Voor veel mensen is, of eerder ‘was’, de steenuil nog de meest gekende uil in het veld. Kerkuil en ook bosuil scoren nu beter in de media en de film, de bosuil ook meer en meer in het veld: sedert 1990 doet de soort het goed en verovert als een goede strateeg bos na bos en soms zelfs dorp na dorp.

De steenuil is in Nederland ‘Vogel van het jaar’1 met een sticker en al, en een groots programma van aandacht, bescherming en inventarisatie, en er is meer en meer nieuwe informatie over zijn voedsel.

Steenuilen bij ons toen

Steenuilen huizen dikwijls in de buurt van mensen: in de boomgaard, de huisweide van de boerderij, de knotwilgen en de schuurtjes op den buiten en ook in gebouwen. In La Brenne kennen we minstens twee ‘huisuilen’ in bewoonde huizen op de zolder, die nog jaarlijks op de afspraak te zien zijn, zonnend in het verluchtingsgat op de zolder. Tot mijn spijt moet ik meer en meer de verleden tijd gebruiken, want het gaat niet goed met de soort. Dat is erg snel gegaan en we kunnen het goed weten, omdat het ooit een populaire soort was om te inventariseren. Wat was er ooit aantrekkelijker dan in de voorjaarsschemering op pad te gaan, gewapend met kaart en bandrecorder, of gewoon de baltsroep even na te bootsen en dan de antwoorden af te wachten? Veel van de nu wat oudere generatie kent dat. Daar zijn de verhalen van de landbouwer die verbouwereerd stond te kijken naar ‘man met fiets op de rug’ door zijn velden stappend, want we wilden het grondig doen! Wat een sfeer ook, zachte avonden waren het best en zoals Géroudet dat in zijn uilenboek vermeldt: de steenuil moet je zoeken als in de boerderijen de eerste, toen eerder bescheiden, lichten aangaan; dit is de perfecte weergave! De dichtheid aan steenuilen was toen groot, zowel in de weiden als in de landbouwgebieden. Zingem spande toen de kroon met wel 10 paar per km2 met Jacques als teller.

Steenuil © Wikimedia
Steenuil © Wikimedia

Steenuilen bij ons nu

Ze zijn er nog! En dat is al wat in deze tijden, maar hun aantal loopt snel terug. In Nederland noemt men dat de soorten in de min, samen met rans- en velduil. De bosuil en de oehoe zitten in het andere kamp. Meestal hoort nu een lange opsomming te volgen van de oorzaken waarom het misgaat, maar deze voorop: voor de steenuil is het huidige landschap uitgewoond, te kort aan alles, voedsel, nestgelegenheid, veiligheid. Dat is gelukkig niet overal zo: in de groentenstreek in West-Vlaanderen doet hij het recent goed, wat men niet zou verwachten, want het loopt daar allicht niet over van de biologische boeren. En toch: een gemengd, kleinschalig landschap en ijverige vrijwilligers aan de slag met nestkasten hebben succes. Er is dus hoop. Steenuilen eten wat de pot schaft, van muizen tot kevers en nachtvlinders: camera’s bij nestkasten geven een mooi nieuw inzicht. Bij ons zijn de problemen alleen groter geworden, het aantal kleine boerderijen met bijbehorende kleinschaligheid is gedecimeerd. Er is een enorme schaalvergroting in de landbouw met grotere percelen en andere teelten en werkwijzen. Iedereen heeft dit voorjaar gezien dat eind april, en dit is vroeger dan ooit, overal reeds gras gemaaid werd, en ook soms op oude weiden. Dit is ook nefast voor soorten als graspieper en andere grondbroeders. Het is best confronterend om eens een perceel opkomende maïs te volgen, mooie rijtjes, maar na een paar weken geen ander plantje meer te zien: de invloed van pesticiden is voor de natuur sluipend gif en het Europees gebruik is groeiend, wat men ook moge denken. Het in elkaar klappen van de insectenpopulatie heeft ook zware gevolgen voor de steenuil, waar in sommige braakballetjes alleen keverresten te vinden zijn en waarvan we nu met de foto’s weten dat grotere kevers als mei- en mestkevers een belangrijk aandeel vormen, ook in het voedsel voor de jongen. Dat de koeien veel minder buiten mogen lopen, helpt natuurlijk ook niet en daarbovenop hebben ook de ontwormingsmiddelen nadelige gevolgen. En dan zijn er nog de verkeersslachtoffers (het N60-traject is ongeveer ‘steenuilvrij’) en de marters en bosuilen voeren ook de druk op de populaties op.

Is er hoop?

Steenuil © Jos Zwarts

Er is veel goede wil en vernieuwde inzet, ook bij ons, o.a. bij het Landschapspark Vlaamse Ardennen, met publieksinformatie en een nieuwe nestkastenactie. Voor de meeste mensen is de steenuil ook eerder een sympathieke, bijna knuffelbare soort, daar zal het niet aan liggen. Het knelpunt zit bij het landgebruik, dat in vergelijking met die echt goede oude tijd voor de soort de grote uitdaging vormt: men heeft nood aan een steenuilenbarometer die inschat of een omgeving nog draagkracht heeft voor de soort en wat er meer nodig is. In Nederland zijn een paar specialisten aan het werk die nieuwe inzichten aanbrengen. Steenuil zijn lijkt me daar soms zelfs bedenkelijk om te leven: sommige nestkasten zijn zwaar uitgerust met camera’s en anti-martersystemen. Die uilen kunnen geen poot verzetten of het staat op beeld. Maar het levert nieuwe inzichten op, zoals waarom steenuilen het in Nederland nu blijkbaar beter doen op zandgrond dan op kleigrond, te zien op de grafiek2 hierbij. Maar die lijntjes doen stijgen, dat is ‘andere koek’. We houden jullie verder op de hoogte!

Referenties

  1. https://www.vogelbescherming.nl/actueel/bericht/2026-wordt-het-jaar-van-de-steenuil ↩
  2. REINARTZ R., BRINKMAN C. & VAN DEN BREMER L. 2025. – Voorstudie Jaar van de Steenuil 2026 – Sovon-rapport 2025/131. ↩