Wanneer ik met de wagen langs de Heilsbroek in Kluisbergen passeer sla ik automatisch af. Ooit was het een prima vogelgebied daar op de akkers, ooit gewonnen op het moeras van de oude ijstijdvallei. Daarvan rest nog een ‘verpopulierd’ gebied met daartussen wat weilanden, sommige verruigd. De honderden goudplevieren en kieviten van ooit zijn verdwenen, ruilverkaveling liet letterlijk diepe afvoergrachten als wonden achter en een pompstation bezegelde voorgoed de natuurwaarde.
En toch, nooit opgeven! Wie weet… En vandaag 19 november al, heb ik geluk: een eerstejaars blauwe kiekendief heeft iets ter grootte van een rat gepakt op de strook die de landbouwers momenteel langs de beken moeten vrijlaten van teelten. Komt er eindelijk een beetje kentering voor de toekomst van de natuur in landbouwland? Mits goed beheer natuurlijk? Net als van wegbermen, een laatste toevluchtsoord, soms, maar gladgeschoren ook al weer van minder ecologische waarde! Er passeert van alles door mijn hoofd op die korte periode dat ik mag toekijken. Ze zijn laat bij ons dit najaar, de blauwe kiekendieven, ook elders St -Maartensvogel genoemd! Ofwel is het wachten op de koude die hen uit het noorden naar ons jaagt of erger, ze staan op de rand van uitsterven, zeker als broedvogel in de lage landen! De winterpopulatie komt allicht van verder uit het noorden, ook misschien deze duidelijk donkere jonge vogel met karakteristieke witte stuit. Daar gaat het voorlopig nog iets beter, maar de overwintering bij ons wordt problematischer’: de kleinschalige akkers met vele ‘kantjes’ hebben plaats gemaakt, ook hier in ‘mijn’ Heilsbroek van ooit op pakweg twintig jaar, voor steriele vlakken van soms meer dan 5 ha groot. Kiekendieven zijn mooie, geduldige jagers, maar het gepiep van woelmuizen en graspiepers verstilt rap in deze dagen. Met een lege maag de nacht in zal wel meer gebeuren, en dat net als de koude zich aandient.
Op Nature Today verscheen in november een filmpje over slaapplaatsen van kiekendieven in Nederland bij de Duitse grens, honderden (Duitse of noordelijke) in vier soorten!! Wij hebben er sommige jaren ook een in de Scheldemeersen te Petegem, toch ook goed in sommige jaren voor een paar tiental overwinteraars. Bovendien is het een veilige slaapplaats in ons reservaat, waarvan het belang niet mag onderschat worden: de hele overwinterende streekpopulatie van bij ons komt waarschijnlijk hier samen. Het zou boeiend zijn om de groepssamenstelling (adult, juveniel) te weten en hoever ze op zoek gaan naar voedsel en ook te volgen hoeveel er ‘s avonds met een volle krop terugkeren (dit schijnt waarneembaar!). Braakballen pluizen doet men daar nog bij in Nederland, maar dat lijkt niet makkelijk, niet het verzamelen, niet het determineren. Blijkt dat daar muizen hoofdmoot zijn, maar vogels als piepers en leeuweriken moeten niet onderdoen. Dan is het ook duidelijk dat met de afname van die soorten ook de wintergasten het erg lastig krijgen, vandaar dat soms eindeloos zoekgedrag en eindeloos energieverbruik?
Dit winternummer van Meander is een oproep om uit te kijken, maar zeker ook om te genieten van deze prachtige jagers die beter verdienen. Kijk ook uit bij voedselakkers voor akkervogels (die ergerlijk genoeg in aantal veel minder zijn dit jaar door gewijzigde regels), blauwe kiekendieven zijn daar vaste gasten op zoek naar eten. We kunnen maar hopen dat ze de laatste geelgorzen niet opvissen, maar zich tevreden stellen met de voorraad aan vinken en kepen, waarvoor het graan eigenlijk niet bedoeld is … En laat ons uiterst voorzichtig zijn bij het waarnemen, zeker bij slaapplaatsen, laat ons ‘eer’ biedende toeschouwers zijn.