Hoornaars gezien, gehoord, gevoeld?

Hoornaars gezien, gehoord, gevoeld?

Onze natuur wringt zich in het dagelijkse nieuws en helaas dikwijls niet op een positieve manier. Hoornaars kwamen deze zomer aan bod, een verwachte evolutie, want de Europese en Aziatische hoornaar – recent omgedoopt tot geelpoothoornaar – doen het hier goed. Er zijn allicht ook veel ervaringen bij onze lezers, hopelijk niet aan de lijve ondervonden. Wat kan je meer vertellen dat de moeite is: als je veel buiten bent, toch best oppassen, ook bij werkzaamheden in de tuin! En waakzaamheid voor wie met nachtvlinders bezig is, want de Europese hoornaar komt ook af op licht.

Dit voorjaar zaten in onze kleine tuin twee ‘aanloop’nesten of primaire nesten in nestkasten: de geelpoot is ervoor gekend om laag kleine primaire nesten te bouwen, van waar dan de opgekweekte werkploeg aan het werk gaat in de typische grote bolvormige nesten hoog in de bomen. Die blijven dan vaak onopgemerkt tot het najaar als de bladeren vallen, en zo tegen kerstdag heb je dan mooie grote bollen op gerespecteerde afstand van elkaar.

Onze kleine nesten bleven eerst onopgemerkt, iets wat in nestkasten in grote tuinen of bossen ook het geval kan zijn. Overigens heb ik dat ook eenmaal ervaren in het Kluisbos met een Europese hoornaar en je wil niet weten hoe rap ik van mijn ladder was. Alleen al het geluid was efficiënt! En de waarschuwing is hier dus wel op zijn plaats: pas op, ze zijn agressief, zeker de geelpoten. Diezelfde tuinhoornaars dacht ik te ontmoedigen door in het begin de nestkastopening af te plakken, maar daar wisten ze wel raad mee via een (geknaagde?) opening in de achterkant. Benieuwd na enige tijd of ze nu weg waren, tokkelde ik even van op ‘veilige’ afstand met een takje tegen de kast en voor ik het wist was ik gestoken op mijn lip: als een duivel uit een doosje en heel gericht was de aanval voorbij voor ik het besefte, gelukkig met maar één aanvaller.

Eind augustus, begin september volgden de berichten elkaar op met een aanval in Kluisbergen (Europese hoornaar) als groot nieuwsitem en spijtig genoeg aansluitend in Ninove een dodelijke afloop na een aanval van de geelpoothoornaar.

Europese hoornaar © Rik Desmet
Europese hoornaar © Rik Desmet

Europese hoornaars bouwen hun nesten laag, in de grond of in een holle boom of holle ruimte, ook bij huizen, en ze worden wat ontzien bij verdelgingsacties, omdat ze meer in evenwicht zijn met de Europese fauna. Zelf zag ik ook een kleine groep een wespennest aanvallen onder onze dakgoot, passend in hun voedselpatroon. Want beide soorten zijn naast fruit voornamelijk ‘vlees’eters en roven dagelijks wat weg aan andere insecten in tuinen en zeker bij bijenkasten, waar vooral de geelpoothoornaar een echte plaag vormt. De nesten van beide soorten sterven af in de winter, maar koninginnen overleven. Per nest van de geelpoothoornaar worden soms tot 500 koninginnen geboren, waarvan 10% overleeft (Ellen Danneels in DM 1/9), en daarvan slaagt opnieuw 10% erin om een nieuw nest te bouwen.

Wat te doen als hoornaars aanvallen? Experte Danneels: gaan lopen… Wie het nest verstoort, wordt aangevallen en ze blijven steken, want ze hebben geen gekartelde angel als honingbijen! Dat ondervond ook een buurvrouw die absoluut een foto van een nest op Facebook wilde, met als resultaat een aantal likes en evenveel steken… Verstoring kan ook door trillingen; stampende voeten en zelfs lawaaierige voorbijgangers kunnen al voldoende zijn. Dit was allicht het geval in de holle weg in Kluisbergen met wandelaars en mountainbikers. Wie gestoken is, legt best ijs en gebruikt een anti-allergische zalf. 112 bellen is zeker nodig bij kortademigheid, misselijkheid of allergische reacties. Wie allergisch is, houdt best noodmedicatie (EpiPen) in huis. Meld waarnemingen via de site van Vespawatch. Je vindt op die site ook een kaart1 waarop je per gemeente kan zien of de bestrijding door de brandweer al dan niet gratis is, en je krijgt een lijst van erkende bestrijders.

