Voor alle duidelijkheid: springstaarten (Collembola) worden niet (meer) tot de insecten gerekend. Ze behoren tot de klasse van de Enthognatha, een klasse binnen de geleedpotigen (Arthropoda) die losstaat van de klasse van de insecten. Dat lijkt wat vreemd, want springstaarten hebben wel degelijk 6 poten (=Hexapoda), net als insecten (ze hebben wel nooit vleugels). Maar ze worden apart gehouden omdat hun monddelen in een buidel buiten de kop liggen. Uit nieuw DNA-onderzoek blijkt trouwens dat ze evolutionair gezien meer verwant zijn met schaaldieren (Crustacea) dan met insecten. Voorlopig zijn ze wel nog altijd binnen de Hexapoda geplaatst. Het zijn echte oerdieren, het oudste fossiel dateert van 400 miljoen jaar geleden.
Hun naam hebben ze niet gestolen: dankzij hun vorkstaart, de furca of furcula, kunnen ze ongemeen hoog springen. Dit element bevindt zich onder het 4de van de 6 achterlijfsegmenten, en kan (opgespannen) in 18 milliseconden ontspannen worden. Mochten wij zelf zo’n mechanisme hebben, dan sprongen we zonder moeite over een kathedraal (dag Mondo Duplantis!). Het zijn vooral de (langwerpige) Entomobryomorphae die daarvan gebruik maken. Handig om aan hun vijanden, zoals duizendpoten en roofmijten, te ontkomen. Ter zijde: de Engelse benaming is ‘springtails’ (Engels voor ‘veer’), niet ‘jumptails’.
Voor springstaarten moet je geen angst hebben. Niet omdat ze zo klein zijn, maar ze kunnen niet bijten of steken, en (ver)blijven buiten in de natuur, de meeste in een vochtige omgeving. Enkel de huisspringstaart (Seira domestica) kan eventueel binnenshuis waargenomen worden.

De saaie cijfers: er zijn in België een 200-tal soorten gekend, wereldwijd een 8000-tal. Omdat ze zo weinig onderzocht zijn, zonder twijfel een getal dat veel lager ligt dan het werkelijke aantal.

Wie ze wil zoeken, moet er rekening mee houden dat ze (erg) klein zijn, van < 1 mm tot max. 6 mm (afmetingen niet geldig voor tropische soorten!). Het zijn echte bodemdieren, meestal te vinden in de strooisellaag, waar ze zich voeden met rottend materiaal of schimmels. Wie compost maakt, kent ze vast wel. Ligt eens een steen of een plantenbak op, en de kans is groot dat je er ziet wegrennen of wegspringen. Maar sommige soorten vind je ook bovengronds op planten. Klop eens op een tak en misschien vallen er Entomobryae af. Een gemiddelde tuin herbergt minstens duizenden exemplaren, misschien miljoenen.
Leuk om te weten: hun huid schijnt over unieke eigenschappen te beschikken, waardoor ze onderzocht worden voor industriële toepassingen.

We kunnen de Collembola opdelen in twee categorieën, waar telkens twee ordes toe behoren. Er zijn enerzijds de langwerpige springstaarten, Poduromorpha en Entomobryomorpha, en anderzijds de bolvormige, de Symphypleona en de (kleine orde) Neelipleona. De langwerpige springstaarten hebben zes achterlijfsegmenten, bij de bolvormige is dat niet zo duidelijk zichtbaar. De antennes zijn meestal kort en hebben 4 segmenten. De ogen zijn ook een determinatiefactor: soms zijn ze afwezig, soms zijn ze samengesteld uit 5 tot 8 ocelli (oogpuntjes). De pootjes hebben schenen en voetjes die vergroeid zijn, daardoor lijken ze op (korte) stelten te lopen.

De Poduromorpha worden opgedeeld in 3 superfamilies, waarvan Hypogasturoidea de belangrijkste vormt. De soorten hieronder zijn langwerpig, en hebben een wat mollige vorm. De kop is vergroeid met het borststuk. In het mos vind ik geregeld soorten hiervan, zoals Xenylla sp. (1), die kan herkend worden aan de ogen met 5 ocelli.
De Entomobryomorpha zijn ook langwerpig, maar fijn van lichaamsbouw, en met een duidelijke scheiding tussen kop en borst. De Entomobryidae zijn de meest voorkomende, of beter (doordat ze hogerop op planten te vinden zijn), de meest in het oog springende Collembola. Zeer algemeen zijn Entomobrya nivalis (2), en Entomobrya multifasciata. Ook de kleinere E. nicoleti is hier te vinden. E. albocincta is misschien wel de mooiste.

