bij het Klein Gevaarlijk Afval.

Uit onderzoek2 blijkt dat fipronil en imidacloprid in verband kunnen worden gebracht met lagere scores op het gebied van cognitieve en adaptieve vaardigheden bij kinderen met autisme.

In de natuur is één pipetje imidacloprid voor een middelgrote hond al in staat 25 miljoen bijen te doden. Als hondenbezitters hun huisdier buiten in de tuin kammen, of ergens in een natuurgebied (om het thuis ‘proper’ te houden), kunnen deze haren door vogels gebruikt worden als nestmateriaal. De jongen komen dan via hun blote huid in contact met de pesticiden. Bij een studie3 naar haren in 103 nesten van mezen, werd er in elk nest fipronil aangetroffen; in bijna 90% vond men ook imidacloprid. Over het algemeen werd een groter aantal dode jongen of niet-uitgekomen eieren aangetroffen in nesten met een grotere hoeveelheid insecticiden, een hogere totale concentratie aan insecticiden of een hogere concentratie aan fipronil, imidacloprid of permethrin. Dit wijst erop dat de blootstelling van eieren aan insecticiden in de nestbekleding kan leiden tot sterfte en een lager voortplantingssucces. Het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie vond het nodig om op haar website4 de studie in twijfel te trekken, onder andere door te stellen dat “de waargenomen trends correlaties zijn, en geen oorzakelijke verbanden”. En dat bovendien “de haren evengoed gecontamineerd zouden kunnen zijn door de omgeving.” (hoe de, in de landbouw verboden, fipronil daar dan terechtkwam, wordt niet uitgelegd)

In 2025 bedroeg het aantal geregistreerde honden5 in Vlaanderen 1.385.033, het aantal geregistreerde katten (en dat zijn ze niet allemaal) 673.038.

De reden dat deze, in de landbouw verboden, producten zo gemakkelijk gebruikt kunnen worden, komt door het feit dat het gaat om twee verschillende wetgevingen. Omdat ze toegepast worden op een dier, zijn het geen bestrijdingsmiddelen, maar diergeneesmiddelen. Daardoor ontsnappen ze aan de controle van de EFSA, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, maar vallen ze onder de controle van het EMA, het Europees Geneesmiddelenbureau. En een milieubeoordeling voor middelen voor huisdieren bestaat er blijkbaar niet. Het EFSA kan dus bepaalde pesticiden verbieden wegens te gevaarlijk, terwijl het EMA ze gewoon toestaat. Het EMA heeft ondertussen wel toegezegd om met richtlijnen te komen … tegen 2029.

Voor wie zich verder wil verdiepen in dit onderwerp verscheen recent in Groot-Brittannië de uitgebreide (212 p.!) review6 ‘Flea Pollution Treatment Crisis – an Independent Review’. We citeren enkele zaken uit de synopsis en samenvatting van dit document.

Fipronil en imidacloprid brengen ernstige en mogelijk onomkeerbare schade toe aan het waterleven, hebben waarschijnlijk gevolgen voor de vogelpopulaties, leiden tot een afname van de bestuiverspopulaties in openbare parken, en hopen zich op in vissen.

Uit nieuw bewijsmateriaal blijkt dat er aanzienlijke hoeveelheden voorheen onopgemerkte giftige afbraakproducten van fipronil en imidacloprid in het rioolwater zijn aangetroffen. Aangezien er in het Verenigd Koninkrijk niet naar deze stoffen is gezocht, bestaat de vrees dat we de hoeveelheid giftige chemicaliën die als gevolg van het gebruik van beide oorspronkelijke stoffen in rivieren terechtkomt, aanzienlijk onderschatten.

Een concentratie van 0,02 μg/l imidacloprid in het oppervlaktewater leidde in Nederland tot een afname van 30% van het aantal vogels over een periode van tien jaar.

Uit een onderzoek naar pesticiden en populaties van ongewervelde dieren in 13 beken in natuurreservaten in Duitsland bleek dat de hoogste niveaus van giftigheid werden veroorzaakt door overschrijdingen van de ecologische grenswaarden voor fipronil. Deze waren de belangrijkste oorzaak van de lagere aantallen vervuilingsgevoelige soorten (zoals libellen, eendagsvliegen en kokerjuffers). Er was geen lozing vanuit de landbouw of rioolwaterzuiveringsinstallaties in de beken; honden op wandelpaden naast de verontreinigde beken waren waarschijnlijk de oorzaak van de vervuiling.

Tussen 2013 en 2022 leidde de vervuiling door imidacloprid tot een afname van de populaties van insectenetende vogels in Frankrijk met 12,7% vóór 2018; deze afname hield jarenlang aan, waarbij de populaties zelfs na het verbod van gebruik in de landbouw van 2018 nog steeds met 9% waren afgenomen.

Veel bedenkingen voor het geval je bij een volgende ontmoeting een hondeneigenaar hoort zeggen: “Hij doet niets hoor …”

Referenties

  1. DE BEKKER D (2026) – Het pesticidenparadijs: over de impact van bestrijdingsmiddelen, verstrengelde belangen en misbruikte wetenschap – de arbeiderspers ↩
  2. GOODRICH A.J., TANCREDI D.J., LUDENA Y.L., ROUDNEVA E., SCHMIDT R.J., HERTZ-PICCIOTTO I. & BENNETT D.H. (2025) – Pet Flea and Tick Control Exposure During Pregnancy and Early Life Associated with Decreased Cognitive and Adaptive Behaviors in Children with Developmental Delay and Autism Spectrum Disorder – Int. J. Environ. Res. Public Health 2025, 22, 1149, doi.org/10.3390/ijerph22071149 ↩
  3. TASSIN DE MONTAIGU C., GLAUSER G., GUINCHARD S. & GOULSON D. (2025) – High prevalence of veterinary drugs in bird’s nests – Science of the total environment https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0048969725000737 ↩
  4. https://www.vetcompendium.be/nl/node/6321 ↩
  5. https://www.vlaanderen.be/dierenwelzijn/werking-en-beleid/cijfers-dierenwelzijn ↩
  6. SHARDLOW M.E.A. (2026) – Flea Pollution Treatment Crisis – an Independent Review. – Wildlife and Countryside Link, London. https://www.wcl.org.uk/docs/2026/Flea%20Treatment%20Crisis%20-%20Independent%20Review%20final.pdf ↩
Onze kleinste uil

Onze kleinste uil

Voor veel mensen is, of eerder ‘was’, de steenuil nog de meest gekende uil in het veld. Kerkuil en ook bosuil scoren nu beter in de media en de film, de bosuil ook meer en meer in het veld: sedert 1990 doet de soort het goed en verovert als een goede strateeg bos na bos en soms zelfs dorp na dorp.

