Bijzondere vogelwaarnemingen winter 2025-2026

Bijzondere vogelwaarnemingen winter 2025-2026

In december was er weinig vorst, waardoor het aantal wintergasten relatief beperkt bleef, terwijl in januari en februari stilaan meer typische wintergasten en vroege doortrekkers opdoken. Een occasioneel sneeuwtapijt zorgde voor wat meer dynamiek.

Over de hele winter werden kolganzen gezien, voornamelijk in de Scheldevallei, met een duidelijke piek in februari, waar rond Semmerzake meer dan 600 exemplaren werden geteld. Hier en daar werden enkele toendrarietganzen gezien.

In de Brielmeersen te Deinze overwinterden opnieuw enkele ooievaars; in februari waren daar al 7 nesten bezet. Grote zilverreigers werden de hele winter verspreid waargenomen, met de grootste concentratie rond Zingem: maximaal 12 ex. Kleine zilverreiger kwam 11 keer in de boekjes terecht, terwijl koereiger 5 maal gemeld werd, met o.a. een groepje van drie in Kwaremont.

Roerdomp, een soort die de laatste jaren moeilijk waar te nemen is in VA+, liet zich nu op 4 locaties zien. Vooral in de Langemeersen was een exemplaar vaak te zien.

In januari vond Nico G. een roodhalsfuut op de Callemoeie, waar in dezelfde maand ook al brilduiker en nonnetje werden gevonden, meteen de eerste topsoort van het nieuwe jaar.

Op de Donkvijver werd een koppel grote zaagbek ontdekt.

Bij de steltlopers zorgde een korte afkoelingsperiode eind december voor wat beweging, met kemphanen in Roborst, aan de Callemoeie en in de Langemeersen. Bokjes werden op vijf locaties gezien, terwijl van houtsnip 75 waarnemingen binnenkwamen, met maxima van 7 exemplaren in Bos t’Ename en 6 in Zingem. Goudplevieren werden onder meer gezien met een groep van 44 over Roborst en met 30 exemplaren over Maarkedal. In februari kwam bij de steltjes duidelijk al de voorjaarstrek op gang. De eerste scholeksters en grutto’s verschenen, naast waarnemingen van goudplevier, witgatje, tureluur, wulp en kemphaan. Twee bonte strandlopers verbleven kort in Ouwegem. Op dezelfde locatie werden ook een groenpootruiter en een bontbekplevier gezien, de eerste februariwaarnemingen van deze soorten voor VA+.

De meeuwenslaapplaats aan de Callemoeie werd opnieuw intensief gevolgd door Nico G en Björn D. De wintermaxima bedroegen 8500 kokmeeuwen, 3900 stormmeeuwen, 660 zilvermeeuwen, 30 kleine mantelmeeuwen, 8 zwartkopmeeuwen, 9 Pontische meeuwen, 2 geelpootmeeuwen en 1 dwergmeeuw. In Ouwegem werden nog 2 grote mantelmeeuwen gezien.

Van de kraanvogeltrek konden in februari ook in VA+ enkele waarnemingen genoteerd worden, met in totaal vijf meldingen van doortrekkende groepen.

Havik kwam deze winter 11 maal in de boekjes. Het aantal blauwe kiekendieven bleef in december relatief laag, met maximaal twee exemplaren op de slaapplaats, maar in januari en februari werden er telkens 8 op deze slaapplaats geteld. Bruine kiekendief werd in januari in Nederename gezien. Rode wouw werd in elke wintermaand meerdere keren gezien. Smelleken werd in januari in Gottem en in februari in Zulzeke gezien. Slechtvalken namen opnieuw territoria in in Zottegem, Ronse en Oudenaarde, met waarnemingen in januari en februari.

De uitschieter bij de roofvogels was een overvliegende grijze wouw eind februari in Opbrakel door Steven DB; het is wachten op een pleisterend individu.

Oehoes lieten zich in alle drie de wintermaanden op verschillende locaties horen en soms zien. In december werd ransuil op twee locaties vastgesteld, in januari werd een ransuilenroest in Nederename met maximaal drie exemplaren gemeld en in februari werden ransuilen op vijf locaties gezien of gehoord.

In februari namen de spechtenactiviteit en het trommelen merkbaar toe: middelste en kleine bonte specht werden elk op verschillende locaties gezien of gehoord, en ook zwarte specht werd opgetekend.

De raven hebben echt wel vaste voet aan de grond gekregen in de regio. Na de doorbraak in 2025 werden deze winter nog steeds raven gemeld. Voornamelijk aan de grote bossen in het zuiden van VA+. Een bijzondere melding begin februari betrof een bonte kraai langs de N8 ter hoogte van de Kappeleberg in Maarke door Leo D.; zoekacties in de omgeving leverden geen vervolgwaarnemingen op. Indien deze aanvaard wordt door het BRBC (Belgian Rare Birds Committee), wordt dit de eerste waarneming van de soort deze eeuw voor VA+.

Nog een uitschieter: in januari werd een grote pieper als allereerste winterwaarneming voor de regio over Strijpen vastgesteld door Chris N., en in het Muziekbos werd een witkopstaartmees gevonden door Simon F.