En aansluitend: als iemand weet heeft van wespendieven met hoornaars op hun menu, laat het weten aan Meander.

Referenties

  1. https://vespawatch.be/overview-eradication/ ↩
Tussen buurtwinkel en supermarkt

Tussen buurtwinkel en supermarkt

Onderweg naar Zwitserland op familiebezoek passeerden we deze zomer de Elzas, ooievaarsland bij uitstek, en daar op een parking langs de autostrade hielden we even een stop om onze boterhammen op te eten. Weinig volk op de ruime, groen ingerichte ruimte met bankjes en bomen: iedereen haast zich naar de cafetaria, de klassieke toeristenval onderweg. We krijgen gezelschap van een ooievaar, voorzichtig steeds dichterbij komend, loerend naar onze maaltijd, duidelijk het schooien gewoon … Een familie met 4 kinderen houdt ook halt en onze tafelgenoot ziet daar meer voordeel in: met een halve sandwich vertrekt hij naar zijn nabije nest ‘op paal’ met 3 jongen. Geklepper klinkt luid boven het geraas van de auto’s. Die ooievaar is bekeerd tot de supermarkt. Zijn buurtwinkel, de graslanden met muizen en sprinkhanen, heeft hij verlaten of die is daar ook verdwenen onder een reusachtig maïsveld.

Later las ik dat men plaatselijk het aantal ooievaarsnesten op palen wil minderen wegens ‘overlast in de reservaten’: de te talrijke ooievaars plunderen de populatie sprinkhanen, maar ook amfibieën, grondbroeders e.a. Langzaam sijpelt de link door met andere ‘sympathieke’ soorten die we tot onze avifauna zijn gaan rekenen en die een link naar de supermarkt vertonen. Je kan aan een lange lijst beginnen, met enige rekbaarheid van kauw en koereiger tot oehoe en zeearend. En geef toe, ook wij hebben onze buurtwinkels opgeofferd voor de o zo makkelijke grootwarenhuizen. Het begon in de Makro tijd met volle parkings en hoevelen onder ons rijden niet tot over de Franse grens om met ‘mijn wagen volgeladen’ met … wijn en bronwater terug te keren.

Ik zal misschien wel een van de weinigen zijn die niet jubelend de supersoorten verwelkomt, met uitzondering van de klimaatvolgers als hop, Cetti’s zanger, bijeneter, Orpheusspotvogel en co. Daar zijn ook de soorten bij die bij hun terugtrek uit Afrika vergeten de rem dicht te halen: en ‘doorschieten’ – slangenarend, grijze wouw, dwergooruil – maar die zich moeilijk definitief zullen vestigen. Ook bij insecten kennen we dat fenomeen. Maar dan is er de groep die zich wel definitief lijkt te vestigen, zowel vogels (koe- en zilverreiger, nijlgans, oehoe…), zoogdieren (wasbeer, bever en hervestiging van wolf, steenmarter en otter) als vissen, insecten… Daarbij zitten ook een pak exoten.

De vraag daarbij blijft de mogelijke invloed op de ‘oude’ soorten: als we het voorbeeld van de oehoe nemen, nu al een wat vertrouwde soort in Vlaanderen en Nederland, met daar een toename van 10 paar in 2010 naar 129! territoria in 2025, waarvan 80% in bossen (bron: Uilen 2025), dan blijven toch wat bedenkingen hangen. Waar die arriveert in de bossen van de Vlaamse Ardennen, verdwijnt de ransuil net als de egel, en vermindert ook de populatie van bosuil aanzienlijk.

Voedselkwantiteit speelt een kapitale rol en daar hebben we weinig zicht op. Naast de favoriete, zeer algemene prooien zoals houtduif en kraaiachtigen, behoren ook holenduiven, spechten en zelfs jonge hazen en vossen tot het dieet. Het speelt een rol dat de nieuwkomers weinig kieskeurig zijn: als de uilen in het bos opgegeten zijn, schakelen ze over naar een ander bos of nemen ze ratten (tot 90% in de buurt van bewoning!) in hun menu op, onuitputtelijk … Overschakelen naar de stad lijkt een kwestie van tijd; met daar grote voorraden aan ratten, duiven, kauwen e.a. is het daar een gedekte tafel. Nestelen doen ze hier en daar al in gebouwen of op een kunstrots in een pretpark. Oehoes in de stad zijn in Duitsland al relatief algemeen.