De steenuil is in Nederland ‘Vogel van het jaar’1 met een sticker en al, en een groots programma van aandacht, bescherming en inventarisatie, en er is meer en meer nieuwe informatie over zijn voedsel.

Steenuilen bij ons toen

Steenuilen huizen dikwijls in de buurt van mensen: in de boomgaard, de huisweide van de boerderij, de knotwilgen en de schuurtjes op den buiten en ook in gebouwen. In La Brenne kennen we minstens twee ‘huisuilen’ in bewoonde huizen op de zolder, die nog jaarlijks op de afspraak te zien zijn, zonnend in het verluchtingsgat op de zolder. Tot mijn spijt moet ik meer en meer de verleden tijd gebruiken, want het gaat niet goed met de soort. Dat is erg snel gegaan en we kunnen het goed weten, omdat het ooit een populaire soort was om te inventariseren. Wat was er ooit aantrekkelijker dan in de voorjaarsschemering op pad te gaan, gewapend met kaart en bandrecorder, of gewoon de baltsroep even na te bootsen en dan de antwoorden af te wachten? Veel van de nu wat oudere generatie kent dat. Daar zijn de verhalen van de landbouwer die verbouwereerd stond te kijken naar ‘man met fiets op de rug’ door zijn velden stappend, want we wilden het grondig doen! Wat een sfeer ook, zachte avonden waren het best en zoals Géroudet dat in zijn uilenboek vermeldt: de steenuil moet je zoeken als in de boerderijen de eerste, toen eerder bescheiden, lichten aangaan; dit is de perfecte weergave! De dichtheid aan steenuilen was toen groot, zowel in de weiden als in de landbouwgebieden. Zingem spande toen de kroon met wel 10 paar per km2 met Jacques als teller.

Steenuil © Wikimedia
Steenuil © Wikimedia

Steenuilen bij ons nu

Ze zijn er nog! En dat is al wat in deze tijden, maar hun aantal loopt snel terug. In Nederland noemt men dat de soorten in de min, samen met rans- en velduil. De bosuil en de oehoe zitten in het andere kamp. Meestal hoort nu een lange opsomming te volgen van de oorzaken waarom het misgaat, maar deze voorop: voor de steenuil is het huidige landschap uitgewoond, te kort aan alles, voedsel, nestgelegenheid, veiligheid. Dat is gelukkig niet overal zo: in de groentenstreek in West-Vlaanderen doet hij het recent goed, wat men niet zou verwachten, want het loopt daar allicht niet over van de biologische boeren. En toch: een gemengd, kleinschalig landschap en ijverige vrijwilligers aan de slag met nestkasten hebben succes. Er is dus hoop. Steenuilen eten wat de pot schaft, van muizen tot kevers en nachtvlinders: camera’s bij nestkasten geven een mooi nieuw inzicht. Bij ons zijn de problemen alleen groter geworden, het aantal kleine boerderijen met bijbehorende kleinschaligheid is gedecimeerd. Er is een enorme schaalvergroting in de landbouw met grotere percelen en andere teelten en werkwijzen. Iedereen heeft dit voorjaar gezien dat eind april, en dit is vroeger dan ooit, overal reeds gras gemaaid werd, en ook soms op oude weiden. Dit is ook nefast voor soorten als graspieper en andere grondbroeders. Het is best confronterend om eens een perceel opkomende maïs te volgen, mooie rijtjes, maar na een paar weken geen ander plantje meer te zien: de invloed van pesticiden is voor de natuur sluipend gif en het Europees gebruik is groeiend, wat men ook moge denken. Het in elkaar klappen van de insectenpopulatie heeft ook zware gevolgen voor de steenuil, waar in sommige braakballetjes alleen keverresten te vinden zijn en waarvan we nu met de foto’s weten dat grotere kevers als mei- en mestkevers een belangrijk aandeel vormen, ook in het voedsel voor de jongen. Dat de koeien veel minder buiten mogen lopen, helpt natuurlijk ook niet en daarbovenop hebben ook de ontwormingsmiddelen nadelige gevolgen. En dan zijn er nog de verkeersslachtoffers (het N60-traject is ongeveer ‘steenuilvrij’) en de marters en bosuilen voeren ook de druk op de populaties op.

Is er hoop?

Steenuil © Jos Zwarts

Er is veel goede wil en vernieuwde inzet, ook bij ons, o.a. bij het Landschapspark Vlaamse Ardennen, met publieksinformatie en een nieuwe nestkastenactie. Voor de meeste mensen is de steenuil ook eerder een sympathieke, bijna knuffelbare soort, daar zal het niet aan liggen. Het knelpunt zit bij het landgebruik, dat in vergelijking met die echt goede oude tijd voor de soort de grote uitdaging vormt: men heeft nood aan een steenuilenbarometer die inschat of een omgeving nog draagkracht heeft voor de soort en wat er meer nodig is. In Nederland zijn een paar specialisten aan het werk die nieuwe inzichten aanbrengen. Steenuil zijn lijkt me daar soms zelfs bedenkelijk om te leven: sommige nestkasten zijn zwaar uitgerust met camera’s en anti-martersystemen. Die uilen kunnen geen poot verzetten of het staat op beeld. Maar het levert nieuwe inzichten op, zoals waarom steenuilen het in Nederland nu blijkbaar beter doen op zandgrond dan op kleigrond, te zien op de grafiek2 hierbij. Maar die lijntjes doen stijgen, dat is ‘andere koek’. We houden jullie verder op de hoogte!

