Schatten van de Schijteput

Schatten van de Schijteput

Deze ongewone titel in Meander brengt ons terug naar de ijstijden, toen de Schelde meer dan een kilometer breed haar weg zocht in de vallei. Plaatselijk zijn de uitgeschuurde oevers van de winterbedding, o.a. te Melden en Berchem, nog getuigen van deze Pleistocene vallei.

Schedels en botten van mammoeten en andere ijstijdfauna bij het uitgraven van de Donkvijver in Oudenaarde bleven wat onderbelicht, maar getuigden toch van de grootsheid van dit landschap ooit. De vondst van rivierparelmossels in Asper en Ename1 maakte voor mij de link met de (heel) oude geschiedenis van Kluisbergen, meer bepaald met de Schijteput in Meerse. Toen men in 1977 de Schelde recht trok, legde men bezinkingsbekkens aan waarin de aarde van de graafwerken terechtkwam. Toen die voldoende uitgedroogd waren, werd de grond in landbouwgebruik genomen en daar waren dan mossels en schelpen te vinden uit de diepere bedding die verwijst naar de Pleistocene ijstijdvallei, meer dan 12.000 jaar terug …

Mijn oudste herinnering is dat ik rond 1955 aan de hand van mijn grootmoeder ging kijken naar een in het slib vastgelopen schip. Dat was toen groot nieuws! De Schelde had toen nog iets schilderachtigs, voor ze in een rechtlijnig keurslijf werd gegoten. De mosselboot legde nog aan met getoeter aan de kade van de Pontstraat in Grijkoort (allicht ooit een veerpont daar?). IJsvogels en oeverzwaluwen broedden in de oevers, maar de vervuiling was er ook al, onder andere door de textielnijverheid. Er was toen ter hoogte van Meerse een grote bocht in de Schelde door uitschuring en oevererosie. In de volksmond noemde men dat ‘inschijten’, vandaar allicht de wat merkwaardige naam Schijteput?

Terug naar die andere Berchemse mossels: ik vond tot in de jaren negentig op die opgespoten grond veel stevige mosselschelpen van de Bataafse stroommossel, een ondertussen hier uitgestorven soort van snelstromend, zuiver water. Speciaal was wel dat een groot deel daarvan middendoor was gebroken en bovendien lagen er ook meerdere silexafslagen. Dit gaf mogelijk aan dat er op die plaats een nederzetting was – op een slib/zandbank in de rivier? – van steentijdmensen die er bivakkeerden en allicht de mossels als voedsel gebruikten. Ook zoetwaternerieten vond ik er, een kleurrijk schelpje dat nu ook verdwenen is.

Maar er is meer: in diezelfde lagen werden even verder stroomafwaarts schelpen van de rivierparelmossel gevonden bij ruimingen en opgravingen. Ik citeer2: “In uitzonderlijke gevallen worden de schelpen 20 centimeter lang. (…). De soort verdween echter, onder andere door achteruitgang van de waterkwaliteit en het opgraven van de mossels vanwege de soms aanwezige, zelfs aan het hof van koningen en keizers gewilde parels(!)”. Er blijkt een verband te zijn met vissoorten zoals de toen nog aanwezige steur, waar de larven van de mossel zich aan de kieuwen vasthechten. Als parasiet brengen ze er maanden door en kunnen ze dus grote afstanden afleggen2. In het eerder geciteerde artikel1 verwijst men naar vondsten in Ename en Asper in Holocene afzettingen, dus was het ook aan de Schijteput perfect mogelijk, alleen toen niet genoeg gezocht en nu ondergewerkt na jaren landbouw. Overigens moet dat Holoceen in het begin een heerlijke tijd voor mossels e.a. geweest zijn: zuurstof- en kalkrijk, zuiver en helder wild water als perfecte condities.

Het merkwaardige tijdschrift La Hulotte3 wijdde in 2014 een volledig nummer aan deze mossel, zoals gewoonlijk opgeluisterd met tal van schitterende tekeningen.

De soort is met uitsterven bedreigd en wordt wereldwijd gezien als een van de meest bedreigde grotere ongewervelden. Nu zijn ze nog te vinden in de Ebro en in een aantal Franse rivieren zoals de Charente. Ooit vormden ze echte ‘banken’ dicht tegen elkaar, in gezelschap van andere soorten, in Ename werden bij een site uit het Neolithicum nog 15 andere soorten gevonden4, zoals Bataafse en bolle stroommossel, schilder-, vijver- en zwanenmossel .