De Isotomidae kennen we vooral van Isotoma viridis (3), die tot 4 mm lang kan worden (hoewel ik in de wintertijd vooral ex. van 1 tot 2 mm grootte aantrof). Ook I. riparia, met een rugstreep, is hier algemeen. Naast het genus Isotomurus wil ik hier ook Vertagopus arboreus (4) vermelden, een donkere soort met een iriserend lichaam.
De Tomoceridae kennen we vooral van Tomocerus minor, en de zeer algemene Tomocerus vulgaris (5). Met wat geluk vind je onder een of andere schors ook wel eens een Pogonognathellus longicornis. Deze heeft zijn naam niet gestolen, de zeer lange antennes onderscheiden hem van Tomocerus.

Het genus Lepidocyrtus is ook algemeen. Er zijn varianten die wat bleek zijn, zoals L. lignorum, en andere die blauw/paars getint zijn, zoals L. cyaneus of L. violaceus (6). Ze worden zowat 2 mm groot, maar zijn moeilijk met zekerheid te determineren. Hun kleur komt van de schubben, en die schilferen in hun levensloop af. De bijgaande foto is dan ook niet 100% zeker (maar wel zeer waarschijnlijk) van L. cyaneus of L. violaceus.

En dan hebben we nog de soorten Orchesella cincta (7) en Orchesella villosa. Als er één springstaart is die je misschien al gezien hebt, dan zal het wel Orchesella cincta zijn. Het is de grootste; hij kan tot 4 mm worden, en is zeer herkenbaar aan de bleke ‘band’ op het vierde achterlijfsegment.
De categorie Symphypleona is mijn favoriete bende. We vinden er 6 families: Bourletiellidae, Dicyrtomidae, Katiannidae, Sminthuridae, Sminthurididae en (de obscure) Arrhopalitidae. Als er een prijs voor koddigheid mag worden uitgereikt, dan verdienen deze ‘bolletjes’ voor mijn part de hoofdprijs. Het predicaat ‘cute’ is hier op zijn plaats. Stel je voor dat ze het formaat van pakweg een cavia hadden, zouden jonge kinderen ze dan niet prefereren boven andere ‘pets’?

Bij de Bourletiellidae heb ik Deuterosminthurus pallipes (8) een aantal keer kunnen fotograferen. Ze zijn herkenbaar aan de 3 kleine puntjes op de zijkant van het achterlijf. Je vindt deze (meestal) gele diertjes ook in de zomermaanden laag op planten, tenminste als je goed kijkt. Want de mannetjes zijn ongeveer 1 mm, de vrouwtjes wat langwerpiger (1,6 mm).

De meest courante familie is waarschijnlijk die van de Dicyrtomidae. Twee hoofdsoorten: Dicyrtomina ornata (9) en D. saundersi (10). Ze zijn erg gelijkend; het verschil zit in de kleur van de antennes: bij D. ornata gelijk, bij D. saundersi donkerder vanaf sectie 2.
Onder Katiannidae vallen onder meer de algemene Sminthurinus aureus (11) en S. elegans. S. aureus is meestal geel/oranje, maar komt ook soms in donkere vorm voor. Niet makkelijk te determineren dus. Volgens vele bronnen zijn de twee bleke vlekken tussen de ogen een kenmerk. S. elegans heeft 4 donkere banden op het achterlijf.

De Sminthuridae zijn bij ons maar met 1 soort algemeen vertegenwoordigd: Allacma fusca (12). Volgens Symphypleona-normen is dat een reus, maar liefst tot 3,5 mm groot! Deze soort is dan ook één van de meest gefotografeerde (tenminste toch bij (ultra)macro-fotografen). Je kan hier ook duidelijk de ocelli onderscheiden.

Voor wie meer gedetailleerde info wil, is er onder meer de website collembola.org. Het is zelfs een landgenoot, Frans Janssens, die wereldexpert is. Zo, al zin in een zoektocht? Toegegeven, mijn timing had beter gekund, vooral in herfst en winter zijn ze namelijk makkelijker te vinden. Maar met een loep in de hand vind je nu ook wel wat. Volgende keer zetten we de boel op stelten.