Referenties

  1. https://www.vogelbescherming.nl/actueel/bericht/2026-wordt-het-jaar-van-de-steenuil ↩
  2. REINARTZ R., BRINKMAN C. & VAN DEN BREMER L. 2025. – Voorstudie Jaar van de Steenuil 2026 – Sovon-rapport 2025/131. ↩
Vissen

Vissen

Wat onderbelicht in de natuur zijn vissen: weinig lezers zullen allicht vissers zijn en je moet al geluk hebben om op je wandelingen vissen te zien, laat staan ze op naam te brengen. Uitzondering daarop zijn karpers, rietvoorns en snoeken die dikwijls liggen te zonnen aan de wateroppervlakte en die met de kijker best te observeren zijn.

Hun rol in de natuur is nochtans belangrijk, of anders gezegd: hun invloed is niet min op beken en vijvers. Meest bekend is hun rol als prooi voor ijsvogels, reigers, futen en aalscholvers. Iedereen kan zich allicht de foto’s herinneren van een aalscholver met een veel te grote vis die hij niet naar binnen krijgt. Woudaapjes die we zo graag terug willen zien, hebben vis nodig. Maar er is meer: waterplanten kunnen volledig verdwijnen bij een teveel aan karpers en door al hun modderwoelen kunnen ze water biologisch ruïneren. Vissen zijn ook niet de beste vrienden van amfibieën en ook libellen hebben voordeel aan een eerder matige of afwezige visstand: eieren en larven zijn basisvoedsel voor veel vissen. Er beweegt ook wel wat in de vissenwereld en ook daar gaan ze ‘met hun tijd mee’ door de aankomst van nieuwe soorten als blauwbandgrondels en zwartbekgrondels. Dat is overigens geen geschenk, want samen met zonnebaarzen, giebels, wolhandkrabben en vreemde rivierkreeften vormen ze stilaan een bijna onomkeerbaar probleem in viswaters en natuurgebieden.

Op waarnemingen.be loopt het niet over van gegevens en dat is spijtig natuurlijk, want we hebben ook soorten als rivierdonderpadden en beekforel die als zeldzaamheden onze streek op de kaart zetten. Er worden wel via diverse instanties (provincie, VMM, ANB en diverse gemeenten) grote inspanningen gedaan rond beheer en bescherming, maar dat komt niet zomaar in het nieuws. We hebben wel een informant, Marc Verbeiren, die brieft over de stand van zaken. Algemeen ziet het er naar uit dat er nog heel veel werk te doen is rond waterkwaliteit (vervuiling huishoudelijk, landbouw en industrieel), waarvoor zuiveringsinfrastructuren, afvalwatercollectoren, wachtbekkens, vistrappen en ‘grond’afspraken nodig zijn.

Meestal onopgemerkt is men al een hele weg gegaan en dat is te zien met de vissen als meetlat. Als voorbeeld de Wallebeek en Lozerbeek: in 1996 nog zonder leven maar tussen 2004 en 2008 een gunstige evolutie met driedoornige stekelbaars en blauwbandgrondel, ook al is deze laatste een invasieve exoot. Veel duidelijker is dat bij de toeristische Leie, waar men sinds 1990 een verandering zag van slecht naar BBI (Belg. Biotische index) 6-8 (= matig tot goed). In 2023 had men met 19 vissoorten al een mooie collectie, met toen het besluit: er zit weer vis op de Leie. In 2025 is er weer een afvissing met reeds snoekbaars en baars als roofvis en al boeiende soorten als bittervoorn, kopvoorn en vetje. Toen werd ook een Amerikaanse rivierkreeft gevangen, en dat is natuurlijk minder goed nieuws. We vermelden hier dat de Schelde ondertussen al iets langer een hele metamorfose qua vis onderging, zowel in soorten als in hoeveelheid.

Stekelbaars
Stekelbaars

Dan de Zwalm: in 2026 nog steeds te hoge concentraties aan fosfor en in mindere mate ook stikstof, maar ook afbraakproducten van bestrijdingsmiddelen, en nog steeds (hoewel minder) huishoudelijk afvalwater. Daarnaast blijft er het grote probleem van erosie! De Zwalm is heel belangrijk omwille van zijn goede bovenlopen (o.a. de Sassegembeek) met topsoorten als beekprik, beekforel en rivierdonderpad. De afvissing door het INBO in 2022 en 2023 met 11 en 7 vissoorten toonde ook bittervoorn, kopvoorn, riviergrondel, serpeling en alver en telkens ook paling. Men zet in op herstel met structuurherstel van de waterloop en aanpak van vismigratieknelpunten, o.a. bij de Zwalmmolen, wachtbekkens en vistrappen, maar zuiveringsinfrastructuren laten op zich wachten (Nederzwalm, Brakel, Zegelsem). Recent komt ook de oeverbescherming helpen, met een grens van het water van 5 meter voor bemesting en 1 meter voor grondbewerking en gewasbescherming. Deze maatregel kan helpen in natuurherstel en niet alleen voor vissen! Ervaringen graag te delen in de toekomst. Tenslotte het Maarkebekken met de Nederaalbeek (wat een naam!), de Maarkebeek en de Pauwelsbeek, waar het ook naar beter evolueert met o.a. riviergrondel en bermpje als successoorten en wisselend nieuws over de rivierdonderpad. Maar dit voorjaar waren er enorme problemen in de Maarkebeek met erosie. In die mate dat een vistrap beschadigd werd en mogelijk het einde betekenen van de populatie beekprik.

De conclusie is vooral dat het, mits heel veel inzet van veel instanties, toch de goede weg op gaat, maar zoals zo dikwijls met natuur: de weg is nog lang! Vissen tonen een deel van de weg en een pluim voor alle werkers en onderzoekers die verder bouwen aan die, ja, toch wel natte weg waar wij met droge voeten aan onze computer verslag van kunnen geven, dankzij Marc Verbeiren, vanuit zijn interesse als sportvisser.

Springstaarten

Springstaarten

Voor alle duidelijkheid: springstaarten (Collembola) worden niet (meer) tot de insecten gerekend. Ze behoren tot de klasse van de Enthognatha, een klasse binnen de geleedpotigen (Arthropoda) die losstaat van de klasse van de insecten. Dat lijkt wat vreemd, want springstaarten hebben wel degelijk 6 poten (=Hexapoda), net als insecten (ze hebben wel nooit vleugels). Maar ze worden apart gehouden omdat hun monddelen in een buidel buiten de kop liggen. Uit nieuw DNA-onderzoek blijkt trouwens dat ze evolutionair gezien meer verwant zijn met schaaldieren (Crustacea) dan met insecten. Voorlopig zijn ze wel nog altijd binnen de Hexapoda geplaatst. Het zijn echte oerdieren, het oudste fossiel dateert van 400 miljoen jaar geleden.

