Zoals in de vorige Meander aangekondigd gaan we de boel op stelten zetten, en hoe kunnen we dat beter dan met steltmuggen? Wanneer je dit artikel leest is de prille herfst in het land, en dat is een goed moment om leden van deze muggenfamilie eens op te zoeken. Ze vliegen namelijk vooral van de herfst tot de lente. Steltmuggen of Limoniidae vind je vooral op vochtige plekken, zoals op mos of rottende houtstronken in het bos. Hun eitjes zetten ze ook vooral af in die habitat (vochtige grond, water). Geen angst voor steken, dat doen ze niet.
Steltmuggen lijken wat op langpootmuggen (Tipulidae), maar zijn kleiner (lichaamslengte 5-15 mm). Hun snuit (rostrum) is niet zo lang (anatomisch gezien zijn de palpen korter), en ze houden hun vleugels in rust gevouwen over het achterlijf (langpootmuggen houden die gespreid). Taxonomisch behoren Limoniidae en Tipulidae beide tot de Tipuloidea (in het Engels ‘craneflies’ genoemd).
Wereldwijd zijn er meer dan 10.000 soorten gekend, in West-Europa enkele honderden. Volgens de recentste (mij gekende) bron zouden er in België 176 soorten gekend zijn. In de lente zijn er trouwens voor België nog 11 nieuwe soorten toegevoegd. Deze muggen zijn tot nu toe ook nog weinig bestudeerd, hun onopvallendheid en frêle lichaam zullen daar niet vreemd aan zijn. Determinatie tot op soortniveau vereist ook dikwijls microscopisch onderzoek (bino). Dan is dikwijls het hypopygium (geslachtsdeel) van mannetjes bepalend. Niet voor leken dus. We kunnen opmerken dat de familie Limoniidae soms ook wel eens een parafyletische groep genoemd wordt (cfr. fylogenetica). Dat betekent dat ze alle een gemeenschappelijke voorouder delen, maar dat niet alle nakomelingen ervan ook in de groep zijn opgenomen. Eigenlijk komt het er op neer dat er voor experts nog veel werk aan de winkel is.
Dat betekent niet dat het niet de moeite waard zou zijn om ze te fotograferen en de foto’s op te laden naar waarnemingen.be. Tip: onder meer de antennes, vleugeltekening of vleugeladering kunnen belangrijk zijn voor determinatie.
Ze hebben een belangrijke functie in het ecosysteem. Enerzijds zijn het detrivoren (afvaleters), de larven breken dus organisch materiaal af, ze eten onder meer plantenresten, schimmels, rottend hout. Anderzijds zijn zowel de larven als de volwassen dieren een eiwitbron voor andere (grotere) diersoorten (vissen, amfibieën, spinnen, vogels, …).
Welke families en genera vinden we bij ons terug? Alvorens een overzicht te geven wil ik er op wijzen dat vele Nederlandse namen nog maar een paar jaar geleden werden toegekend. Ik zal ze hier ook gebruiken, maar zelf vind ik de Latijnse benamingen nog altijd het meest overzichtelijk.
En de namen tuintweestreep (Limonia hercegovinae) en tuindriestreep (Limonia nubeculosa) (2) geven al een indicatie waar die onder meer te vinden zijn.
Het geslacht Dicranomyia kenmerkt zich door hun gedrag. Deze muggen hebben de gewoonte om in stilstand op en neer te bewegen, vandaar dat ze ook wel eens trilmuggen genoemd worden.
De borststreeptrilmug (Dicranomyia modesta) (3) en de zwermtrilmug (Dicranomyia chorea) zijn de meest algemene soorten. Ik stel vast dat waarnemingen.be ook de geelvleugeltrilmug (Dicranomyia luteipennis) waarmerkt als zeer algemeen voorkomend, maar er valt vreemd genoeg geen enkele waarneming onder. Misschien word jij de eerste waarnemer?
Ook nog algemeen is de fraaie zwarte trilmug (Dicranomyia morio) (4).
Het geslacht Epiphragma telt hier maar één soort, de bosringvleugel (Epiphragma ocellare) (5). Maar deze fraaie mug is wel zowat de grootste steltmug die je hier vindt.