Ze werden voor de parels met duizenden ‘gekraakt’ of als voedsel gebruikt, maar het is uiteindelijk de watervervuiling die de doodsteek gaf. Dat is logisch wegens de overdosis voor deze waterzuiveraar bij uitstek, denk daarbij ook, maar misschien beter niet te veel, aan mossels? Ook het verdwijnen van de steur als ‘draagvis’ is misschien wel onderschat, de fameuze schakel in de ketting? Dit is ook voor het verdwijnen van veel andere soorten allicht van tel, iets waar de wetenschap maar moeizaam in vordert, om diverse redenen. We denken daarbij aan de ‘neven’effecten van pesticiden, PFAS enz. Overigens is in de schelp van onze mossels perfect aan te duiden waar de industrie een woordje begon mee te spreken in zijn verdwijnen, vastgelegd in de kalkopbouw van honderdjarige generaties.

Daarmee wordt zoveel jaar later een aanvulling aan de fauna geleverd en wordt meteen een tipje opgelicht van die wondere geschiedenis van de Scheldevallei …

Dus was het ook niet helemaal raar toen ik op mijn zoektochten aangesproken werd door de duidelijk geërgerde vrouw van de landbouwer, zittend in de Minaraad: “wat ik daar nu toch in godsnaam op hun grond liep te doen”. Schatten zoeken uit de ijstijd was mijn wat onvoorziene antwoord, en het was ook niet helemaal onjuist. Stel je voor: dure parels! Maar dat wist ik toen nog niet. Allicht was daarmee haar onrust niet opgelost en (maar ik geef toe ‘met binnenpret’) wel haar nieuwsgierigheid nog gegroeid?

© Norbert Desmet
© Norbert Desmet
  1. KUIJPER W.J., DEBRUYNE S. & PARENT J.P. (2025) – The Holocene occurrence of the giant freshwater pearl mussel Pseudunio auricularius (Spengler,1793) (Bivalvia: Margaritiferidae) in Belgium and the Netherlands. – Basteria, 89 (2): 232-239 ↩︎
  2. Nature today, 27-12-2025: https://www.naturetoday.com/intl/nl/nature-reports/message/?msg=34786 ↩︎
  3. La Hulotte N°101 (2014) – La Mulette perlière – la grand-mère du ruisseau à truites ↩︎
  4. CROMBÉ P., JACOPS J., AMEELS V., DEBRUYNE S., DEFORCE K., DE GROOTE I., DE MULDER G., HALBRUCKER É., PARENT J.-P., ROBERT P., VANDENDRIESSCHE H. & TEETAERT D. (2024) – The Neolithic wetland site of Ename-Stuw (Scheldt valley, BE) – Notae Praehistoricae 44: 25-62. ↩︎
Groeten van de blauwe kiek

Groeten van de blauwe kiek

Wanneer ik met de wagen langs de Heilsbroek in Kluisbergen passeer sla ik automatisch af. Ooit was het een prima vogelgebied daar op de akkers, ooit gewonnen op het moeras van de oude ijstijdvallei. Daarvan rest nog een ‘verpopulierd’ gebied met daartussen wat weilanden, sommige verruigd. De honderden goudplevieren en kieviten van ooit zijn verdwenen, ruilverkaveling liet letterlijk diepe afvoergrachten als wonden achter en een pompstation bezegelde voorgoed de natuurwaarde.

En toch, nooit opgeven! Wie weet… En vandaag 19 november al, heb ik geluk: een eerstejaars blauwe kiekendief heeft iets ter grootte van een rat gepakt op de strook die de landbouwers momenteel langs de beken moeten vrijlaten van teelten. Komt er eindelijk een beetje kentering voor de toekomst van de natuur in landbouwland? Mits goed beheer natuurlijk? Net als van wegbermen, een laatste toevluchtsoord, soms, maar gladgeschoren ook al weer van minder ecologische waarde! Er passeert van alles door mijn hoofd op die korte periode dat ik mag toekijken. Ze zijn laat bij ons dit najaar, de blauwe kiekendieven, ook elders St -Maartensvogel genoemd! Ofwel is het wachten op de koude die hen uit het noorden naar ons jaagt of erger, ze staan op de rand van uitsterven, zeker als broedvogel in de lage landen! De winterpopulatie komt allicht van verder uit het noorden, ook misschien deze duidelijk donkere jonge vogel met karakteristieke witte stuit. Daar gaat het voorlopig nog iets beter, maar de overwintering bij ons wordt problematischer’: de kleinschalige akkers met vele ‘kantjes’ hebben plaats gemaakt, ook hier in ‘mijn’ Heilsbroek van ooit op pakweg twintig jaar, voor steriele vlakken van soms meer dan 5 ha groot. Kiekendieven zijn mooie, geduldige jagers, maar het gepiep van woelmuizen en graspiepers verstilt rap in deze dagen. Met een lege maag de nacht in zal wel meer gebeuren, en dat net als de koude zich aandient.