Er overwinterden in onze regio opnieuw enkele groepjes boomleeuwerik. Ringmussen werden maar op 6 plaatsen teruggevonden. Van grote lijster werden amper twee zangposten gevonden. Een pijnlijke vaststelling.Roodborsttapuiten overwinterden op verschillende plaatsen. Een zeer zacht einde van de maand februari nodigde veel overwinterende tjiftjaffen uit om al te beginnen zingen. Een zingende zwartkop op 4 februari werd als opvallend vroeg genoteerd.

Appelvink kwam op verschillende plaatsen deze winter in beeld, met een maximum van 10 exemplaren aan de Kaaihoeve in Meilegem. Goudvink kwam in januari in Nukerke en Ruien in de notitieboekjes. Kneu vormde in december op verschillende plekken grotere groepen, met een opvallend maximum van circa 400 exemplaren in Ronse. Barmsijzen werden zowel in december als in januari en februari regelmatig gezien, met meerdere meldingen verspreid over de regio. Tot slot kwam in december een grote slaapgroep rietgors in beeld, met 250 exemplaren in de Snippenweide, waar ook waterpiepers overnachtten. Overwinterende geelgorzen kwamen op amper 4 locaties in beeld.

Dank aan alle waarnemers. Volg de waarnemingen per dag op via de website van de Vogelwerkgroep VA+. En bij deze ook een oproep: blijf waarnemingen invoeren. Alleen zo kunnen we een duidelijk beeld krijgen van de verspreiding en evolutie van de aantallen. Nu het broedseizoen eraan komt, graag ook bij het vakje ‘gedrag’ de juiste optie selecteren: bv. zingend, of nestbouw, enz.

Raaf © Rik Desmet
AudioMoth: het onzichtbare op naam gebracht

AudioMoth: het onzichtbare op naam gebracht

Het lijkt er wel op dat het snuisteren in boeken om soorten op naam te brengen, stilaan tot het verleden behoort. Het gebruik van Obsidentify is ondertussen ingeburgerd, al is het nog niet onfeilbaar, en is basiskennis nog altijd aangewezen om verkeerde determinaties uit te sluiten. Ook de app Merlin, die zichtbaar maakt welke vogels er in je omgeving te horen zijn, is gemeengoed geworden. Het is niet alleen een zegen voor elke natuurliefhebber, maar zeker ook voor de ornithologen die door een verminderd gehoor een heleboel vogelsoorten dreigen mis te lopen.

Voor wetenschappers is er het gebruik van eDNA (environmental DNA). Elk levend organisme laat DNA-sporen achter in de omgeving via huidschilfers, haar, schubben, bloed, urine, etc. Dit omgevings-DNA is een vingerafdruk van de natuur en kan worden gebruikt om de aanwezigheid van soorten of volledige gemeenschappen in kaart te brengen zonder dat men de soort effectief moet zien. Men kan daarbij tegenwoordig zelfs DNA uit de lucht gebruiken. Het blijkt een volwaardige aanvulling te zijn op bestaande methoden voor het monitoren van biodiversiteit11.

Een extra luisterend oor

Op de voorstelling van het uilenproject van het regionaal landschap gaf Friedel Nollet een boeiende uiteenzetting over het gebruik van de AudioMoth. Dit is een compact apparaatje voor het opnemen van geluid, inclusief ultrasone frequenties die mensen niet kunnen horen. De AudioMoth wordt gebruikt voor het monitoren van biodiversiteit en het verzamelen van gegevens over geluid in de omgeving, zoals de geluiden van vogels, vleermuizen of insecten. De uitleg van Friedel ging vooral over de studie van uilen met de AudioMoth, maar die kan evengoed gebruikt worden om te weten welke vogels er ’s nachts over je tuin trekken, of welke vleermuizen er vliegen. Bij de verwerking van de gegevens hoort wel wat gratis te downloaden computersoftware en dat is niet altijd eenvoudig. Je krijgt sonogrammen te zien en je krijgt lijsten met mogelijke soorten. Maar ook hier is (veel) voorzichtigheid geboden. Een eerste, schuchtere poging in de tuin leverde weinig waarschijnlijke soorten als roodkeelduiker op, dat bleek de kraaiende haan te zijn. Maar kerkuil, bosuil en steenuil stonden er wel op! Ongetwijfeld zal ook hier de software in de toekomst nog veel verbeteren.

Bij LABmaker22 kost de AudioMoth ongeveer € 106, en je hebt er nog 3 batterijen en een micro-SD-kaart van 64 GB voor nodig.

  1. WARMER F.E.M., POLLING M., BUIJ R., LAROS I., VISSER T. & DE GROOT G.A. (2025) – Validating Airborne eDNA Using Manual Surveys, Acoustic Monitoring and Camera Traps to Detect Birds and Mammals in an Agroforestry Setting – Environmental DNA, 7:e70222, doi.org/10.1002/edn3.70222 ↩︎
  2. https://www.labmaker.org/collections/audiomoth ↩︎
Visbestand in de Terkleppebeek

Visbestand in de Terkleppebeek

De Molenbeek-Terkleppebeek ontspringt in Brakel in het natuurgebied van de Everbeekse bossen en mondt in Geraardsbergen uit in de Dender. Vooral de bovenloop van deze beek is een van de ecologisch meest waardevolle waterlopen in het Denderbekken.