Het geslacht Pseudolimnophila telt maar twee (zeldzame) soorten. Ik had ooit het geluk een bruine kraagsteltmug (Pseudolimnophila sepium) (6) te kunnen spotten.
Het geslacht Austrolimnophila telt hier 2 zeer zeldzame species, en ook de algemene gewone pijlstaartmug (Australolimnophila ochracea) (7).
Het geslacht Gnophomyia heeft één zeer zeldzame soort, het naaldboomgeelhaltertje (Gnophomyia lugubris), en het algemene populiergeelhaltertje (Gnophomyia viridipennis) (8).
Het (gele) haltertje waarnaar verwezen wordt, betreft het kleine, knotsvorige orgaantje dat de mug (zoals ook sommige andere muggen/vliegen) gebruikt als biologische gyroscoop (evenwicht). Je ziet het onderaan de vleugelbasis.
Beide soorten zijn eigenlijk op foto nauwelijks te onderscheiden. De foto hierbij is genomen in het Lozerbos, waar deze mugjes soms massaal voorkomen, en is dan ook goedgekeurd als aannemelijk G. viridipennis.
Van het geslacht Pilaria kan ik de tweekleurige steltpoot (Pilaria discicollis) (11) voorstellen.
Het geslacht Molophilus (‘molletjes’) telt hier een 20-tal soorten. Ik had ooit het geluk om een zwarthaarmolletje (Molophilus niger) (12) te kunnen fotograferen op bemoste boomschors langs de Schelde. Wil je die ook spotten, dan moet je goed uitkijken, het is een millimetergeval.
Het geslacht Chionea moet je hier niet zoeken. Chionea belgica vind je (in de winter) maar op een paar plaatsen in het zuidoosten van het land. Spijtig genoeg vooral op de Hoge Venen, en we weten allemaal wat daar is gebeurd…
Volgende keer gaan we het pad van de insectenwereld even verlaten, en schakelen we over van zespoten naar achtpoten, om kennis te maken met een (grotendeels) onzichtbare wereld vol vreemde wezentjes.
Bronnen
Voor enkele interessante bronnen en info zie site ccw.naturalis.nl.
BEUK P., SOORS J, D’OLIVEIRA M., PEETERS K., DEK, N-J. MENTEN J., SCHMITZ L., LAMBERTS S., WIJKER A. OOSTERBROEK P. (2026) – Negentien steltmuggen (Diptera: Limoniidae) nieuw voor België en/of Nederland – Phegea 54(1)
Voor alle duidelijkheid: springstaarten (Collembola) worden niet (meer) tot de insecten gerekend. Ze behoren tot de klasse van deEnthognatha, een klasse binnen de geleedpotigen (Arthropoda) die losstaat van de klasse van de insecten. Dat lijkt wat vreemd, want springstaarten hebben wel degelijk 6 poten (=Hexapoda), net als insecten (ze hebben wel nooit vleugels). Maar ze worden apart gehouden omdat hun monddelen in een buidel buiten de kop liggen. Uit nieuw DNA-onderzoek blijkt trouwens dat ze evolutionair gezien meer verwant zijn met schaaldieren (Crustacea) dan met insecten. Voorlopig zijn ze wel nog altijd binnen de Hexapoda geplaatst. Het zijn echte oerdieren, het oudste fossiel dateert van 400 miljoen jaar geleden.
Hun naam hebben ze niet gestolen: dankzij hun vorkstaart, de furca of furcula, kunnen ze ongemeen hoog springen. Dit element bevindt zich onder het 4de van de 6 achterlijfsegmenten, en kan (opgespannen) in 18 milliseconden ontspannen worden. Mochten wij zelf zo’n mechanisme hebben, dan sprongen we zonder moeite over een kathedraal (dag Mondo Duplantis!). Het zijn vooral de (langwerpige) Entomobryomorphae die daarvan gebruik maken. Handig om aan hun vijanden, zoals duizendpoten en roofmijten, te ontkomen. Ter zijde: de Engelse benaming is ‘springtails’ (Engels voor ‘veer’), niet ‘jumptails’.
Voor springstaarten moet je geen angst hebben. Niet omdat ze zo klein zijn, maar ze kunnen niet bijten of steken, en (ver)blijven buiten in de natuur, de meeste in een vochtige omgeving. Enkel de huisspringstaart (Seira domestica) kan eventueel binnenshuis waargenomen worden.