Net als bij de ooievaars van in het begin, hebben koereigers de neiging ‘om op te ruimen’: het is een soort die graag in groep foerageert en in gestrekte formatie door hooilanden marcheert en kikkers, sprinkhanen en jonge vogels in één doortocht binnenspeelt. Laat die maar eens los in onze snippers van intensief beheerde reservaten … Ze doen me denken aan de Romeinen die Europa veroverden … We tasten nog in het duister over de impact op de ‘kleinschalige oude natuur’, de buurtwinkel.

Voedsel is cruciaal, denk aan de zeearend, die zich kon vestigen, steunend onder meer op de toename van vele ganzensoorten met jongen, maar dat voedsel is tegelijk ook de basis van het verdwijnen van soorten. Daarbij komen onze, nu allicht te laat vertroetelde akkervogels in zicht: waar ooit bij het oogsten van graan op de overblijvende stoppel nog een hele wintervoorraad achterbleef, is dat nu opgedroogd door betere oogsttechnieken en andere bedrijfsvoering waarbij stoppels ingezaaid worden met groenbemesters. Weg ringmussen, leeuweriken, kneus en gorzen, wellicht stilaan onbekende soorten voor een erg nabije toekomst. Andere soorten lijden mee, als voorbeeld in ‘mijn winkel’: in Wortegem vormden in 2002 vogels in de braakballen van ransuilen op het einde van de winter dikwijls meer dan de helft van de prooien. Deze werden op de slaapplaatsen gevangen, juist op tijd om bij het einde van de winter het gebrek aan muizen op te vangen en toen nog een populatie uilen te redden?

We beleven een ongelofelijke schaalvergroting, dichtbij en wereldwijd, en dat resulteert in een snelle verarming van de natuur. Ik kijk dan ook wat argwanend naar de euforie bij het verschijnen van de ‘grote nieuwe’ soorten. Soms lijkt men die te bejubelen om het grote verlies te verdoezelen met een wereld van superaanbiedingen, net als in de grootwarenhuizen, en misschien werkt dat zelfs wel (“het gaat toch goed met de natuur, de zeearend is terug”). Mijn vrees is dat we net als met de buurtwinkel, straks hopeloos overgeleverd zijn zonder verweer aan ‘de groten der aarde’, en dat natuur daarbij compleet ondergeschikt zal zijn, of het nu al is. Wanneer gaan we eindelijk eens natuur op landschapsschaal bekijken en de natuur de ruimte geven om zichzelf te gaan reguleren over grote oppervlakte?

Zoals dikwijls:te laat, te weinig aan natuur gedacht …

Zoals dikwijls:te laat, te weinig aan natuur gedacht …

Even wat groene rimpels in de berichtgeving: Natuurpunt samen met, jawel, de Boerenbond, merken op dat het misloopt met de fermettenrage in ons Vlaamse landschap.

Wie niet ziende blind is, ervaart ook wel dat ons landschap snel uitgekleed wordt, met voorkeur in de nog mooiste landschappen. Een van de oorzaken: boerderijen waar de bedrijfsvoering stopt, worden (tegen hoge prijzen) verkocht voor villa- en fermettenbouw. De rust en het groen zijn een meerwaarde geworden, verstaanbaar misschien, maar terecht?