Op Nature Today verscheen in november een filmpje over slaapplaatsen van kiekendieven in Nederland bij de Duitse grens, honderden (Duitse of noordelijke) in vier soorten!! Wij hebben er sommige jaren ook een in de Scheldemeersen te Petegem, toch ook goed in sommige jaren voor een paar tiental overwinteraars. Bovendien is het een veilige slaapplaats in ons reservaat, waarvan het belang niet mag onderschat worden: de hele overwinterende streekpopulatie van bij ons komt waarschijnlijk hier samen. Het zou boeiend zijn om de groepssamenstelling (adult, juveniel) te weten en hoever ze op zoek gaan naar voedsel en ook te volgen hoeveel er ‘s avonds met een volle krop terugkeren (dit schijnt waarneembaar!). Braakballen pluizen doet men daar nog bij in Nederland, maar dat lijkt niet makkelijk, niet het verzamelen, niet het determineren. Blijkt dat daar muizen hoofdmoot zijn, maar vogels als piepers en leeuweriken moeten niet onderdoen. Dan is het ook duidelijk dat met de afname van die soorten ook de wintergasten het erg lastig krijgen, vandaar dat soms eindeloos zoekgedrag en eindeloos energieverbruik?

Dit winternummer van Meander is een oproep om uit te kijken, maar zeker ook om te genieten van deze prachtige jagers die beter verdienen. Kijk ook uit bij voedselakkers voor akkervogels (die ergerlijk genoeg in aantal veel minder zijn dit jaar door gewijzigde regels), blauwe kiekendieven zijn daar vaste gasten op zoek naar eten. We kunnen maar hopen dat ze de laatste geelgorzen niet opvissen, maar zich tevreden stellen met de voorraad aan vinken en kepen, waarvoor het graan eigenlijk niet bedoeld is … En laat ons uiterst voorzichtig zijn bij het waarnemen, zeker bij slaapplaatsen, laat ons ‘eer’ biedende toeschouwers zijn.

Vergeten blauwkes

Vergeten blauwkes

Holenduiven leven wat in de schaduw van hun grotere soortgenoten, de houtduiven. Ze vallen minder op, zijn minder talrijk en leven niet zo dicht bij de mensen. En toch verdienen ze een plaatsje in Meander.

Het heeft bij mij iets te maken met de tijd dat de vogelvangst nog welig tierde (1955-70), tot in eigen familiekring, alleen in de winter. Wat appels en wat graan onder een ‘rekje’ en mussen en spreeuwen waren vaders vangst … tot een holenduifje zo onvoorzichtig was en dat tot een diplomatiek familie-incident leidde, nee, die niet in de pan!! En toch proefden we toen de holenduif … geleverd door een jager samen met houtduiven onder de naam ‘blauwkes’. Tweede incident, nu met de jager want de holenduif mocht (en mag) niet geschoten worden. Gevolg, nooit meer duiven gekregen …