De saaie cijfers: er zijn in België een 200-tal soorten gekend, wereldwijd een 8000-tal. Omdat ze zo weinig onderzocht zijn, zonder twijfel een getal dat veel lager ligt dan het werkelijke aantal.
Wie ze wil zoeken, moet er rekening mee houden dat ze (erg) klein zijn, van < 1 mm tot max. 6 mm (afmetingen niet geldig voor tropische soorten!). Het zijn echte bodemdieren, meestal te vinden in de strooisellaag, waar ze zich voeden met rottend materiaal of schimmels. Wie compost maakt, kent ze vast wel. Ligt eens een steen of een plantenbak op, en de kans is groot dat je er ziet wegrennen of wegspringen. Maar sommige soorten vind je ook bovengronds op planten. Klop eens op een tak en misschien vallen er Entomobryae af. Een gemiddelde tuin herbergt minstens duizenden exemplaren, misschien miljoenen.
Leuk om te weten: hun huid schijnt over unieke eigenschappen te beschikken, waardoor ze onderzocht worden voor industriële toepassingen.
We kunnen de Collembola opdelen in twee categorieën, waar telkens twee ordes toe behoren. Er zijn enerzijds de langwerpige springstaarten, Poduromorpha en Entomobryomorpha, en anderzijds de bolvormige, de Symphypleona en de (kleine orde) Neelipleona. De langwerpige springstaarten hebben zes achterlijfsegmenten, bij de bolvormige is dat niet zo duidelijk zichtbaar. De antennes zijn meestal kort en hebben 4 segmenten. De ogen zijn ook een determinatiefactor: soms zijn ze afwezig, soms zijn ze samengesteld uit 5 tot 8 ocelli (oogpuntjes). De pootjes hebben schenen en voetjes die vergroeid zijn, daardoor lijken ze op (korte) stelten te lopen.
De Poduromorpha worden opgedeeld in 3 superfamilies, waarvan Hypogasturoidea de belangrijkste vormt. De soorten hieronder zijn langwerpig, en hebben een wat mollige vorm. De kop is vergroeid met het borststuk. In het mos vind ik geregeld soorten hiervan, zoals Xenylla sp. (1), die kan herkend worden aan de ogen met 5 ocelli.
De Entomobryomorpha zijn ook langwerpig, maar fijn van lichaamsbouw, en met een duidelijke scheiding tussen kop en borst. De Entomobryidae zijn de meest voorkomende, of beter (doordat ze hogerop op planten te vinden zijn), de meest in het oog springende Collembola. Zeer algemeen zijn Entomobrya nivalis (2), en Entomobrya multifasciata. Ook de kleinere E. nicoleti is hier te vinden. E. albocincta is misschien wel de mooiste.
De Isotomidae kennen we vooral van Isotoma viridis (3), die tot 4 mm lang kan worden (hoewel ik in de wintertijd vooral ex. van 1 tot 2 mm grootte aantrof). Ook I. riparia, met een rugstreep, is hier algemeen. Naast het genus Isotomurus wil ik hier ook Vertagopus arboreus (4) vermelden, een donkere soort met een iriserend lichaam.
De Tomoceridae kennen we vooral van Tomocerus minor, en de zeer algemene Tomocerus vulgaris (5). Met wat geluk vind je onder een of andere schors ook wel eens een Pogonognathellus longicornis. Deze heeft zijn naam niet gestolen, de zeer lange antennes onderscheiden hem van Tomocerus.
Het genus Lepidocyrtus is ook algemeen. Er zijn varianten die wat bleek zijn, zoals L. lignorum, en andere die blauw/paars getint zijn, zoals L. cyaneus of L. violaceus (6). Ze worden zowat 2 mm groot, maar zijn moeilijk met zekerheid te determineren. Hun kleur komt van de schubben, en die schilferen in hun levensloop af. De bijgaande foto is dan ook niet 100% zeker (maar wel zeer waarschijnlijk) van L. cyaneus of L. violaceus.