Biodiversiteitsverlies

Dat bij de ‘herinrichting’ ontzettend veel natuur verloren is gegaan, bleef onder de radar in het nieuws en in het beleid. Zonder noemenswaardige tegenstand van openbare besturen bij het verlenen van de vergunningen volgt dan, gelukkig niet altijd, maar meestal wel, de kaalslag: oude bomen, boomgaarden en gebouwen weg, tabula rasa met letterlijk ‘egalisering’ van het terrein. Je kan het ook legalisering van de natuurafbraak noemen = doe maar. Wie het door een groene bril bekijkt, ziet daar moeizaam opgebouwde oude natuur uit het Vlaamse landschap verdwijnen, stapstenen voor vogels, vleermuizen, zoogdieren enz. Het heeft in de vogelwereld vrijwel zeker een groot aandeel in het verdwijnen van soorten als zwaluwen, steenuilen, lijsters, mussen en roodstaartjes, allen deelgenoot van de ketting natuur in boerenland. Daar is bij ons wat om te doen tegenwoordig, met ‘stop die achteruitgang’: de veldleeuwerik schopte het tot vogel van het jaar in een wanhoopspoging om de soort van het verdwijnen te redden. In Nederland is dat de steenuil, in beide gevallen een eerder triestige eer. Vogels, wees op je hoede als je soort van het jaar wordt! En dan begint de draaimolen: zoals verwacht legt Brouns het accent op het grondverlies voor de landbouw en ergens als aanhangsel in een flets kleurtje het natuur- en biodiversiteitsverlies … De volgende nieuwsuitzending is daar onze minister-president met commentaar uit een nog dieper dal: de politieke teneur is gezet. De oplossing is verder weg dan ooit, oplossen met een ‘takske’, ja, het is inderdaad maar één letter verschil…. Over inzicht in de problematiek is dat nog bedenkelijker, want er is meer schade en hinder dan op het eerste gezicht geschat.

In de zijlijn…

Steenuil © Jos Zwarts
Steenuil © Jos Zwarts

Zelf stond ik op de eerste lijn bij de start: Kluisbergen leek van bij het begin de ideale plek om zijn rust in de natuur te verzilveren, het uitzicht nietwaar! Hoe groter de naam en het kapitaal, hoe pompeuzer de inplantingen. Dikwijls zette de ingang met smeedijzeren hekkens en camera’s al de toon en onze gemeente is duidelijk niet alleen: er werden wat stulpjes neergezet in onze oases van groen! Het moet zelfs niet altijd hellend zijn; ook in de buurt van Waregem deinde die rage uit richting Wortegem, Kruishoutem, een verkennende wandeling of PANO-reportage waardig. Als je in de buurt woont, kan je geluk hebben: veel van de boerderijen zijn tot gewoon woonhuis binnen de familie gebleven en er komt zelfs autochtoon groen bij, maar het kan ook minder zijn als de eigenaars alleen van perkjes houden natuurlijk. Of erger, als ze van paardjes houden! Hier wat terzijde: je zal maar de steenuil uit de buurt zijn; en dan hopen op mestkevers en pieren, maar die gaan ten onder aan ontwormingsmiddelen en een ander grasbeheer dan de weiden van de oude hoeve. Zeker geen winstpunt als men het idee van vakantieverblijf voor groepen als verdienmodel kiest: onrust troef, vespa’tjes en 2pk’s incluis, en gegarandeerd een dode beek aan de achterkant, waar de meestal veel te kleine waterzuivering in uitmondt. De neoliberaal zegt dan: dat is positieve streekontwikkeling, vroeger was het erger, het was de overloop van de mestput…

De commentaren…

In de nasleep zijn ook de reacties boeiend. De conflicten voorop: hinder voor de nieuwe bewoners, geur en vroege arbeid op het veld, dat hadden ze niet verwacht, ontoelaatbaar! Brouns en Ceyssens, ja, passend op hun paard: verlies aan hectaren landbouwoppervlak, ongehoord. De politiekers: ik zag er ooit één dansen bij de verkoop van een hoeve, streekontwikkeling volgens hem, hij was schepen van landbouw … Zijn collega: “Moeten we niet sleutelen aan de vergunningen? Best afblijven …” De buurtbewoners: “Schone entree daar, en vette wagens”. De financieel expert Maus: “De oogst hoeft niet steeds graan te zijn; bij verkoop wordt ook geoogst door de boer” en dat is zeker waar. De kerkuil: tot nooit meer. En ja, ik zou niet graag een zoon hebben die nu landbouwer wil worden, wat een zootje… De natuur: diepe zucht, we staan weeral achteraan in de rij, en misschien nog het belangrijkst: hoeveel medeburgers raakt het nog?