De beperkte set aan waterkwaliteitsgegevens laat het niet toe om een uitspraak te doen over de chemische waterkwaliteit. Het is wel zo dat er een erosieproblematiek is en daarenboven geven de uitvoerings- en zoneringsplannen aan dat er nog heel wat woningen zijn die momenteel niet aangesloten zijn op de riolering of waar er geen Individuele Behandelingsinstallatie voor Afvalwater (IBA) aanwezig is. Dit doet vermoeden dat er een negatieve invloed is op de vispopulatie en dat de chemische waterkwaliteit vooral in droge en warme maanden eerder matig tot slecht is.

Naast de kwaliteit van de waterloop, bepaald door nutriënten en andere vervuilende stoffen, is het van belang om in te zetten op de biologie, en ook hier zijn er nog een aantal belangrijke knelpunten. Er bevindt zich onder andere nog een belangrijk vismigratieknelpunt aan de Molen Ter Walle.

In september 2025 werd er op 3 verschillende locaties op de Molenbeek/Terkleppebeek op grondgebied Brakel visonderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek kan men stellen dat de doelsoorten rivierdonderpad en beekprik nog in de Terkleppebeek voorkomen. Op de meest stroomafwaartse locatie werden er hoge aantallen rivierdonderpad gevangen met een goede populatieopbouw.

Beekprik werd op één plaats aangetroffen, maar het betrof wel 34 individuen over een afstand van 50 meter en van verschillende leeftijdsklassen, wat dus voldoende gunstig is. Bij eerdere onderzoeken werd de soort wel op verschillende plaatsen gevonden.

Ook beekforel werd teruggevonden, met op één locatie volwassen individuen van meer dan 3 jaar oud. Ook op een andere locatie werd een aantal volwassen individuen vastgesteld die stroomafwaarts de duiker (vismigratieknelpunt) zaten. Stroomopwaarts van die duiker werden er vooral jonge dieren aangetroffen. Hierbij gaat het mogelijk om uitzet van januari 2025 in het kader van soortherstel. Uit onderzoek in het Zwalmbekken is geweten dat er natuurlijke reproductie optreedt in de Sassegembeek, maar dat op andere waterlopen de soort niet tot natuurlijke reproductie komt omwille van erosieproblematiek. Het slib van de erosie zorgt er andere voor dat de eitjes als het ware versmacht worden. Een verdere opvolging en eventueel genetische analyse lijkt hier belangrijk om te kunnen uitsluiten of het hier om een duurzame populatie gaat die zichzelf in stand weet te houden.

Beekprik © Jan Van Uytvanck
Beekprik © Jan Van Uytvanck
Schatten van de Schijteput

Schatten van de Schijteput

Deze ongewone titel in Meander brengt ons terug naar de ijstijden, toen de Schelde meer dan een kilometer breed haar weg zocht in de vallei. Plaatselijk zijn de uitgeschuurde oevers van de winterbedding, o.a. te Melden en Berchem, nog getuigen van deze Pleistocene vallei.

Schedels en botten van mammoeten en andere ijstijdfauna bij het uitgraven van de Donkvijver in Oudenaarde bleven wat onderbelicht, maar getuigden toch van de grootsheid van dit landschap ooit. De vondst van rivierparelmossels in Asper en Ename1 maakte voor mij de link met de (heel) oude geschiedenis van Kluisbergen, meer bepaald met de Schijteput in Meerse. Toen men in 1977 de Schelde recht trok, legde men bezinkingsbekkens aan waarin de aarde van de graafwerken terechtkwam. Toen die voldoende uitgedroogd waren, werd de grond in landbouwgebruik genomen en daar waren dan mossels en schelpen te vinden uit de diepere bedding die verwijst naar de Pleistocene ijstijdvallei, meer dan 12.000 jaar terug …

Mijn oudste herinnering is dat ik rond 1955 aan de hand van mijn grootmoeder ging kijken naar een in het slib vastgelopen schip. Dat was toen groot nieuws! De Schelde had toen nog iets schilderachtigs, voor ze in een rechtlijnig keurslijf werd gegoten. De mosselboot legde nog aan met getoeter aan de kade van de Pontstraat in Grijkoort (allicht ooit een veerpont daar?). IJsvogels en oeverzwaluwen broedden in de oevers, maar de vervuiling was er ook al, onder andere door de textielnijverheid. Er was toen ter hoogte van Meerse een grote bocht in de Schelde door uitschuring en oevererosie. In de volksmond noemde men dat ‘inschijten’, vandaar allicht de wat merkwaardige naam Schijteput?

Terug naar die andere Berchemse mossels: ik vond tot in de jaren negentig op die opgespoten grond veel stevige mosselschelpen van de Bataafse stroommossel, een ondertussen hier uitgestorven soort van snelstromend, zuiver water. Speciaal was wel dat een groot deel daarvan middendoor was gebroken en bovendien lagen er ook meerdere silexafslagen. Dit gaf mogelijk aan dat er op die plaats een nederzetting was – op een slib/zandbank in de rivier? – van steentijdmensen die er bivakkeerden en allicht de mossels als voedsel gebruikten. Ook zoetwaternerieten vond ik er, een kleurrijk schelpje dat nu ook verdwenen is.