En dan hebben we nog de soorten Orchesella cincta (7) en Orchesella villosa. Als er één springstaart is die je misschien al gezien hebt, dan zal het wel Orchesella cincta zijn. Het is de grootste; hij kan tot 4 mm worden, en is zeer herkenbaar aan de bleke ‘band’ op het vierde achterlijfsegment.
De categorie Symphypleona is mijn favoriete bende. We vinden er 6 families: Bourletiellidae, Dicyrtomidae, Katiannidae, Sminthuridae, Sminthurididae en (de obscure) Arrhopalitidae. Als er een prijs voor koddigheid mag worden uitgereikt, dan verdienen deze ‘bolletjes’ voor mijn part de hoofdprijs. Het predicaat ‘cute’ is hier op zijn plaats. Stel je voor dat ze het formaat van pakweg een cavia hadden, zouden jonge kinderen ze dan niet prefereren boven andere ‘pets’?
Bij de Bourletiellidae heb ik Deuterosminthurus pallipes (8) een aantal keer kunnen fotograferen. Ze zijn herkenbaar aan de 3 kleine puntjes op de zijkant van het achterlijf. Je vindt deze (meestal) gele diertjes ook in de zomermaanden laag op planten, tenminste als je goed kijkt. Want de mannetjes zijn ongeveer 1 mm, de vrouwtjes wat langwerpiger (1,6 mm).
De meest courante familie is waarschijnlijk die van de Dicyrtomidae. Twee hoofdsoorten: Dicyrtomina ornata(9) en D. saundersi (10). Ze zijn erg gelijkend; het verschil zit in de kleur van de antennes: bij D. ornata gelijk, bij D. saundersi donkerder vanaf sectie 2.
Onder Katiannidae vallen onder meer de algemene Sminthurinus aureus (11) en S. elegans. S. aureus is meestal geel/oranje, maar komt ook soms in donkere vorm voor. Niet makkelijk te determineren dus. Volgens vele bronnen zijn de twee bleke vlekken tussen de ogen een kenmerk. S. elegans heeft 4 donkere banden op het achterlijf.
De Sminthuridae zijn bij ons maar met 1 soort algemeen vertegenwoordigd: Allacma fusca (12). Volgens Symphypleona-normen is dat een reus, maar liefst tot 3,5 mm groot! Deze soort is dan ook één van de meest gefotografeerde (tenminste toch bij (ultra)macro-fotografen). Je kan hier ook duidelijk de ocelli onderscheiden.
Voor wie meer gedetailleerde info wil, is er onder meer de website collembola.org. Het is zelfs een landgenoot, Frans Janssens, die wereldexpert is. Zo, al zin in een zoektocht? Toegegeven, mijn timing had beter gekund, vooral in herfst en winter zijn ze namelijk makkelijker te vinden. Maar met een loep in de hand vind je nu ook wel wat. Volgende keer zetten we de boel op stelten.
Alle foto’s bij dit artikel zijn auteursrechtelijk beschermd door Johan Raes. Voor overname van tekst en foto’s, contacteer de redactie.
We hebben in onze prille jeugd allemaal wel het verhaaltje van ‘de krekel en de mier’ gehoord. Het is een vertaling van de Franse fabel ‘la cigale et la fourmi’, in de zeventiende eeuw geschreven door Jean De La Fontaine, en eigenlijk een herwerking van een verhaal van de Griekse fabeldichter Aesopus. De inhoud is bekend: de krekel (soms een sprinkhaan) zingt en danst de hele zomer, en de mier werkt ijverig door. Als het winter wordt, moet de krekel echter bij de mier gaan bedelen om eten. De moraal van het verhaal is duidelijk.
Zoals veel insecten worden ook mieren dikwijls als een last aanzien. Reclame voor pesticiden tegen mieren is dan ook alom aanwezig. Nochtans zijn het heel nuttige diertjes die in de tuin en natuur fungeren als opruimdienst van afval en dode insecten, de bodem verluchten en bepaalde ecosysteemdiensten verstrekken (zaden verspreiden, sommige schadelijke insecten doden). Het is enkel een probleem wanneer ze in huis geraken. Zoetigheden goed opbergen voorkomt dit euvel. Kunnen (onze) mieren de mens nu eigenlijk steken of bijten? Bijten kunnen ze allemaal, daarvoor hebben ze stevige kaken. Maar de beet zelf is meestal zonder gevolg, dat verandert wanneer er mierenzuur in de wond wordt gespoten. Hoewel ze een angel hebben, kan die ons meestal niet pijnigen, uitgezonderd soorten als de gewone steekmier (Myrmica rubra).