Hun naam hebben ze niet gestolen: dankzij hun vorkstaart, de furca of furcula, kunnen ze ongemeen hoog springen. Dit element bevindt zich onder het 4de van de 6 achterlijfsegmenten, en kan (opgespannen) in 18 milliseconden ontspannen worden. Mochten wij zelf zo’n mechanisme hebben, dan sprongen we zonder moeite over een kathedraal (dag Mondo Duplantis!). Het zijn vooral de (langwerpige) Entomobryomorphae die daarvan gebruik maken. Handig om aan hun vijanden, zoals duizendpoten en roofmijten, te ontkomen. Ter zijde: de Engelse benaming is ‘springtails’ (Engels voor ‘veer’), niet ‘jumptails’.

Voor springstaarten moet je geen angst hebben. Niet omdat ze zo klein zijn, maar ze kunnen niet bijten of steken, en (ver)blijven buiten in de natuur, de meeste in een vochtige omgeving. Enkel de huisspringstaart (Seira domestica) kan eventueel binnenshuis waargenomen worden.

Xenylla sp. © Johan Raes
Xenylla sp. © Johan Raes

De saaie cijfers: er zijn in België een 200-tal soorten gekend, wereldwijd een 8000-tal. Omdat ze zo weinig onderzocht zijn, zonder twijfel een getal dat veel lager ligt dan het werkelijke aantal.

Entomobrya nivalis © Johan Raes
Entomobrya nivalis © Johan Raes

Wie ze wil zoeken, moet er rekening mee houden dat ze (erg) klein zijn, van < 1 mm tot max. 6 mm (afmetingen niet geldig voor tropische soorten!). Het zijn echte bodemdieren, meestal te vinden in de strooisellaag, waar ze zich voeden met rottend materiaal of schimmels. Wie compost maakt, kent ze vast wel. Ligt eens een steen of een plantenbak op, en de kans is groot dat je er ziet wegrennen of wegspringen. Maar sommige soorten vind je ook bovengronds op planten. Klop eens op een tak en misschien vallen er Entomobryae af. Een gemiddelde tuin herbergt minstens duizenden exemplaren, misschien miljoenen.

Leuk om te weten: hun huid schijnt over unieke eigenschappen te beschikken, waardoor ze onderzocht worden voor industriële toepassingen.

Isotoma viridis © Johan Raes
Isotoma viridis © Johan Raes

We kunnen de Collembola opdelen in twee categorieën, waar telkens twee ordes toe behoren. Er zijn enerzijds de langwerpige springstaarten, Poduromorpha en Entomobryomorpha, en anderzijds de bolvormige, de Symphypleona en de (kleine orde) Neelipleona. De langwerpige springstaarten hebben zes achterlijfsegmenten, bij de bolvormige is dat niet zo duidelijk zichtbaar. De antennes zijn meestal kort en hebben 4 segmenten. De ogen zijn ook een determinatiefactor: soms zijn ze afwezig, soms zijn ze samengesteld uit 5 tot 8 ocelli (oogpuntjes). De pootjes hebben schenen en voetjes die vergroeid zijn, daardoor lijken ze op (korte) stelten te lopen.

Vertagopus arboreus © Johan Raes
Vertagopus arboreus © Johan Raes

De Poduromorpha worden opgedeeld in 3 superfamilies, waarvan Hypogasturoidea de belangrijkste vormt. De soorten hieronder zijn langwerpig, en hebben een wat mollige vorm. De kop is vergroeid met het borststuk. In het mos vind ik geregeld soorten hiervan, zoals Xenylla sp. (1), die kan herkend worden aan de ogen met 5 ocelli.

De Entomobryomorpha zijn ook langwerpig, maar fijn van lichaamsbouw, en met een duidelijke scheiding tussen kop en borst. De Entomobryidae zijn de meest voorkomende, of beter (doordat ze hogerop op planten te vinden zijn), de meest in het oog springende Collembola. Zeer algemeen zijn Entomobrya nivalis (2), en Entomobrya multifasciata. Ook de kleinere E. nicoleti is hier te vinden. E. albocincta is misschien wel de mooiste.

Tomocerus vulgaris © Johan Raes
Tomocerus vulgaris © Johan Raes

De Isotomidae kennen we vooral van Isotoma viridis (3), die tot 4 mm lang kan worden (hoewel ik in de wintertijd vooral ex. van 1 tot 2 mm grootte aantrof). Ook I. riparia, met een rugstreep, is hier algemeen. Naast het genus Isotomurus wil ik hier ook Vertagopus arboreus (4) vermelden, een donkere soort met een iriserend lichaam.

De Tomoceridae kennen we vooral van Tomocerus minor, en de zeer algemene Tomocerus vulgaris (5). Met wat geluk vind je onder een of andere schors ook wel eens een Pogonognathellus longicornis. Deze heeft zijn naam niet gestolen, de zeer lange antennes onderscheiden hem van Tomocerus.

L. violaceus © Johan Raes
L. violaceus © Johan Raes

Het genus Lepidocyrtus is ook algemeen. Er zijn varianten die wat bleek zijn, zoals L. lignorum, en andere die blauw/paars getint zijn, zoals L. cyaneus of L. violaceus (6). Ze worden zowat 2 mm groot, maar zijn moeilijk met zekerheid te determineren. Hun kleur komt van de schubben, en die schilferen in hun levensloop af. De bijgaande foto is dan ook niet 100% zeker (maar wel zeer waarschijnlijk) van L. cyaneus of L. violaceus.

Deuterosminthurus pallipes © Johan Raes
Deuterosminthurus pallipes © Johan Raes

En dan hebben we nog de soorten Orchesella cincta (7) en Orchesella villosa. Als er één springstaart is die je misschien al gezien hebt, dan zal het wel Orchesella cincta zijn. Het is de grootste; hij kan tot 4 mm worden, en is zeer herkenbaar aan de bleke ‘band’ op het vierde achterlijfsegment.