Maar er is meer: in diezelfde lagen werden even verder stroomafwaarts schelpen van de rivierparelmossel gevonden bij ruimingen en opgravingen. Ik citeer2: “In uitzonderlijke gevallen worden de schelpen 20 centimeter lang. (…). De soort verdween echter, onder andere door achteruitgang van de waterkwaliteit en het opgraven van de mossels vanwege de soms aanwezige, zelfs aan het hof van koningen en keizers gewilde parels(!)”. Er blijkt een verband te zijn met vissoorten zoals de toen nog aanwezige steur, waar de larven van de mossel zich aan de kieuwen vasthechten. Als parasiet brengen ze er maanden door en kunnen ze dus grote afstanden afleggen2. In het eerder geciteerde artikel1 verwijst men naar vondsten in Ename en Asper in Holocene afzettingen, dus was het ook aan de Schijteput perfect mogelijk, alleen toen niet genoeg gezocht en nu ondergewerkt na jaren landbouw. Overigens moet dat Holoceen in het begin een heerlijke tijd voor mossels e.a. geweest zijn: zuurstof- en kalkrijk, zuiver en helder wild water als perfecte condities.

Het merkwaardige tijdschrift La Hulotte3 wijdde in 2014 een volledig nummer aan deze mossel, zoals gewoonlijk opgeluisterd met tal van schitterende tekeningen.

De soort is met uitsterven bedreigd en wordt wereldwijd gezien als een van de meest bedreigde grotere ongewervelden. Nu zijn ze nog te vinden in de Ebro en in een aantal Franse rivieren zoals de Charente. Ooit vormden ze echte ‘banken’ dicht tegen elkaar, in gezelschap van andere soorten, in Ename werden bij een site uit het Neolithicum nog 15 andere soorten gevonden4, zoals Bataafse en bolle stroommossel, schilder-, vijver- en zwanenmossel .

Ze werden voor de parels met duizenden ‘gekraakt’ of als voedsel gebruikt, maar het is uiteindelijk de watervervuiling die de doodsteek gaf. Dat is logisch wegens de overdosis voor deze waterzuiveraar bij uitstek, denk daarbij ook, maar misschien beter niet te veel, aan mossels? Ook het verdwijnen van de steur als ‘draagvis’ is misschien wel onderschat, de fameuze schakel in de ketting? Dit is ook voor het verdwijnen van veel andere soorten allicht van tel, iets waar de wetenschap maar moeizaam in vordert, om diverse redenen. We denken daarbij aan de ‘neven’effecten van pesticiden, PFAS enz. Overigens is in de schelp van onze mossels perfect aan te duiden waar de industrie een woordje begon mee te spreken in zijn verdwijnen, vastgelegd in de kalkopbouw van honderdjarige generaties.

Daarmee wordt zoveel jaar later een aanvulling aan de fauna geleverd en wordt meteen een tipje opgelicht van die wondere geschiedenis van de Scheldevallei …

Dus was het ook niet helemaal raar toen ik op mijn zoektochten aangesproken werd door de duidelijk geërgerde vrouw van de landbouwer, zittend in de Minaraad: “wat ik daar nu toch in godsnaam op hun grond liep te doen”. Schatten zoeken uit de ijstijd was mijn wat onvoorziene antwoord, en het was ook niet helemaal onjuist. Stel je voor: dure parels! Maar dat wist ik toen nog niet. Allicht was daarmee haar onrust niet opgelost en (maar ik geef toe ‘met binnenpret’) wel haar nieuwsgierigheid nog gegroeid?

© Norbert Desmet
© Norbert Desmet
  1. KUIJPER W.J., DEBRUYNE S. & PARENT J.P. (2025) – The Holocene occurrence of the giant freshwater pearl mussel Pseudunio auricularius (Spengler,1793) (Bivalvia: Margaritiferidae) in Belgium and the Netherlands. – Basteria, 89 (2): 232-239 ↩︎
  2. Nature today, 27-12-2025: https://www.naturetoday.com/intl/nl/nature-reports/message/?msg=34786 ↩︎
  3. La Hulotte N°101 (2014) – La Mulette perlière – la grand-mère du ruisseau à truites ↩︎
  4. CROMBÉ P., JACOPS J., AMEELS V., DEBRUYNE S., DEFORCE K., DE GROOTE I., DE MULDER G., HALBRUCKER É., PARENT J.-P., ROBERT P., VANDENDRIESSCHE H. & TEETAERT D. (2024) – The Neolithic wetland site of Ename-Stuw (Scheldt valley, BE) – Notae Praehistoricae 44: 25-62. ↩︎
Cold case uit de ijstijd

Cold case uit de ijstijd

Tijdens de ijstijden was de wolharige neushoorn een van de imposante bewoners van de toendra in Europa en Azië. Toen het veranderende klimaat ook hun biotoop veranderde, verdwenen ze rond 14.000 jaar geleden.

Omdat men dacht dat het uitsterven van de wolharige neushoorn een langdurig proces was, gingen wetenschappers ervan uit dat individuen die 15.000 jaar geleden leefden genetische kenmerken van inteelt zouden vertonen, waardoor de soort uiteindelijk zwakker werd.

De vondst van een stuk diepgevroren neushoornvlees1 in de maag van een jonge wolf uit de ijstijd, 14.400 jaar oud, wierp een ander licht op die theorie. Uit de analyse van het genetisch materiaal bleek dat er geen sprake was van inteelt. Bovendien bleek dat de populatie nog groot genoeg was om de genetische variatie te vrijwaren. Het lijkt er dus op dat de wolharige neushoorn op korte tijd uitstierf tijdens het Bølling-Allerød-interstadiaal; dat is een relatief korte warme periode binnen een ijstijd. Dat een soort in een korte periode van klimaatverandering kan uitsterven, kan een les zijn voor de huidige klimaatverstoring. Te meer daar er in die periode nog geen kunstmatige barrières in het landschap waren, die soorten verhinderden het veranderende klimaat noordwaarts te volgen.