Mieren of Formicidae zijn sociale insecten die kolonies vormen. Over deze sociale structuur is voldoende informatie voorhanden. Ik ga daar hier dan ook niet verder op in. Ze behoren tot de wespachtigen, wat ook te merken is aan hun lichaamsbouw. Ze hebben voelsprieten met een lang eerste deel, de scapus, en een ellebooggewricht. Een vierde (en soms vijfde) lichaamsdeel tussen de borst en het achterlijf (de schub bij schubmieren, de knoop bij knoopmieren) is typerend. Vleugels zijn er enkel bij de koningin en de mannetjes, en alleen maar ten tijde van de bruidsvlucht.
Opvallend is de samenlevingsvorm tussen mieren en andere geleedpotigen. Bekend is natuurlijk de relatie met het gentiaanblauwtje, waarvan de rupsjes in de late zomer door knoopmieren meegenomen worden naar hun nest. Ze verblijven daar dan (als rups en pop) tot de volgende zomer in juni de imago’s uitvliegen. Alom gekend is de relatie met bladluizen, die als ‘vee’ gehouden worden voor hun honingdauw. Onder meer de glanzende houtmier is daar bedreven in. Ook sommige cicaden worden door mieren gekoesterd. In mijn eigen tuin vind ik de beide mierencicaden Tettigometra laeta en T. virescens. Niet verwonderlijk, want bijna de helft van het gazon wordt bevolkt door de gele weidemier (Lasius flavus) (1), en in mindere mate de (gewone) wegmier Lasius niger.
Er zijn ongeveer 13.800 soorten beschreven, waarvan België een 80-tal soorten huisvest, en Vlaanderen een 50-60-tal. In waarnemingen.be staan een 100-tal soorten opgelijst, waarvan vele zeer zeldzaam. En globaal zijn ze met veel; 20 biljard wordt geschat. We kennen in ons land 4 subfamilies mieren: Dolichoderinae (niet in Vlaanderen), Formicinae (met de genera Formica en Lasius), Myrmicinae (genus Myrmica in Vlaanderen) en Ponerinae (zeer zeldzaam, een paar Hypoponera species).
De grootste mieren bij ons zijn de bosmieren, waarvan we in België vier soorten hebben. Bosmieren vind je voornamelijk in de Kempen en op de Ardense hoogten. Ook in onze contreien zijn er nog een paar vindplaatsen, maar op waarnemingen.be worden die alvast niet zichtbaar gemaakt. Andere typische bosbewoners zijn de bossteekmier (Myrmica ruginodis)en de bosslankmier (Temnothorax nylanderi).
In onze tuinen vinden we vooral de wegmier (Lasius niger), de gele weidemier (Lasius flavus) en de gewone (of rode) steekmier (Myrmica rubra). De gewone steekmier heb je beter niet als gast, ze zijn agressief en kunnen dus steken. De wegmier komt in vrijwel elke tuin voor en graaft een nest in zand, vaak onder hout of stenen. De gele weidemier is met zijn 3 tot 5 millimeter vrij klein. Ze zijn bruingeel van kleur, behalve de mannetjes die (in hun korte bestaan) zwart zijn. In mijn tuin zijn ze dus massaal aanwezig, waarschijnlijk omdat het grootste deel van het gazon vrij vochtig is, en omdat er nogal wat bladluizen te vinden zijn.
Eén van mijn foto’s werd gedetermineerd als boommier (Lasius brunneus), ook wel bruine houtmier genoemd. Ze is herkenbaar aan een brede kop en het lichter gekleurde borststuk. Ze komen vaak voor in loofbossen (eik, beuk).
Ook de glanzende houtmier (Lasius fuliginosus)komt vooral voor in loof- (of naald)bossen. Ze heeft een diepzwart, glanzend lichaam. Het nest wordt vooral gebouwd in boomholtes of wortelstronken. Voor wie een goed ontwikkeld reukorgaan heeft: bij verstoring verspreiden ze een citroenachtige geur.