Besluiten moeten we met ‘er is hoop’, maar die is er niet, toch niet in onze streek. Het loslaten van landbouwgrond kan een opportuniteit zijn voor een bestemming natuur, zeker bij boeren die stoppen in valleigebied. Het bebossingsverhaal is een voorbeeld van hoe moeilijk natuurherstel gaat. Als we de resultaten zien, weten we genoeg. We zagen de ambtenaren hun best doen, maar wat kan je doen als de politiek er een minister op zet met als opdracht: zeker niet te veel doen rond natuur? En het is niet makkelijk voor die mens om te overtuigen dat landbouwgrond belangrijk is in het fermettendossier en voor onze voeding tegen het licht van de aardappelcatastrofe van 2025. De samenvoeging omgeving en natuur is een farce op zich. Een minister voor natuur die zijn opdracht grootschaliger mag uitvoeren en natuur meer ruimte geeft, zou al beter zijn dan de sprokkeltjes waar we het nu mee moeten doen. Een voorbeeld: geef de Scheldemeersen bij ons hier en daar terug aan de natuur, voor meer natte natuur! En wie weet: de provincie Oost-Vlaanderen, dienst integraal waterbeheer, werkt aan een peilbesluit voor de Meldenmeersen en wij, Natuurpunt, mogen mee aanzitten. Te volgen met gepaste verwachtingen?

Onze kleinste uil

Onze kleinste uil

Voor veel mensen is, of eerder ‘was’, de steenuil nog de meest gekende uil in het veld. Kerkuil en ook bosuil scoren nu beter in de media en de film, de bosuil ook meer en meer in het veld: sedert 1990 doet de soort het goed en verovert als een goede strateeg bos na bos en soms zelfs dorp na dorp.

De steenuil is in Nederland ‘Vogel van het jaar’1 met een sticker en al, en een groots programma van aandacht, bescherming en inventarisatie, en er is meer en meer nieuwe informatie over zijn voedsel.

Steenuilen bij ons toen

Steenuilen huizen dikwijls in de buurt van mensen: in de boomgaard, de huisweide van de boerderij, de knotwilgen en de schuurtjes op den buiten en ook in gebouwen. In La Brenne kennen we minstens twee ‘huisuilen’ in bewoonde huizen op de zolder, die nog jaarlijks op de afspraak te zien zijn, zonnend in het verluchtingsgat op de zolder. Tot mijn spijt moet ik meer en meer de verleden tijd gebruiken, want het gaat niet goed met de soort. Dat is erg snel gegaan en we kunnen het goed weten, omdat het ooit een populaire soort was om te inventariseren. Wat was er ooit aantrekkelijker dan in de voorjaarsschemering op pad te gaan, gewapend met kaart en bandrecorder, of gewoon de baltsroep even na te bootsen en dan de antwoorden af te wachten? Veel van de nu wat oudere generatie kent dat. Daar zijn de verhalen van de landbouwer die verbouwereerd stond te kijken naar ‘man met fiets op de rug’ door zijn velden stappend, want we wilden het grondig doen! Wat een sfeer ook, zachte avonden waren het best en zoals Géroudet dat in zijn uilenboek vermeldt: de steenuil moet je zoeken als in de boerderijen de eerste, toen eerder bescheiden, lichten aangaan; dit is de perfecte weergave! De dichtheid aan steenuilen was toen groot, zowel in de weiden als in de landbouwgebieden. Zingem spande toen de kroon met wel 10 paar per km2 met Jacques als teller.