De categorie Symphypleona is mijn favoriete bende. We vinden er 6 families: Bourletiellidae, Dicyrtomidae, Katiannidae, Sminthuridae, Sminthurididae en (de obscure) Arrhopalitidae. Als er een prijs voor koddigheid mag worden uitgereikt, dan verdienen deze ‘bolletjes’ voor mijn part de hoofdprijs. Het predicaat ‘cute’ is hier op zijn plaats. Stel je voor dat ze het formaat van pakweg een cavia hadden, zouden jonge kinderen ze dan niet prefereren boven andere ‘pets’?

Dicyrtomina ornata © Johan Raes
Dicyrtomina ornata © Johan Raes

Bij de Bourletiellidae heb ik Deuterosminthurus pallipes (8) een aantal keer kunnen fotograferen. Ze zijn herkenbaar aan de 3 kleine puntjes op de zijkant van het achterlijf. Je vindt deze (meestal) gele diertjes ook in de zomermaanden laag op planten, tenminste als je goed kijkt. Want de mannetjes zijn ongeveer 1 mm, de vrouwtjes wat langwerpiger (1,6 mm).

D. saundersi © Johan Raes
D. saundersi © Johan Raes

De meest courante familie is waarschijnlijk die van de Dicyrtomidae. Twee hoofdsoorten: Dicyrtomina ornata (9) en D. saundersi (10). Ze zijn erg gelijkend; het verschil zit in de kleur van de antennes: bij D. ornata gelijk, bij D. saundersi donkerder vanaf sectie 2.

Onder Katiannidae vallen onder meer de algemene Sminthurinus aureus (11) en S. elegans. S. aureus is meestal geel/oranje, maar komt ook soms in donkere vorm voor. Niet makkelijk te determineren dus. Volgens vele bronnen zijn de twee bleke vlekken tussen de ogen een kenmerk. S. elegans heeft 4 donkere banden op het achterlijf.

Sminthurinus aureus © Johan Raes
Sminthurinus aureus © Johan Raes

De Sminthuridae zijn bij ons maar met 1 soort algemeen vertegenwoordigd: Allacma fusca (12). Volgens Symphypleona-normen is dat een reus, maar liefst tot 3,5 mm groot! Deze soort is dan ook één van de meest gefotografeerde (tenminste toch bij (ultra)macro-fotografen). Je kan hier ook duidelijk de ocelli onderscheiden.

Allacma fusca © Johan Raes
Allacma fusca © Johan Raes

Voor wie meer gedetailleerde info wil, is er onder meer de website collembola.org. Het is zelfs een landgenoot, Frans Janssens, die wereldexpert is. Zo, al zin in een zoektocht? Toegegeven, mijn timing had beter gekund, vooral in herfst en winter zijn ze namelijk makkelijker te vinden. Maar met een loep in de hand vind je nu ook wel wat. Volgende keer zetten we de boel op stelten.

Cursus Natuurverkenner in de Vlaamse Ardennen

Natuurverkenner in de Vlaamse Ardennen is een interactieve en wervelende instapcursus voor natuurliefhebbers. Gedurende vijf dagen laten de lokale gidsen al hun enthousiasme op je los. Je trekt eropuit. In en tussen de natuur.

Via vijf verschillende thema’s maak je kennis met de hotspots in de Vlaamse Ardennen en wat ze betekenen voor de plaatselijke natuur. Je beleeft de natuur in zijn rijke verscheidenheid aan aspecten en je komt in contact met de enorme diversiteit aan natuurgebieden in de Vlaamse Ardennen.

Laat deze boeiende kennismaking niet aan je neus voorbijgaan en nodig geïnteresseerde buren, vrienden en familie ook uit!

→ Praktische informatie, het volledige programma en inschrijvingen

Vervolgcursus Insecten

Insecten zijn de olie die onze natuur gesmeerd doet lopen. Ieder plekje op aarde hebben ze weten te veroveren en dat heeft geleid tot een onmetelijke diversiteit van kleuren, vormen en levensstrategieën.

Deze cursus is een vervolg op de insectencursus van 2025 in het Bezoekerscentrum Boembekemolen. Deze keer gaat de cursus door in het Faunahuis. Het Faunahuis en het omliggende natuurgebied zijn een inspirerende plek op het gebied van faunavoorzieningen in en rond de woning. Het is een ruimte voor experiment en onderzoek, voor creatieve en innovatieve ideeën rond de samenleving van mens en dier. Lesgever Joeri Cortens verzorgt deze vervolgcursus en gaat dieper in op het insectenleven dat zich in een onvoorspelbare rijkdom ontplooit.

→ Praktische informatie, het volledige programma en inschrijvingen

Hommels helpen in de tuin

Hommels helpen in de tuin

Uit de recent verschenen Rode Lijst blijkt dat iets meer dan de helft van de bijensoorten op ons grondgebied verdwenen is of min of meer bedreigd is. Uit dit rapport blijkt ook dat hommels van alle wilde bijen er het slechtst aan toe zijn. Van de 31 soorten die begin 20ste eeuw in België rondvlogen, zijn er nu nog maar 10 soorten die niet bedreigd of kwetsbaar zijn. Onze bekendste wilde bijen zitten dus serieus in de problemen. Gelukkig beginnen meer en meer tuiniers te beseffen dat zij ook een bijdrage kunnen leveren. De eigen tuin móét hommelvriendelijker worden. Maar hoe begin je hier aan? De eerste vereiste daarbij is alvast om geen pesticiden te gebruiken!

Vroege vogels

Hun dikke beharing maakt dat hommels zich goed hebben aangepast aan koelere temperaturen in het voorjaar, waardoor ze al vroeg in het jaar uit winterslaap komen.

In februari en maart zijn het de koninginnen zelf die op zoek gaan naar voedsel om hiermee de eerste werksters groot te brengen. Een goede start is het halve werk en dat is ook zo voor hommels. Hoe makkelijker en efficiënter dit kan gebeuren, hoe beter dit is voor het succes van het nest.