Een andere schubmier is de muurmier (Lasius emarginatus). Hoewel ze op waarnemingen.be als ‘vrij algemeen’ staat aangeduid, zijn er toch maar een beperkt aantal observaties. Met haar duidelijk roodbruine borststuk lijkt ze wat op de boommier, maar het contrast met kop en achterlijf is meer uitgesproken. Haar naam is niet toevallig, ze heeft een voorliefde voor stenen. Vindplaatsen vooral in het zuiden van onze provincie en West-Vlaanderen.
De grauwzwarte renmier (Formica fusca)komt ook vooral voor in bosgebied, maar ook op weiland of zandgronden. Ik zie deze soort ook wel eens op alleenstaande bomen rondrennen. Fraaier is de rode renmier (Formica rufibarbis). Ik vond een paar jaar terug een aantal exemplaren op de ruïnes van de Sint-Salvatorabdij in Ename. Dat blijken nog altijd de enige waarnemingen te zijn in de Vlaamse Ardennen. Hopelijk overleeft deze mooie mier de werken die actueel op die site aan de gang zijn.
Volgende keer zespotigen die toch niet tot de insecten worden gerekend, en een minder gekende, maar bonte wereld vormen.
Alle foto’s bij dit artikel zijn auteursrechtelijk beschermd door Johan Raes. Voor overname van tekst en foto’s, contacteer de redactie.
Ik kan mij inbeelden dat bij een eerste blik op deze pagina de foto’s niet direct een reflex van herkenning bij jou teweegbrengen. Niet verwonderlijk, want Chalcidoidea, met de wat ongelukkige Nederlandse benaming ‘bronswespachtigen’, zijn door de band genomen zo klein dat je ze meestal gewoon niet opmerkt. Als je ’s zomers een kriebel op je arm voelt, en met je duim een ‘klein vliegje’ platdrukt, dan is de kans groot dat het niet gaat om een vlieg (diptera), maar om één of ander prachtig bronswespje.
Ervaren amateur entomologen zullen wel bekend zijn met de (meestal) felgroene Torymidae (staart- of zaadwespen), of een occasioneel specimen van de familie van de Chalcididae. Maar verder kregen deze insecten bij ons nauwelijks aandacht in entomologisch onderzoek. Met een gemiddelde grootte van 1,5 – 2 mm is bestudering ook niet zo simpel, en vereist determinatie tot op soortniveau bijna altijd microscopisch onderzoek. Tot voor de zomer van 2025 was ik mij ook niet bewust van de soortenrijkdom van deze superfamilie. Maar door wat meer te experimenteren met macrofotografie in het bereik 2:1 tot 4:1 (bij formaat full frame sensor) ging een nieuwe wereld voor mij open. De foto’s hierbij afgebeeld zijn dus minimaal met 2 x vergroting genomen, scherptediepte (bij f:8 tot f:11) is dan ook meestal beperkt tot (zelfs minder dan) 0,5 mm. Bruikbare (voldoende scherpe) opnames zijn dan ook in de minderheid. Voor wie deze beestjes alive-and-kicking wil fotograferen een factor om rekening mee te houden!
Info over Chalcidoidea is schaars, wat niet hoeft te verwonderen gezien hun geringe visibiliteit. Het viel mij direct op dat op waarnemingen.be maar weinig registraties stonden. Onze noorderburen zijn met waarneming.nl al veel verder gevorderd. Maar daar komt ook bij ons verandering in. Vanaf juli 2025 ben ik zelf dus deze kleine wespen volop beginnen te fotograferen, en in samenspraak met Natuurpunt Studie geef ik sindsdien ook determinaties door, om nieuwe families, genera en soorten toe te voegen aan de lijst. Natuurlijk zullen de komende jaren de experts/validatoren zich verder daarover moeten buigen, en zal er door voortschrijdend inzicht verder verfijnd worden. Maar het is al een stap vooruit wanneer de omschrijving ‘bronswespachtige onbekend’ kan vervangen worden door pakweg ‘Pteromalidae indet’, ‘Eulophinae indet’ of ‘Macroglenes spec’. Op moment van schrijven geeft een vraag naar een overzicht van Chalcidoidea nog enkel de niet verder gedetermineerde bronswespachtigen. Maar er is mij beloofd dat bij een volgende update alle gedetermineerde families en lagere taxa ook zullen opgeroepen worden.