Steenuil © Wikimedia
Steenuil © Wikimedia

Steenuilen bij ons nu

Ze zijn er nog! En dat is al wat in deze tijden, maar hun aantal loopt snel terug. In Nederland noemt men dat de soorten in de min, samen met rans- en velduil. De bosuil en de oehoe zitten in het andere kamp. Meestal hoort nu een lange opsomming te volgen van de oorzaken waarom het misgaat, maar deze voorop: voor de steenuil is het huidige landschap uitgewoond, te kort aan alles, voedsel, nestgelegenheid, veiligheid. Dat is gelukkig niet overal zo: in de groentenstreek in West-Vlaanderen doet hij het recent goed, wat men niet zou verwachten, want het loopt daar allicht niet over van de biologische boeren. En toch: een gemengd, kleinschalig landschap en ijverige vrijwilligers aan de slag met nestkasten hebben succes. Er is dus hoop. Steenuilen eten wat de pot schaft, van muizen tot kevers en nachtvlinders: camera’s bij nestkasten geven een mooi nieuw inzicht. Bij ons zijn de problemen alleen groter geworden, het aantal kleine boerderijen met bijbehorende kleinschaligheid is gedecimeerd. Er is een enorme schaalvergroting in de landbouw met grotere percelen en andere teelten en werkwijzen. Iedereen heeft dit voorjaar gezien dat eind april, en dit is vroeger dan ooit, overal reeds gras gemaaid werd, en ook soms op oude weiden. Dit is ook nefast voor soorten als graspieper en andere grondbroeders. Het is best confronterend om eens een perceel opkomende maïs te volgen, mooie rijtjes, maar na een paar weken geen ander plantje meer te zien: de invloed van pesticiden is voor de natuur sluipend gif en het Europees gebruik is groeiend, wat men ook moge denken. Het in elkaar klappen van de insectenpopulatie heeft ook zware gevolgen voor de steenuil, waar in sommige braakballetjes alleen keverresten te vinden zijn en waarvan we nu met de foto’s weten dat grotere kevers als mei- en mestkevers een belangrijk aandeel vormen, ook in het voedsel voor de jongen. Dat de koeien veel minder buiten mogen lopen, helpt natuurlijk ook niet en daarbovenop hebben ook de ontwormingsmiddelen nadelige gevolgen. En dan zijn er nog de verkeersslachtoffers (het N60-traject is ongeveer ‘steenuilvrij’) en de marters en bosuilen voeren ook de druk op de populaties op.

Is er hoop?

Steenuil © Jos Zwarts

Er is veel goede wil en vernieuwde inzet, ook bij ons, o.a. bij het Landschapspark Vlaamse Ardennen, met publieksinformatie en een nieuwe nestkastenactie. Voor de meeste mensen is de steenuil ook eerder een sympathieke, bijna knuffelbare soort, daar zal het niet aan liggen. Het knelpunt zit bij het landgebruik, dat in vergelijking met die echt goede oude tijd voor de soort de grote uitdaging vormt: men heeft nood aan een steenuilenbarometer die inschat of een omgeving nog draagkracht heeft voor de soort en wat er meer nodig is. In Nederland zijn een paar specialisten aan het werk die nieuwe inzichten aanbrengen. Steenuil zijn lijkt me daar soms zelfs bedenkelijk om te leven: sommige nestkasten zijn zwaar uitgerust met camera’s en anti-martersystemen. Die uilen kunnen geen poot verzetten of het staat op beeld. Maar het levert nieuwe inzichten op, zoals waarom steenuilen het in Nederland nu blijkbaar beter doen op zandgrond dan op kleigrond, te zien op de grafiek2 hierbij. Maar die lijntjes doen stijgen, dat is ‘andere koek’. We houden jullie verder op de hoogte!

Referenties

  1. https://www.vogelbescherming.nl/actueel/bericht/2026-wordt-het-jaar-van-de-steenuil ↩
  2. REINARTZ R., BRINKMAN C. & VAN DEN BREMER L. 2025. – Voorstudie Jaar van de Steenuil 2026 – Sovon-rapport 2025/131. ↩
Vissen

Vissen

Wat onderbelicht in de natuur zijn vissen: weinig lezers zullen allicht vissers zijn en je moet al geluk hebben om op je wandelingen vissen te zien, laat staan ze op naam te brengen. Uitzondering daarop zijn karpers, rietvoorns en snoeken die dikwijls liggen te zonnen aan de wateroppervlakte en die met de kijker best te observeren zijn.

Hun rol in de natuur is nochtans belangrijk, of anders gezegd: hun invloed is niet min op beken en vijvers. Meest bekend is hun rol als prooi voor ijsvogels, reigers, futen en aalscholvers. Iedereen kan zich allicht de foto’s herinneren van een aalscholver met een veel te grote vis die hij niet naar binnen krijgt. Woudaapjes die we zo graag terug willen zien, hebben vis nodig. Maar er is meer: waterplanten kunnen volledig verdwijnen bij een teveel aan karpers en door al hun modderwoelen kunnen ze water biologisch ruïneren. Vissen zijn ook niet de beste vrienden van amfibieën en ook libellen hebben voordeel aan een eerder matige of afwezige visstand: eieren en larven zijn basisvoedsel voor veel vissen. Er beweegt ook wel wat in de vissenwereld en ook daar gaan ze ‘met hun tijd mee’ door de aankomst van nieuwe soorten als blauwbandgrondels en zwartbekgrondels. Dat is overigens geen geschenk, want samen met zonnebaarzen, giebels, wolhandkrabben en vreemde rivierkreeften vormen ze stilaan een bijna onomkeerbaar probleem in viswaters en natuurgebieden.