  1. GUÐJÓNSDÓTTIR S.M., LORD E., POCHON Z;, LEMEŽ S., DUSSEX N., STANTON D W.G., SINDING M-H S., FEDOROV S., DALÉN L. & CHACÓN-DUQUE J. C. (2026) –  Genome Shows no Recent Inbreeding in Near-Extinction Woolly Rhinoceros Sample Found in Ancient Wolf’s Stomach – Genome Biol. Evol. 18(1), doi.org/10.1093/gbe/evaf239 ↩︎
Mieren

Mieren

Alle foto’s bij dit artikel zijn auteursrechtelijk beschermd door Johan Raes. Voor overname van tekst en foto’s, contacteer de redactie.

We hebben in onze prille jeugd allemaal wel het verhaaltje van ‘de krekel en de mier’ gehoord. Het is een vertaling van de Franse fabel ‘la cigale et la fourmi’, in de zeventiende eeuw geschreven door Jean De La Fontaine, en eigenlijk een herwerking van een verhaal van de Griekse fabeldichter Aesopus. De inhoud is bekend: de krekel (soms een sprinkhaan) zingt en danst de hele zomer, en de mier werkt ijverig door. Als het winter wordt, moet de krekel echter bij de mier gaan bedelen om eten. De moraal van het verhaal is duidelijk.

Zoals veel insecten worden ook mieren dikwijls als een last aanzien. Reclame voor pesticiden tegen mieren is dan ook alom aanwezig. Nochtans zijn het heel nuttige diertjes die in de tuin en natuur fungeren als opruimdienst van afval en dode insecten, de bodem verluchten en bepaalde ecosysteemdiensten verstrekken (zaden verspreiden, sommige schadelijke insecten doden). Het is enkel een probleem wanneer ze in huis geraken. Zoetigheden goed opbergen voorkomt dit euvel.
Kunnen (onze) mieren de mens nu eigenlijk steken of bijten? Bijten kunnen ze allemaal, daarvoor hebben ze stevige kaken. Maar de beet zelf is meestal zonder gevolg, dat verandert wanneer er mierenzuur in de wond wordt gespoten. Hoewel ze een angel hebben, kan die ons meestal niet pijnigen, uitgezonderd soorten als de gewone steekmier (Myrmica rubra).

Mieren of Formicidae zijn sociale insecten die kolonies vormen. Over deze sociale structuur is voldoende informatie voorhanden. Ik ga daar hier dan ook niet verder op in.
Ze behoren tot de wespachtigen, wat ook te merken is aan hun lichaamsbouw. Ze hebben voelsprieten met een lang eerste deel, de scapus, en een ellebooggewricht. Een vierde (en soms vijfde) lichaamsdeel tussen de borst en het achterlijf (de schub bij schubmieren, de knoop bij knoopmieren) is typerend. Vleugels zijn er enkel bij de koningin en de mannetjes, en alleen maar ten tijde van de bruidsvlucht.

Opvallend is de samenlevingsvorm tussen mieren en andere geleedpotigen. Bekend is natuurlijk de relatie met het gentiaanblauwtje, waarvan de rupsjes in de late zomer door knoopmieren meegenomen worden naar hun nest. Ze verblijven daar dan (als rups en pop) tot de volgende zomer in juni de imago’s uitvliegen.
Alom gekend is de relatie met bladluizen, die als ‘vee’ gehouden worden voor hun honingdauw. Onder meer de glanzende houtmier is daar bedreven in.
Ook sommige cicaden worden door mieren gekoesterd. In mijn eigen tuin vind ik de beide mierencicaden Tettigometra laeta en T. virescens. Niet verwonderlijk, want bijna de helft van het gazon wordt bevolkt door de gele weidemier (Lasius flavus) (1), en in mindere mate de (gewone) wegmier Lasius niger.

Er zijn ongeveer 13.800 soorten beschreven, waarvan België een 80-tal soorten huisvest, en Vlaanderen een 50-60-tal. In waarnemingen.be staan een 100-tal soorten opgelijst, waarvan vele zeer zeldzaam. En globaal zijn ze met veel; 20 biljard wordt geschat.
We kennen in ons land 4 subfamilies mieren: Dolichoderinae (niet in Vlaanderen), Formicinae (met de genera Formica en Lasius), Myrmicinae (genus Myrmica in Vlaanderen) en Ponerinae (zeer zeldzaam, een paar Hypoponera species).

De grootste mieren bij ons zijn de bosmieren, waarvan we in België vier soorten hebben. Bosmieren vind je voornamelijk in de Kempen en op de Ardense hoogten. Ook in onze contreien zijn er nog een paar vindplaatsen, maar op waarnemingen.be worden die alvast niet zichtbaar gemaakt.
Andere typische bosbewoners zijn de bossteekmier (Myrmica ruginodis) en de bosslankmier (Temnothorax nylanderi).