Wikipedia (Nederlandstalige pagina) weet ons te melden dat er zo een 22.000 soorten beschreven zijn, maar dat hun aantal veel hoger wordt geschat, en dat de meeste soorten parasitoïden zijn die parasiteren op eitjes, larven en andere ontwikkelingsstadia van andere insecten. Op de Engelstalige Wikipedia wordt vermeld dat er waarschijnlijk meer dan 500.000 soorten zijn, nog veel te ontdekken dus. Hier leren we onder meer ook dat de benaming ‘chalcid wasps’ komt van het Grieks khalkos, wat ‘koper’ betekent. In onze landstaal is het koper dus brons geworden. Sowieso is deze omschrijving te beperkend, en verwijst ze vooral naar de Pteromalidae en Torymidae. Want Chalcidoidea zijn er ook in het zwart en in zowat alle kleuren. Sommige Entedoninae dragen zelfs zowat alle kleuren van de regenboog op één lichaam.
Een aantal soorten bronswespen wordt gebruikt in de biologische bestrijding in landbouw– en fruitteelt. Voor de vijgen zijn Agaonidae, waarvan ik tot nu toe geen waarneming in België vaststel, belangrijk voor de bevruchting.
Hoe herkennen we de verschillende families, genera en (indien mogelijk) soorten? Er zijn enkele belangrijke determinatiefactoren, die bij fotografie best zo veel mogelijk in beeld gebracht worden. We denken dan aan de opbouw van de antennes, het aantal tarsen van de poten, de beadering op de voorvleugels, of de bouw van het borststuk (mesoscutum, scutellum, …). Hieronder vind je een overzichtje van Google AI om zo alvast een onderscheid te kunnen maken tussen de Eulophidae (bladmijnwespen) en Pteromalidae. Dat is al heel wat, want het overgrote deel van waarnemingen bij ons valt onder deze twee families.
Waar vind je Chalcidoidea? Mijn ervaring is vooral op de bladen van eik en esdoorn. Tot mijn verbazing bleek de beukenhaag rond mijn tuin ook boordevol te zitten met bronswespjes. Waarschijnlijk zijn ze aangetrokken door de honingdauw, een gratis voedselbron aangeboden door de beukenbladluis. Zoek verder zeker ook op schermbloemen. Als je bijvoorbeeld duizendblad afschudt heb je veel kans op een kolonie bladmijnwespen, veelal Tetrastichninae van 1 – 2 mm groot.
Er zijn een twintigtal families Chalcidoidea die in onze contreien te vinden zijn. De bekendste zijn zeker de Torymidae (staart- of zaadwespen) en de Chalcididae (dikdijwespen). Van deze laatste familie zien we geregeld meldingen van Haltichella rufipes en een of andere soort Brachymeria. Ze zijn (bijna volledig) zwart, en makkelijk te onderscheiden door hun extreem verdikte achterste femorae (dijen), met onderaan een rij tanden of inkepingen. Het middelste borststuk is robuust gebouwd.
De vrouwtjes van de staartwespen zijn gemakkelijk te herkennen aan de erg lange legboor. Sommige mannetjes lijken wat op Pteromalidae. Maar ze onderscheiden zich onder meer door 13 antenneleden, een diep gegroefd mesoscutum en een gebogen spoor op de voorste tibiae. Torymus, Monodontomerus en Megastigmus zijn bij ons de bekendste genera.
Ook van Eurytomidae zien we wel eens een beeld terug. Deze familie wordt in het Nederlands kraagwespen genoemd, afgeleid van hun breed pronotum (= het voorste bovengedeelte van de thorax). Ze zijn bijna zonder uitzondering dof grijszwart, en zwaar gepuncteerd. Het genus Sycophila kent wel soorten met geel/oranje tekening.
Eupelmidae staan op waarnemingen.be ook aangeduid als keverbronswespen. Het zijn dan ook wespen die vooral parasiteren op keverlarven. Je kan ze herkennen aan het lang uitgerekte lichaam, met een concaaf mesonotum (= middelste bovengedeelte thorax).