Een echte magneet voor hommels én bijen vroeg in het voorjaar is eigenlijk winterheide, al lang niet meer in de mode, maar je kan die nog hier en daar terugvinden in voortuinen. Tegenwoordig zijn bloembollen meer in en ze zijn een mooie aanvulling voor tuinen. En ze zullen zeker bezocht worden door hommels, maar echte trekpleisters zijn het niet. Je verliest er echter geen plaats mee in je border en gazon, dus je kunt ze zeker gebruiken, en dan bij voorkeur de biologische bloembollen. Vooral krokus en blauwe druifjes zijn erg in trek bij hommels. 

Bomen en struiken

De echte toppers in het voorjaar zijn bloeiende bomen en struiken. Door verschillende soorten te combineren, kan je voor een lange periode voedsel voorzien voor hommels. Typische voorjaarsbloeiers zijn de verschillende soorten fruitbomen, sleedoorn, meidoorn en gele kornoelje. 

Ook wilgen en veldesdoorn, zijn heel interessant. Wilgen zijn bijzonder belangrijk voor heel wat bijen, niet alleen voor hommels. Belangrijk om te weten is dat wilgen tweehuizig zijn: mannelijke wilgen produceren stuifmeel en vrouwelijke wilgen nectar. Aangezien hommels vooral stuifmeel nodig hebben om hun nageslacht groot te brengen, zijn mannelijke wilgen het belangrijkste. 

Ook voor kleine tuinen zijn er zeker mogelijkheden, want veel van onze inheemse struiken kunnen goed tegen (drastisch) snoeien of blijven relatief klein. Bij fruitbomen zijn er dan weer mogelijkheden om te kiezen tussen struikvormen of halfstambomen die kleiner blijven. Ook behoren leivormen tot de mogelijkheden; die kan je bijvoorbeeld tegen een kale muur planten.

Bloemrijke, schaduwrijke plekjes

De schaduwrijke plekjes onderaan de struiken en bomen mag je zeker niet zien als verloren ruimte. Heel wat voorjaarsbloemen gedijen juist op deze plekken en kunnen voor extra bloei en voeding zorgen. Eén van de vroegste bloeiers van het jaar is de sleutelbloem, waarvan de stengelloze sleutelbloem al bloeit vanaf februari. Deze valt mooi te combineren met andere leuke schaduwplanten zoals ongevlekt (of gevlekt) longkruid, look-zonder-look en bosandoorn, waardoor je een opeenvolging krijgt van bloeiperiodes.

Tuiniers die niet zo’n probleem hebben met iets dominantere planten kunnen kiezen om eventueel gele dovenetel of kruipend zenegroen aan te planten. Beide zijn bodembedekkende planten die moeilijker te combineren zijn met andere planten, maar wel in trek zijn bij hommels en andere bijen. Kruipend zenegroen kan ook gebruikt worden als bodembedekker op zonnige plekken in de tuin, maar gedijt het best op licht vochtige bodems.

Maak van je gazon een buffet

Naarmate de lente vordert en er minder bloesems zijn, worden kruiden steeds belangrijker voor hommels. In april en mei zijn er al heel wat werksters actief en groeien de nesten stilaan naar hun piek toe. De vraag naar voedsel is dan ook heel groot. Gazons hebben het potentieel om aan een groot deel van die vraag te voldoen als we bewust minder maaien. Vanaf april komen overal de paardenbloemen in bloei en die zijn voor heel wat wilde bijen een zeer belangrijke bron van voedsel, dus ook voor hommels. De paardenbloemen niet maaien is dus de boodschap.

Na de paardenbloem verschijnt er nog een andere belangrijke bloem voor hommels in je gazon, namelijk witte klaver. Ook weer zo’n plantje dat je best koestert, zeker omdat het beter tegen hitte bestand is en je gazon zo langer groen blijft in een droge, hete zomer.

Hommels in de siertuin

Sierborders zijn vaak ontworpen om vanaf de zomer te schitteren, wanneer mensen regelmatiger in de tuin vertoeven. Omdat hommels vooral vliegen tussen maart en juli, is het echter belangrijk dat borders niet enkel in de zomer bloeien.

Plant dus zeker ook een aantal sierplanten die bloeien vanaf mei en combineer die met later bloeiende varianten. Zo kan je bijvoorbeeld bossalie ‘Mainacht’ combineren met ‘caradonna’. De cultivar Mainacht heeft een uitbundige bloei in mei met daarna wat herbloei; Caradonna is dan weer een echte zomerbloemer. Voor hommels is een plant zoals kattenkruid ook heel interessant: cultivars zoals ‘Junior walker’ en ‘Dropmore’ hebben een heel lange bloeiperiode. Ook lavendel is een klassieke hommelmagneet. Door daarnaast ook sieruien (Allium) – die bloeien in mei en juni – toe te voegen aan je borders, zorg je ook voor extra bloei tijdens deze cruciale maanden voor hommels.

Paradijs in de moestuin

De intensivering van de landbouw is allicht de grootste oorzaak van de achteruitgang van de hommels. Vóór de komst van kunstmest was het gebruik van groenbemesters zoals klavers alomtegenwoordig. Door rotatieteelt werden er elk jaar wel verschillende velden ingezaaid met groenbemesters om de bodemvruchtbaarheid te vergroten. Rode klaver was één van die groenbemesters en van groot belang voor heel wat hommels, waaronder verschillende zeldzame soorten. Het opnieuw hanteren van rotatieteelt samen met het gebruik van groenbemesters zou hommels een echte boost geven. Dus zaai elk jaar zeker één stuk van je moestuin in met rode klaver, inkarnaatklaver of luzerne. 

Verder zijn de meeste (mediterrane) kruiden ook leuk voor hommels, leg dus zeker een kruidentuintje aan in de moestuin of bij je terras. Voorbeelden zijn hyssop, tijm, bieslook, rozemarijn en wilde marjolein. 

Door aan de slag te gaan met deze tips maak je van je tuin een hommelparadijs. Maar ook de andere wilde bijen zullen naar je tuin komen, alsook een hoop vlinders natuurlijk. En voor je het goed beseft, heb je een tuin vol leven.

Op 6 en 7 juni vindt in Vlaanderen het hommelweekend plaats. Ook bij ons zijn er verschillende activiteiten, zie daarvoor de kalender.

Op https://www.natuurpunt.be/werkgroepen/aculea-0/hommelweekend kan je een zoekkaart voor de meest voorkomende soorten downloaden.

