Alle foto’s bij dit artikel zijn auteursrechtelijk beschermd door Johan Raes. Voor overname van tekst en foto’s, contacteer de redactie.
We hebben in onze prille jeugd allemaal wel het verhaaltje van ‘de krekel en de mier’ gehoord. Het is een vertaling van de Franse fabel ‘la cigale et la fourmi’, in de zeventiende eeuw geschreven door Jean De La Fontaine, en eigenlijk een herwerking van een verhaal van de Griekse fabeldichter Aesopus. De inhoud is bekend: de krekel (soms een sprinkhaan) zingt en danst de hele zomer, en de mier werkt ijverig door. Als het winter wordt, moet de krekel echter bij de mier gaan bedelen om eten. De moraal van het verhaal is duidelijk.
Zoals veel insecten worden ook mieren dikwijls als een last aanzien. Reclame voor pesticiden tegen mieren is dan ook alom aanwezig. Nochtans zijn het heel nuttige diertjes die in de tuin en natuur fungeren als opruimdienst van afval en dode insecten, de bodem verluchten en bepaalde ecosysteemdiensten verstrekken (zaden verspreiden, sommige schadelijke insecten doden). Het is enkel een probleem wanneer ze in huis geraken. Zoetigheden goed opbergen voorkomt dit euvel.
Kunnen (onze) mieren de mens nu eigenlijk steken of bijten? Bijten kunnen ze allemaal, daarvoor hebben ze stevige kaken. Maar de beet zelf is meestal zonder gevolg, dat verandert wanneer er mierenzuur in de wond wordt gespoten. Hoewel ze een angel hebben, kan die ons meestal niet pijnigen, uitgezonderd soorten als de gewone steekmier (Myrmica rubra).
Mieren of Formicidae zijn sociale insecten die kolonies vormen. Over deze sociale structuur is voldoende informatie voorhanden. Ik ga daar hier dan ook niet verder op in.
Ze behoren tot de wespachtigen, wat ook te merken is aan hun lichaamsbouw. Ze hebben voelsprieten met een lang eerste deel, de scapus, en een ellebooggewricht. Een vierde (en soms vijfde) lichaamsdeel tussen de borst en het achterlijf (de schub bij schubmieren, de knoop bij knoopmieren) is typerend. Vleugels zijn er enkel bij de koningin en de mannetjes, en alleen maar ten tijde van de bruidsvlucht.
Opvallend is de samenlevingsvorm tussen mieren en andere geleedpotigen. Bekend is natuurlijk de relatie met het gentiaanblauwtje, waarvan de rupsjes in de late zomer door knoopmieren meegenomen worden naar hun nest. Ze verblijven daar dan (als rups en pop) tot de volgende zomer in juni de imago’s uitvliegen.
Alom gekend is de relatie met bladluizen, die als ‘vee’ gehouden worden voor hun honingdauw. Onder meer de glanzende houtmier is daar bedreven in.
Ook sommige cicaden worden door mieren gekoesterd. In mijn eigen tuin vind ik de beide mierencicaden Tettigometra laeta en T. virescens. Niet verwonderlijk, want bijna de helft van het gazon wordt bevolkt door de gele weidemier (Lasius flavus) (1), en in mindere mate de (gewone) wegmier Lasius niger.
Er zijn ongeveer 13.800 soorten beschreven, waarvan België een 80-tal soorten huisvest, en Vlaanderen een 50-60-tal. In waarnemingen.be staan een 100-tal soorten opgelijst, waarvan vele zeer zeldzaam. En globaal zijn ze met veel; 20 biljard wordt geschat.
We kennen in ons land 4 subfamilies mieren: Dolichoderinae (niet in Vlaanderen), Formicinae (met de genera Formica en Lasius), Myrmicinae (genus Myrmica in Vlaanderen) en Ponerinae (zeer zeldzaam, een paar Hypoponera species).
De grootste mieren bij ons zijn de bosmieren, waarvan we in België vier soorten hebben. Bosmieren vind je voornamelijk in de Kempen en op de Ardense hoogten. Ook in onze contreien zijn er nog een paar vindplaatsen, maar op waarnemingen.be worden die alvast niet zichtbaar gemaakt.
Andere typische bosbewoners zijn de bossteekmier (Myrmica ruginodis) en de bosslankmier (Temnothorax nylanderi).
In onze tuinen vinden we vooral de wegmier (Lasius niger), de gele weidemier (Lasius flavus) en de gewone (of rode) steekmier (Myrmica rubra). De gewone steekmier heb je beter niet als gast, ze zijn agressief en kunnen dus steken. De wegmier komt in vrijwel elke tuin voor en graaft een nest in zand, vaak onder hout of stenen. De gele weidemier is met zijn 3 tot 5 millimeter vrij klein. Ze zijn bruingeel van kleur, behalve de mannetjes die (in hun korte bestaan) zwart zijn. In mijn tuin zijn ze dus massaal aanwezig, waarschijnlijk omdat het grootste deel van het gazon vrij vochtig is, en omdat er nogal wat bladluizen te vinden zijn.
Eén van mijn foto’s werd gedetermineerd als boommier (Lasius brunneus), ook wel bruine houtmier genoemd. Ze is herkenbaar aan een brede kop en het lichter gekleurde borststuk. Ze komen vaak voor in loofbossen (eik, beuk).
Ook de glanzende houtmier (Lasius fuliginosus) komt vooral voor in loof- (of naald)bossen. Ze heeft een diepzwart, glanzend lichaam. Het nest wordt vooral gebouwd in boomholtes of wortelstronken. Voor wie een goed ontwikkeld reukorgaan heeft: bij verstoring verspreiden ze een citroenachtige geur.
Een andere schubmier is de muurmier (Lasius emarginatus). Hoewel ze op waarnemingen.be als ‘vrij algemeen’ staat aangeduid, zijn er toch maar een beperkt aantal observaties.
Met haar duidelijk roodbruine borststuk lijkt ze wat op de boommier, maar het contrast met kop en achterlijf is meer uitgesproken. Haar naam is niet toevallig, ze heeft een voorliefde voor stenen. Vindplaatsen vooral in het zuiden van onze provincie en West-Vlaanderen.
De grauwzwarte renmier (Formica fusca) komt ook vooral voor in bosgebied, maar ook op weiland of zandgronden. Ik zie deze soort ook wel eens op alleenstaande bomen rondrennen.
Fraaier is de rode renmier (Formica rufibarbis). Ik vond een paar jaar terug een aantal exemplaren op de ruïnes van de Sint-Salvatorabdij in Ename. Dat blijken nog altijd de enige waarnemingen te zijn in de Vlaamse Ardennen. Hopelijk overleeft deze mooie mier de werken die actueel op die site aan de gang zijn.
Volgende keer zespotigen die toch niet tot de insecten worden gerekend, en een minder gekende, maar bonte wereld vormen.
n.v.d.r.: op https://www.bestuivers.nl/publicaties/de-wespen-en-mieren-van-nederland vind je heel veel informatie over de ecologie, verspreiding en levenswijze van mieren