Ormyridae zijn zeer robuust gebouwd, met een hoog opbollend borststuk en een puntig achterlijfseinde. Kleur donkergroen of -blauw. Ze zijn verbonden met gallen, voornamelijk als parasieten voor galwespen.
Perilampidae (deukkopwespen) zijn (meestal) prachtig metallic blauw of groen gekleurd. Ze zijn fel gepuncteerd en hebben een kort gedrongen achterlijf. Vooral Perilampus aeneus wordt bij ons soms eens gezien, hoewel het voor mij ook al van 2019 geleden is.
Aphelinidae (bladluiswespen) en Encyrtidae (borstelwespen) zijn beide families met heel kleine insecten. De Aphelinidae hebben het vooral gemunt op halfvleugeligen zoals bladluizen. Ze worden dan ook wel eens ingezet bij biologische pestbestrijding. Ze hebben grote ogen, en hun lichaamsbouw is gekenmerkt door een achterlijf dat grotendeels aan het borststuk is gekoppeld. De borstelwespen vormen een grote familie van parasitaire wespen. Ze zijn te determineren door het grote convexe mesopleuron, dat is de plaat in het midden van de zijkant van de borst. Er zijn echte pareltjes te vinden onder deze familie, zoals Microterys nietneri en het genus Metaphycus.
Mymaridae (elfenwespen) hebben een donkerbruin of zwart lichaam, en vallen op door hun peddelvormige vleugels met franjes aan de rand. De vrouwtjes hebben antennes met op het uiteinde een knots. Op de kop hebben ze een H-vormig patroon. Goed uitkijken als je er een wil spotten, want ze behoren tot de kleinste insecten ter wereld.
De Pteromalidae zijn met hun metallic groen/brons/koperkleurige tekening misschien wel het meest representatief voor de superfamilie Chalcidoidea. Deze familie heeft in 2022 taxonomisch wel heel wat verandering ondergaan. Heel wat families die eerder niet direct ergens konden toegewezen worden, werden toen bij deze familie ondergebracht. Sindsdien blijven er van de originele 33 families nog een handvol over. Het eerste determinatiekenmerk betreft het 5-delig karakter van de voorste en achterste tarsen. Verder hebben de antennes 8 tot 13 elementen, met meestal 6 funiculi (= de flagellomeren tussen pediceel en clava). Veruit de grootste subfamilie zijn de Pteromalinae.
Mijn favoriete familie is Eulophidae (bladmijnwespen). Het zijn erg kleine beestjes, en blijkbaar moeilijk te bewaren voor determinatie. Bijgevolg is er ook maar weinig fotomateriaal van. Waarschijnlijk ligt hier een opportuniteit voor de ontdekking van nieuwe soorten. Ook bij ons. Ze zijn te herkennen aan 5 tarsen en antennes met maximaal 10 elementen, en 2 tot 4 funiculi. Voor de beschrijving van een antenne wordt hier soms een getal gebruikt. Het getal 11343 staat dan voor een antenne opgebouwd uit 1 schacht, 1 pediceel, 3 annelli (= zeer kleine tussenringen), 4 funiculi en een clava (club) samengesteld uit 3 elementen. De variëteit is enorm, zowel wat kleur als morfologie betreft. Er is de subfamilie Entedoninae met prachtig gekleurde genera als Chrysocharis en Closterocerus. De Eulophinae zijn dikwijls oranje/geel of groen. En de Tetrastichninae hebben zowel donkergekleurde als blekere soorten. Als er een beter overzicht is van onze bladmijnwespen hoop ik in de toekomst daar nog eens een apart artikel aan te kunnen wijden.
Van Eucharitidae zijn nog geen soorten waargenomen bij ons. Eucharis adscendens staatgenoteerd als ‘verwacht’. Leucospidae kent in België één soort, Leucospis dorsigera, waarvan enkel waarnemingen ten oosten van Brussel.
Tetracampidae, Trichogrammatidae en Signiphoridae zijn nog andere families met erg kleine wespjes.
Zo, hopelijk is de interesse gewekt voor deze nog grotendeels ongekende insecten. Volgend keer een diertje uit één van de fabels van La Fontaine …