Op waarnemingen.be loopt het niet over van gegevens en dat is spijtig natuurlijk, want we hebben ook soorten als rivierdonderpadden en beekforel die als zeldzaamheden onze streek op de kaart zetten. Er worden wel via diverse instanties (provincie, VMM, ANB en diverse gemeenten) grote inspanningen gedaan rond beheer en bescherming, maar dat komt niet zomaar in het nieuws. We hebben wel een informant, Marc Verbeiren, die brieft over de stand van zaken. Algemeen ziet het er naar uit dat er nog heel veel werk te doen is rond waterkwaliteit (vervuiling huishoudelijk, landbouw en industrieel), waarvoor zuiveringsinfrastructuren, afvalwatercollectoren, wachtbekkens, vistrappen en ‘grond’afspraken nodig zijn.

Meestal onopgemerkt is men al een hele weg gegaan en dat is te zien met de vissen als meetlat. Als voorbeeld de Wallebeek en Lozerbeek: in 1996 nog zonder leven maar tussen 2004 en 2008 een gunstige evolutie met driedoornige stekelbaars en blauwbandgrondel, ook al is deze laatste een invasieve exoot. Veel duidelijker is dat bij de toeristische Leie, waar men sinds 1990 een verandering zag van slecht naar BBI (Belg. Biotische index) 6-8 (= matig tot goed). In 2023 had men met 19 vissoorten al een mooie collectie, met toen het besluit: er zit weer vis op de Leie. In 2025 is er weer een afvissing met reeds snoekbaars en baars als roofvis en al boeiende soorten als bittervoorn, kopvoorn en vetje. Toen werd ook een Amerikaanse rivierkreeft gevangen, en dat is natuurlijk minder goed nieuws. We vermelden hier dat de Schelde ondertussen al iets langer een hele metamorfose qua vis onderging, zowel in soorten als in hoeveelheid.

Stekelbaars
Stekelbaars

Dan de Zwalm: in 2026 nog steeds te hoge concentraties aan fosfor en in mindere mate ook stikstof, maar ook afbraakproducten van bestrijdingsmiddelen, en nog steeds (hoewel minder) huishoudelijk afvalwater. Daarnaast blijft er het grote probleem van erosie! De Zwalm is heel belangrijk omwille van zijn goede bovenlopen (o.a. de Sassegembeek) met topsoorten als beekprik, beekforel en rivierdonderpad. De afvissing door het INBO in 2022 en 2023 met 11 en 7 vissoorten toonde ook bittervoorn, kopvoorn, riviergrondel, serpeling en alver en telkens ook paling. Men zet in op herstel met structuurherstel van de waterloop en aanpak van vismigratieknelpunten, o.a. bij de Zwalmmolen, wachtbekkens en vistrappen, maar zuiveringsinfrastructuren laten op zich wachten (Nederzwalm, Brakel, Zegelsem). Recent komt ook de oeverbescherming helpen, met een grens van het water van 5 meter voor bemesting en 1 meter voor grondbewerking en gewasbescherming. Deze maatregel kan helpen in natuurherstel en niet alleen voor vissen! Ervaringen graag te delen in de toekomst. Tenslotte het Maarkebekken met de Nederaalbeek (wat een naam!), de Maarkebeek en de Pauwelsbeek, waar het ook naar beter evolueert met o.a. riviergrondel en bermpje als successoorten en wisselend nieuws over de rivierdonderpad. Maar dit voorjaar waren er enorme problemen in de Maarkebeek met erosie. In die mate dat een vistrap beschadigd werd en mogelijk het einde betekenen van de populatie beekprik.

De conclusie is vooral dat het, mits heel veel inzet van veel instanties, toch de goede weg op gaat, maar zoals zo dikwijls met natuur: de weg is nog lang! Vissen tonen een deel van de weg en een pluim voor alle werkers en onderzoekers die verder bouwen aan die, ja, toch wel natte weg waar wij met droge voeten aan onze computer verslag van kunnen geven, dankzij Marc Verbeiren, vanuit zijn interesse als sportvisser.