Holenduiven zijn eerder discreet, onopvallend bijna in de grotere bossen, hier toch met enige ervaring toen we samen met Daniel Packet en jachtwachter Dewolf in het Kluisbos honderd nestkasten voor mezen controleerden en één voor holenduif, met de stille hoop op een bosuil. Deze laatste arriveerde echter pas in 1990, maar je wist maar nooit … De holenduif vond die nestkast jaar na jaar best geschikt, maar was erg gevoelig voor verstoring, afblijven dus in de broedtijd. Merkwaardig daarbij is wel dat holenduiven en kerkuilen soms tegelijkertijd dezelfde nestkasten gebruiken als broedplaats. Later hadden we in Ronse een scholenproject met nestkasten en ook daar werden holenduifkasten geplaatst, maar minder goed opgevolgd. Algemeen blijkt dat ze makkelijk nestkasten aanvaarden, maar de laatste tijd lijken opdringerige kauwen roet in het eten te gooien en al vroeg in het seizoen de kasten te kraken. Holenduiven broeden echter tot heel laat in het jaar en kunnen soms zo wat ‘inhalen’. De indruk blijft dat de soort achteruitgaat vergeleken met de periode van onze ‘atlas’ van Luc Menschaert. Toen waren opvallende broeddichtheden allicht gelinkt aan knotwilgen (= nestgelegenheid) en kleinschaligheid in de landbouw (=voeding). De meningen zijn verdeeld, maar mogelijks is de soort aan het verkassen van eerder open landschap naar ‘veiliger’ bossen (ze kennen de oehoe nog niet …).

Het winterhalfjaar is wat koffiedik kijken, soms zien we groepjes op de akkers en in de echte polders soms veel grotere groepen. Maar er is ook trek, net als bij de houtduiven, die dan wel in enorme aantallen jaarlijks op de trektellingen in Oost-België verschijnen, een spektakel! Voor holenduiven zijn de massale aantallen bij ons onverwacht, maar discreet aanwezig ook bij ons zoals op 7/11 dit jaar met 7, 24 en 20 strak ZW trekkend te Petegem en Rozebeke.

Hun trekgedrag is ook terug te vinden in de overzichten van de trektelposten met honderden per dag over de Pyreneeën, met als uitschieter 2.287 op 16 okt 2020. Dit alles leidde tot een merkwaardig artikel in Aves 62/2 met een mooi overzichtskaartje van die trekbewegingen in Europa. Aan de hand van terugmeldingen van geringde holenduiven ziet men dat de Europese populaties een verschillend kompas hanteren, maar uiteindelijk allemaal richting Frankrijk en Spanje hun winterverblijf opzoeken. Het slechte nieuws is dat een groot deel niet meer terugkeert want een leger jagers wacht hen op als ze de Pyreneeën willen passeren. Daar hangt een prijsje aan, wat dacht je, gemeenten verkopen de schietposten jaarlijks voor rond de € 45.000, in 2025 reeds € 61.793. Een kleiner deel wordt gevangen in staande netten, een ‘historisch gegroeide gewoonte’, denk aan de vogelvangst …, waarvan nu nog een aantal locaties overblijft o.a. in Baskenland. Speciaal daaraan is ook dat er cijfers werden bijgehouden op één plaats, Etxalar, tussen 1866 en 2024! En bovendien is het ook een mogelijkheid tot ringen van holenduiven! Het merkwaardige is dat de Europese populatie holenduiven vanaf 2010 duidelijk toeneemt, maar dat niet in de cijfers van jacht en vangst te zien is, gelukkig, maar voorlopig onverklaarbaar.

Herkomst en bestemmingen van holenduiven in Europa. Kleurenlegende: oranje: Centraal-Europa; blauw: Noordwest-Europa; groen: West-Europa (Bron: https://migrationatlas.org/node/1697)

Terug naar onze streek, ze zijn onze aandacht waard en worden ook relatief veel gemeld. Ook gewone soorten zijn boeiend om volgen, waarnemingen zijn welkom om de evolutie van de soort te volgen. Maar evengoed verhalen van holenduiven dicht bij huis kunnen verbazen. Soms wordt men getrakteerd op een onverwacht spektakel, zoals ooit in het Kluisbos, al langer geleden. Tijdens nestkastencontroles werd de aandacht getrokken door luid kabaal: een sperwer vrouwtje achtervolgde onder de beuken een holenduif, die ze niet direct onder controle kreeg en dan maar haar moeilijke prooi in de bronbeek onder water hield tot ze levenloos in de klauwen kon worden meegenomen … Mooier om af te sluiten is hun balts, niet zo een druk gedoe als de Turkse tortels of zo luidruchtig als de houtduiven, maar met mooie verstilde zweefvluchten boven het nestgebied Dat doet me steeds aan de zomertortel denken, ja, nog net als herinnering op te roepen …