Meer soorten vind je via de zoekkaart https://kenniscentruminsecten.nl/wp-content/uploads/2024/11/Zoekkaart_hommels.pdf

Een ommetje in de Scheldemeersen

Een ommetje in de Scheldemeersen

Een zonnige woensdagochtend, een droge dag, meer dan welkom na het verkillende, natte weer van de dagen voordien. Na te veel dagen vooral binnen zitten, heeft mijn hoofd dringend nood aan buitenlucht, mijn lichaam aan beweging. Ik kies voor een wandeling in de Scheldemeersen tussen Eke Sluis en Zevergem; de steile flanken van de Hotond en de Muziekberg zijn immers te glibberig door de regen van gisteren. En eergisteren.

Op de parking tegenover Veevoeders Franchon is altijd plaats. Honderd meter verder is het Waterratstraatje, maar terwijl ik die richting uit ga, hoor ik vanaf de overkant van de rivier de eerste grote lijster van het jaar. De Kriephoek is zijn territorium.

In het drassige weiland langs de Waterratstraat grazen een tiental rietganzen. Een grote zilverreiger staat lui te zonnen. Even verderop zie ik er nog een. Wat op het eerste gezicht op een groot stuk plastiek in een gracht leek, komt in beweging. Het is een ooievaar. Een blauwe reiger houdt de omgeving in de gaten. In de ruigte achter de prikkeldraad zitten nog drie soortgenoten van hem, half verborgen. In het weiland daarachter jagen twee loslopende honden een stel zilvermeeuwen de lucht in. Mijn mederecreanten fietsen elektrisch aan dit alles voorbij.

De wereld lijkt weer even zoals hij altijd zou moeten zijn. Er is nog hoop. Blauwe reigers waren zeldzaam toen ik klein was. Grote zilverreigers bestonden enkel in mijn fantasie en in mijn vogelgids. Om ooievaars te zien, moest je naar het Zwin. Daar werden ze gekweekt en daar zaten de reigers te suffen in grote kooien. Nu lopen ze hier zomaar vrij te zijn, dicht bij huis, in een halfnatuurlijk stukje in het werkingsgebied van de afdeling Natuurpunt Bovenschelde.

Twee straatjes verder, in de Koedreef, kom ik bij een modderpad dat parallel loopt met de Schelde. Aan het begin daarvan staat een verkeersbord: verboden toegang voor auto’s en paarden. Nazarethse humor, vermoed ik. Zelfs de grootste gek met een 4×4 zou zich hier niet in wagen. Links zit een grote groep bergeenden in het obligate gezelschap van een stel nijlganzen. Ook die waren er niet toen ik klein was. Ze worden nog steeds beschouwd als vreemde eenden in de bijt, al gaat het intussen reeds om dertigste generatie nazaten. Ik hoor een ‘vliegende kat’. Hij zet zich eventjes neer op een boomtak, naast een andere buizerd, om een seconde later reeds zijn glijvlucht te vervolgen. Een prille romance vermoed ik. In de weilanden rechts van me, dichter bij de Schelde, zit een enorme groep ganzen. Met de verrekijker kan ik er nog niets met zekerheid van maken; daarvoor is de afstand te groot, vooral bij tegenlicht, maar ik vermoed dat het kolganzen zijn.

In de verte zie ik een tot ooievaarsnestpaal gereduceerde boom. Er bevindt zich geen nest op, maar wat niet is, kan nog komen. Wat verder ontwaar ik een tweede boomstam waarvan de kruin is geamputeerd. Ook daarop ligt een rond platform vruchteloos te wachten op een op stelten lopende bewoner. Het doet me denken aan een oude vrijgezel die vruchteloos wacht op de liefde van zijn leven. Een torenvalk gebruikt hem voorlopig als uitkijkpost. Wellicht is hij te uitgeput om al vliegend te jagen na al die ellendig natte dagen.

Een vrouw met een loslopende hond bekijkt me enigszins argwanend, zoals ik daar met mijn verrekijker in de aanslag sta. Misschien ben ik wel een potloodventer die zich als vogelaar heeft vermomd. Ook dat is vaste prik bij een wandeling in relatief eenzaam gebied. Of heeft ze schrik dat ik een boswachter ben die haar zal berispen om haar loslopende hond?

Het onverharde gedeelte van Vaerebeke voert me voorbij een bord dat het begin van het beschermd landschap aankondigt. ‘Beschermd door wie en waartegen?’ vraag ik me af, want wie kan deze Scheldemeersen vrijwaren voor de volgende hittegolf en de bijbehorende periodes van extreme droogte?

Links liggen private visvijvers en rechts de weilanden met de winterganzen. Honderden kolganzen zitten er in gezelschap van grauwe ganzen, nijlganzen en bergeenden. Ik waan me even in de Damse polders. In de grote vijver aan de andere kant van het pad klinkt het kabaal van een troep Canadese ganzen. Ook zij zijn voor velen niet welkom, al zijn ze hier geboren en voelen ze zich hier thuis. Ze delen vredig het water met wilde eenden, slobeenden, krakeenden en een eenzame wintertaling. Even verderop dobberen enkele tientallen meerkoeten. En er zit zowaar een ooievaar op nog zo’n boompaal. Het nest onder zijn lange poten ziet er nog jong uit. Private visvijvers zijn toch ergens goed voor.

Gealarmeerd door een overvliegende blauwe reiger verspillen de kolganzen hun kostbare energie door massaal op de vlucht te slaan. Het zou maar eens een zeearend wezen. Beter honderd keer onnodig de lucht ingaan dan éénmaal blijven zitten op het verkeerde moment.

Een smal paadje zonder naam brengt me terug naar de Schelde. Terwijl ik achtereenvolgens een blauwe reiger in het vizier neem en terugstaar naar een nijlgans die het boze oog op me heeft gericht, is daar terug de dame met de loslopende hond. Ze heeft hetzelfde rondje gemaakt als ik, maar dan in tegenwijzerzin. Ze maant haar hond aan om te zitten en doet hem een leiband om. Als ik hen passeer, wil hij nieuwsgierig naar me toe springen. ‘Nee, dat zal je niet doen!’ snerpt haar stem terwijl ze hem terugtrekt. ‘Foei!’ voegt ze er kleuterjufgewijs aan toe. Ik denk aan hoe mijn jongste zoon zijn speelse hond aanpakt in een dergelijke situatie. Hij laat haar zitten, hurkt naast haar neer en houdt haar halsband vast. Terwijl hij haar flanken streelt, zegt hij zachtjes: ‘blijf’. En dat doet ze. Loslopen in de Scheldemeersen is geen deel van haar opvoeding.