In onze tuinen vinden we vooral de wegmier (Lasius niger), de gele weidemier (Lasius flavus) en de gewone (of rode) steekmier (Myrmica rubra). De gewone steekmier heb je beter niet als gast, ze zijn agressief en kunnen dus steken. De wegmier komt in vrijwel elke tuin voor en graaft een nest in zand, vaak onder hout of stenen. De gele weidemier is met zijn 3 tot 5 millimeter vrij klein. Ze zijn bruingeel van kleur, behalve de mannetjes die (in hun korte bestaan) zwart zijn. In mijn tuin zijn ze dus massaal aanwezig, waarschijnlijk omdat het grootste deel van het gazon vrij vochtig is, en omdat er nogal wat bladluizen te vinden zijn.

Eén van mijn foto’s werd gedetermineerd als boommier (Lasius brunneus), ook wel bruine houtmier genoemd. Ze is herkenbaar aan een brede kop en het lichter gekleurde borststuk. Ze komen vaak voor in loofbossen (eik, beuk).

Ook de glanzende houtmier (Lasius fuliginosus) komt vooral voor in loof- (of naald)bossen. Ze heeft een diepzwart, glanzend lichaam. Het nest wordt vooral gebouwd in boomholtes of wortelstronken. Voor wie een goed ontwikkeld reukorgaan heeft: bij verstoring verspreiden ze een citroenachtige geur.

Een andere schubmier is de muurmier (Lasius emarginatus). Hoewel ze op waarnemingen.be als ‘vrij algemeen’ staat aangeduid, zijn er toch maar een beperkt aantal observaties.
Met haar duidelijk roodbruine borststuk lijkt ze wat op de boommier, maar het contrast met kop en achterlijf is meer uitgesproken. Haar naam is niet toevallig, ze heeft een voorliefde voor stenen. Vindplaatsen vooral in het zuiden van onze provincie en West-Vlaanderen.

De grauwzwarte renmier (Formica fusca) komt ook vooral voor in bosgebied, maar ook op weiland of zandgronden. Ik zie deze soort ook wel eens op alleenstaande bomen rondrennen.
Fraaier is de rode renmier (Formica rufibarbis). Ik vond een paar jaar terug een aantal exemplaren op de ruïnes van de Sint-Salvatorabdij in Ename. Dat blijken nog altijd de enige waarnemingen te zijn in de Vlaamse Ardennen. Hopelijk overleeft deze mooie mier de werken die actueel op die site aan de gang zijn.

Volgende keer zespotigen die toch niet tot de insecten worden gerekend, en een minder gekende, maar bonte wereld vormen.

n.v.d.r.: op https://www.bestuivers.nl/publicaties/de-wespen-en-mieren-van-nederland vind je heel veel informatie over de ecologie, verspreiding en levenswijze van mieren

Vogeltelweekenden

Vogeltelweekenden

Eind januari werden er in de tuinen weer vogels geteld. In vergelijking met 2025 namen in Vlaanderen 33% meer mensen deel, maar het aantal getelde vogels per tuin is gedaald tot een nieuw dieptepunt.

Voor het eerst duikt de pimpelmees met een tweede plaats op in de top drie. De koolmees staat op één en de huismus op drie. Huismussen en merels gaan terug sterk achteruit.

Ook in Nederland gaat de huismus verder achteruit en staat deze niet langer op de eerste plaats. Op plaats één staat daar nu de koolmees, op twee de huismus en op drie de pimpelmees. De opmars van de pimpelmees is niet verwonderlijk, want in oktober 2025 werd tijdens de najaarstrek een invasie waargenomen van ongewoon grote aantallen pimpelmezen.

In Wallonië en Brussel bekleden de koolmees, de merel en het roodborstje de eerste drie plaatsen, met ook hier een achteruitgang voor de huismus. Ook groenling en Turkse tortel gaan achteruit, terwijl ekster en kauw recordaantallen lieten optekenen.

Wie biedt er (nog) minder?

Wie biedt er (nog) minder?

Voor wie geïnteresseerd is in natuur en milieu is het volgen van het nieuws tegenwoordig geen pretje. Zo was er op 19 januari in De Afspraak een opmerkelijke uitspraak van econoom Peter De Keyser, die stelde dat het volgens hem simpel is: “Het is of kiezen voor minder koolstofdioxide, of kiezen voor meer militairen.” De klimaatcrisis wordt door velen nog steeds als een ondergeschikt probleem gezien en bestrijding ervan als een overbodige luxe. Opvallend was de lauwe reactie van de andere gasten, die wel iets mompelden als “dat is niet waar”, en moderator Bart Schols ging er al helemaal niet op in.

Uit een studie van de Christelijke Mutua­liteiten, CM1, blijkt dat heel wat jongeren zich angstig, boos of wanhopig voelen over de gevolgen van de klimaatverandering. Het gebrek aan daadkracht voedt bij hen het wantrouwen in de politiek. Dat is dan ook een van de redenen dat een groot deel van de jongeren bij de vorige verkiezingen thuisbleef of blanco stemde (De Morgen, 15-01-20262). Sommige politici zien in de jeugd blijkbaar vooral toekomstige militairen. Die militairen kunnen later misschien ingezet worden als er na een volgende klimaatramp opnieuw moet opgeruimd worden …

Over het erg warme en extreem droge 2025 nog deze cijfers: in Europa vielen er naar schatting 16.500 doden door de klimaatopwarming3 en het leidde tot 43 miljard4 euro aan verliezen voor de Europese economie.