De egel, stekelig sympathiek

De egel, stekelig sympathiek

Als je tijdens een nachtelijke wandeling in je tuin opgeschrikt wordt door een gesnurk, is de kans groot dat je te maken hebt met een egel. Je mag je dan gelukkig prijzen want in meer dan de helft van de landen waar de West-Europese egel voorkomt, is hij in aantal afgenomen. Daarom wordt hij op de rode lijst van de natuurbeschermings­organisatie International Union for ­Conservation of Nature and Natural Resources (IUCN) nu zelfs geclassificeerd als ‘bijna met uitsterven bedreigd’! Intensieve landbouw, verlies aan leefgebied, steeds meer wegen, meer auto’s op die wegen, versnippering (onder andere met tuinafsluitingen), afname insecten, vergiftiging, … het zorgt er allemaal voor dat de egel steeds zeldzamer wordt. Ook robotmaaiers die ’s nachts actief zijn veroorzaken veel slachtoffers. Ondertussen namen producenten verschillende maatregelen[1] om de toestellen vriendelijker voor egels te maken. Toestellen met pivoterende messen, beschermende platen en voorwielaandrijving maken minder slachtoffers, maar vooral de jonge egels (met een gewicht lager dan 200 g) blijven kwetsbaar.

Opvangcentra krijgen ook steeds meer zieke egels binnen. De egelziekte is een bacteriële infectie die zorgt voor wonden op en rond de kop, gezwollen poten, onderhuidse abcessen en zweertjes. Het wordt nog erger wanneer vliegen hun eitjes in deze wonden leggen en er vervolgens maden uitkomen. Egels met deze aandoening zijn vaak heel erg verzwakt en zelfs met de best mogelijke zorg raakt een groot aantal onder hen er niet meer bovenop. Zie je overdag een egel rondscharrelen, dan is dat trouwens een slecht teken want egels zijn normaal enkel actief in de schemering en ’s nachts. Dergelijke dieren kan je best naar een opvangcentrum brengen.

Egel © Wikimedia

Uit Deens onderzoek[2] bleek dat de egels er in woonwijken normaal gesproken tien tot 14 tuinen per nacht bezoeken. Hier eten ze een grote verscheidenheid aan prooien, voornamelijk insecten, slakken, naaktslakken en wormen. Het zijn ook aaseters die zich tegoed doen aan allerlei dode dieren. Ze kunnen echter ook grotere levende prooien aan, zoals jonge vogels die uit hun nest zijn gevallen of amfibieën zoals salamanders en kikkers. Het zijn uitstekende zwemmers en ze vangen soms vissen in tuinvijvers. Ze lusten eieren en deinzen er niet terug om ook je (niet afgesloten …) kippenhok binnen te dringen. In mijn tuin laten ze zich ook soms verleiden door de graanmengeling die ik gebruik in de vangkooi met inloop voor ratten. Egels kauwen soms ook op de uitwerpselen van vossen en likken het speeksel daarna op hun stekels, waarschijnlijk om hun geur te maskeren tegen roofdieren.

Bij een ander onderzoek naar egels bleek dat rodenticiden, insecticiden en herbiciden respectievelijk in 84, 43 en 50% van de dieren werden aangetroffen. Bij de 115 onderzochte egels werd bij 79% meer dan één bestrijdingsmiddel gedetecteerd met tot negen van de 19 onderzochte stoffen in één dier. Bromadiolon werd het meest aangetroffen en in de hoogste concentraties. Bromadiolon is een sterk anticoagulerend rattengif.

Bij de aanleg en onderhoud van je tuin kan je zelf rekening houden met egels. Gebruik (uiteraard …) geen pesticiden en voorzie rommelhoekjes en overwinteringsplaatsen.

Voor meer informatie over de egel en tips om egels te helpen zie:
https://www.natuurpunt.be/natuurinfo/tuintips/wat-kan-je-doen-voor-de-egel-in-je-tuin

  1. RASMUSSEN S.L., BERG T.B., DABELSTEEN T. & JONES O.R. – The ecology of suburban juvenile European hedgehogs (Erinaceus europaeus) in Denmark – Ecology and Evolution. 9:13174–13187, DOI: 10.1002/ECE3.5764
  2. RASMUSSEN S.L., ROSLEV P., NIELSEN J.L. PERTOLDI C. & VORKAMP K. – Pesticides in the population of European hedgehogs (Erinaceus europaeus) in Denmark – Front. Vet. Sci. 11:1436965, doi: 10.3389/fvets.2024.1436965