De fietssnelweg langs de rivier is recent van een nieuwe asfaltlaag voorzien. Ik ga opzij voor een bende luidruchtige wielerterroristen die nooit plaats genoeg hebben. Ik betrap een sperwer die me zit aan te gluren vanop een hoge tak in een kale es. Van zodra ik terug gluur, vliegt hij ervandoor. De zon verspreidt de warmte van een lentedag, al is het nog midden in de winter.

Ik ben terug bij mijn beginpunt. Er zitten geen ganzen meer naast het Waterratstraatje en ook de ooievaar en de reigers zijn verdwenen. Enkel een koppeltje bergeenden houdt nog stand. Aan de overkant zingt nog steeds de grote lijster. De Kriephoek is zijn domein. Geen soortgenoot die hem tegenspreekt.

Krakeend © Rik Desmet
Buizerd © Rik Desmet
Grote Zilverreiger © Rik Desmet
Biodiversiteitsportaal:een schat aan informatie!

Biodiversiteitsportaal:een schat aan informatie!

Op 10 februari ging het Vlaams Biodiversiteitsportaal (VBP) online. Dit nieuwe platform werd ontwikkeld door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en ontsluit in één klap meer dan 30 miljoen waarnemingen uit meer dan 300 datasets.

Het biedt beleidsmakers en onderzoekers een gecentraliseerde tool voor analyses, monitoring van natuurdoelen en de bescherming van kwetsbare soorten. De kern van de data bestaat uit soortwaarnemingen afkomstig uit gestandaardiseerde meetnetten, onderzoeksprojecten en citizen-­science-initiatieven. Ook historische data zijn verwerkt.

Het portaal richt zich in de eerste plaats op gegevens uit Vlaanderen, waardoor het een zo volledig mogelijk beeld geeft van de biodiversiteit in onze regio. Daarnaast worden ook andere relevante waarnemingen meegenomen wanneer ze bijdragen aan het begrijpen van Vlaamse soorten en ecosystemen.

Op de site kan je bijvoorbeeld zoeken naar een soort en je krijgt dan een uitgebreide beschrijving en een kaart met de waarnemingen. Bij vogels horen daar ook de geluiden bij. Te raadplegen op https://natuurdata.inbo.be, goed voor een paar uurtjes snuisteren!

Familiale staartmezen

Familiale staartmezen

Het leven van de koolmees is de laatste decennia door verschillende wetenschappers al tot in het kleinste detail onderzocht, maar ook staartmezen ontsnappen niet aan de inbreuk op hun privacy.

In de winter leven de gezellig kwetterende staartmezen in groepjes van 10 à 20 dieren. De groepen bestaan meestal uit jonge en volwassen dieren van beide geslachten die al dan niet met elkaar verwant zijn. Familieleden kunnen elkaar aan de roep herkennen, maar mogelijk spelen nog andere factoren mee. De samenstelling is veranderlijk, waarbij vogels van groep wisselen en er af toe groepen versmelten. Om energie te besparen overnachten ze dicht bijeen. Toch verliezen ze daarbij gemiddeld in de nacht 9% lichaamsgewicht. Degene aan de buitenkant – meestal dezelfde vogels – zijn de pineut en verliezen meer gewicht. Eigenaardig genoeg is het verlies het grootst bij een temperatuur van 4 °C. Bij lagere temperaturen slagen ze er blijkbaar in om gewichtsverlies te beperken, mogelijk omdat hun lichaamstemperatuur zakt.

In februari-maart vallen deze groepen uiteen en zoeken paartjes een plaats om te broeden. Vooral mannetjes blijven daarbij dicht bij de plaats waar ze geboren zijn. Als ze zich toch verder weg vestigen, doen ze dat samen met hun zussen en broers, waardoor ze hun familiebanden behouden terwijl ze verhuizen.

Het bouwen van het nest, het leggen van de 9 tot 11 eieren, het uitbroeden en voederen van de jongen, neemt heel wat tijd in beslag. Het kunstige, koepelvormige nest is gebouwd van mos dat met spinnenzijde aan elkaar is gebonden, bedekt met duizenden stukjes korstmos en binnenin bekleed met veren. In de tuin is een paartje ondertussen al meer dan twee weken aan het werk, en het nest is nog niet af.

Tot 70% van de nesten wordt echter gepredeerd en dan rest er hoogstens tijd voor één vervanglegsel. Grote legsels zijn trouwens typisch voor soorten die onder een hoge predatiedruk leven. Vanaf begin mei is het echter te laat om nog opnieuw te beginnen. Van de vogels die er niet in geslaagd zijn om te broeden, verhuist ongeveer één vierde – overwegend mannetjes – naar een ander nest om een paar dat meer geluk had te helpen bij het grootbrengen van hun nakomelingen. Ongeveer de helft van alle broedsels heeft helpers, meestal slechts één of twee, maar soms wel acht. Het extra voedsel dat de helpers verstrekken, vergroot de overlevingskansen van de jongen. Helpers kiezen meestal het nest van familieleden, waardoor het aantal vogels dat hun genen draagt in de volgende generatie toeneemt.

Deze tekst is gebaseerd op:

  • MORINAY J., WOODWARD B.K., RUSSELL A.F., SHARP S.P. & HATCHWELL B.J. (2025) – Ecological and demographic drivers of kin-directed cooperation in a social bird: Insights from a long-term study – J Anim Ecol.: 94:485–500, DOI: 10.1111/1365-2656.14237
  • HATCHWELL B.J., SHARP S.P., SIMEONI M. & MCGOWAN A. (2009) – Factors influencing overnight loss of body mass in the communal roosts of a social bird – Functional Ecology 23: 367–372, doi: 10.1111/j.1365-2435.2008.01511.x
Staartmees © Gould, 1873
Staartmees © Gould, 1873