In het debat rond de Mercosur-handels­overeenkomst wordt door de landbouw steeds opnieuw verwezen naar het ‘ongelijk speelveld’, waarbij de landbouwers in de Mercosur landen aan minder controle onderworpen zijn dan hier. Aangezien de landbouw zich een duurzaam imago aanmeet, én omdat ze schermen met de volksgezondheid, zou je verwachten dat de landbouworganisaties dan voor de productie in die landen dezelfde voorwaarden als hier vragen. In plaats daarvan eisen ze echter een versoepeling van de regels in Europa. Eerder werd reeds het EU-voorstel om het gebruik van pesticiden tegen 2030 te halveren, ingetrokken. Bovendien wil de EU-Commissie ook nog de toelatingsregels voor bestrijdingsmiddelen vereenvoudigen, met uitzondering van de gevaarlijkste. Momenteel worden bestrijdingsmiddelen in Europa toegelaten op basis van wetenschappelijk onderbouwde risicobeoordelingen, met meestal een herziening elke tien jaar. Deze herbeoordelingen zijn cruciaal om nieuwe wetenschappelijke inzichten mee te nemen. Het voorgestelde afschaffen van die herbeoordeling vormt een ernstig risico voor mens en milieu. Zonder automatische toetsing kunnen potentieel schadelijke stoffen onbeperkt op de markt blijven, terwijl negatieve gezondheidseffecten vaak pas na langdurig gebruik zichtbaar worden.

Een analyse5 van 1705 studies wereldwijd erkende dat een vermindering van het gebruik van pesticiden invloed heeft op de voedselproductie, maar concludeerde tevens “dat hun universele impact op verschillende taxa betekent dat het huidige gebruik ervan waarschijnlijk niet duurzaam is voor de moderne landbouw. Tenzij er veranderingen plaatsvinden, blijft het risico van ernstige, onverwachte en langdurige gevolgen voor de biodiversiteit en het functioneren van ecosystemen onaanvaardbaar hoog.” Een onderzoek6 naar de Nederlandse landbouw leert dat hoewel het huidige Nederlandse landbouwsysteem grote economische voordelen oplevert (€ 13,3 miljard), het ook hoge kosten met zich meebrengt voor de samenleving (€ 18,6 miljard), wat resulteert in een netto negatief effect. Die kosten – de uitstoot van broeikasgassen, stikstof, negatieve effecten op biodiversiteit en volksgezondheid, waterverbruik, … – worden afgewenteld op de maatschappij. Belangrijke opmerking hierbij is dat het niet de landbouwers zijn die de grootste winst opstrijken.

Als klap op de vuurpijl plant de Europese Commissie een stresstest van de Vogel- en Habitatrichtlijn – van fundamenteel belang voor de natuurbescherming – en een evaluatie van de Kaderrichtlijn Water in 2027. Als de evaluatie aantoont dat de huidige regels de ontwikkeling van landbouw en ondernemingen te sterk afremmen, moet Europa volgens Wouter Beke (CD&V) bereid zijn om “bij te sturen en de wetgeving werkbaarder te maken”.

In De Afspraak van 23 januari pleitte ook CD&V-voorzitter Mahdi voor een ‘versoepeling’ van de regels in verband met de habitatrichtlijn. En wat hem betreft, mag meteen ook het stikstofakkoord op de schop. Dat hij ook Mexico verkeerdelijk tot de Mercosur-landen rekende, is bij deze een detail. Ook zijn partijgenoot Bart Dochy etaleerde de CD&V-(mis)kennis van natuur door te stellen dat “Als natuurgebieden echt zo gevoelig waren, dan waren ze al lang verdwenen” (Het Nieuwsblad, 8-02-20267). Als de landbouw het echt zo moeilijk heeft, was die dan ook al …? Dat Mahdi vindt dat uitgerekend zijn partij staat voor het klimaat en het milieu (De Morgen, 14-2-20268) “met de overtuiging dat wij de wereld in een minstens even goede staat aan de volgende generaties moeten doorgeven” klinkt bij deze nogal wrang.

Nog opmerkelijk inzake Mercosur is dat de landbouw het gelijke speelveld tot nu niet eiste voor soja. Soja is levensnoodzakelijk voor onze vervuilende vleesindustrie en wordt al jaren nagenoeg importvrij ingevoerd uit onder andere Brazilië, een van de Mercosur-landen. Een deel van die soja is zodanig genetisch gemanipuleerd dat het bestand is tegen het massale gebruik van de onkruidverdelger glyfosaat. Bovendien veroorzaakt de teelt van soja op grote schaal ontbossing. Bij die invoer worden dus blijkbaar geen vragen gesteld … Selectieve verontwaardiging, als het maar goedkoop is.

Over pesticiden valt er overigens altijd wel iets nieuws te vertellen. Een uitgebreide statistische studie in Frankrijk9 onderzocht het verband tussen pesticiden en de aantallen vogels. In Frankrijk kan je per postcode opzoeken hoeveel pesticiden er verkocht werden. In de studie brachten de onderzoekers de aankoop van 242 werkzame stoffen in verband met de aantallen van 64 veelvoorkomende vogelsoorten in landbouwgebieden. Voor 84,4% van de soorten was er een negatief verband met de hoeveelheid pesticiden. Dit resultaat wijst op een wijdverbreide negatieve impact van milieuverontreiniging, die ook gewone vogelsoorten treft die in landbouwgebieden foerageren.

In Frankrijk bestaat er sinds 2020 het ‘Fonds d’idemnisation des victimes de pesticides’ (FIVP). Het fonds haalt zijn inkomsten uit belastingen op pesticiden. In 2024 betaalde dit fonds een totaal van 18,7 miljoen euro aan schadevergoedingen uit. De aanvragen voor directe blootstelling aan pesticiden stegen met 42,8%, die voor prenatale blootstelling met 100%. In de lijst met beroepsziekten gelieerd aan de landbouw staan onder andere de ziekte van Parkinson, twee soorten prostaatkanker en bloedkanker. In de VS trekt Bayer 8,29 miljard euro uit om rechtszaken van kankerpatiënten rond de onkruidverdelger Roundup met glyfosaat te schikken. Maar elk nadeel heeft zijn voordeel: na deze bekendmaking steeg het aandeel van Bayer op de beurs met 7,6%. (Vilt Nieuwsbrief, 19-02-2026).

Bij ons antwoordde minister van Omgeving voor Landbouw Brouns op een parlementaire vraag van 24-10-2025 in dat verband als volgt: “Wat betreft Parkinson is de conclusie van deze studie10 dat het beschikbare bewijsmateriaal op een gering, maar vrij consistent verband wijst tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en de ziekte van Parkinson.”

Volgens de rechtbank van Brussel heeft Vlaanderen bepaalde Europese verplichtingen over gewasbeschermingsmiddelen dan weer niet volledig omgezet in de eigen wetgeving. Bij een correcte omzetting zouden landbouwers die mest of gewasbescherming gebruiken nabij een Natura 2000-gebied moeten aantonen dat dit geen schadelijke impact heeft.

Zoals de auteurs van de eerdere studie11 het stelden: “Onze bevindingen wijzen erop dat de lage kosten van pesticiden geen rekening houden met de verborgen kosten voor wilde diersoorten en ecosystemen. Dit maakt duurzame praktijken financieel minder aantrekkelijk voor boeren, die mogelijk pesticiden blijven gebruiken als preventieve maatregel.”

Voor wie meer wil weten over alles wat met pesticiden te maken heeft, is er het boek ‘Het pesticidenparadijs, Over de impact van bestrijdingsmiddelen, verstrengelde belangen en misbruikte wetenschap’ van Dirk de Bekker, uitgeverij De Arbeidspers, ISBN 978 90 295 5343 8/NUR 32, € 22,99

  1. https://visie.net/artikel/jongeren-voelen-angst-voor-de-klimaatcrisis-maar-ze-zijn-vooral-boos ↩︎
  2. https://krant.demorgen.be/titles/demorgen/7927/publications/2660/pages/1/articles/2434301/1/2 ↩︎
  3. https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/09/16/wetenschappers-berekenen-klimaatverandering-veroorzaakte-7-op-d/ ↩︎
  4. https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/09/15/extreem-weer-in-zomer-van-2025-kost-europa-43-miljard-euro/ ↩︎
  5. WAN N-F., FU L., DAINESE M., PØDENPHANT KIÆR L., HU Y-Q., XIN F., GOULSON D., WOODCOCK B.A., VANBERGEN A.J., SPURGEON D.J., SHEN S. & SCHERBER C. (2025) – Pesticides have negative effects on nontarget organisms – Nature Communications, doi.org/10.1038/s41467-025-56732-x ↩︎
  6. DELOITTE (2025) – The Hidden Bill: An analysis of the societal costs of Dutch agriculture today versus alternative systems – rapport ↩︎
  7. https://www.nieuwsblad.be/politiek/parlementslid-bart-dochy-cdv-als-natuurgebieden-echt-zo-gevoelig-waren-dan-waren-ze-al-lang-verdwenen/128906622.html ↩︎
  8. https://krant.demorgen.be/titles/demorgen/7927/publications/2686/pages/54/articles/2454627/54/1 ↩︎
  9. MONNET A-C., CAIRO M., DEGUINES N., JIGUET F., VIMONT M., FONTAINE C. & PORCHER E. (2026) – Common birds have higher abundances in croplands with lower pesticide purchases – Proc. R. Soc. B 293: 20252370, doi.org/10.1098/rspb.2025.2370 ↩︎
  10. Federaal Reductieplan voor Gewasbeschermingsmiddelen (2021) – Monitoring of the chronic health effects from the use of Plant Protection Products (PPP) ↩︎
  11. WAN N-F., FU L., DAINESE M., PØDENPHANT KIÆR L., HU Y-Q., XIN F., GOULSON D., WOODCOCK B.A., VANBERGEN A.J., SPURGEON D.J., SHEN S. & SCHERBER C. (2025) – Pesticides have negative effects on nontarget organisms – Nature Communications, doi.org/10.1038/s41467-025-56732-x ↩︎
Hoop in de Vlaamse Ardennen

Hoop in de Vlaamse Ardennen

Drie uiterst zeldzame zoogdiersoorten keren terug

De natuur in de Vlaamse Ardennen viert een historische mijlpaal. Na decennialange afwezigheid zijn afgelopen winter twee Europees beschermde soorten herontdekt in de regio (de hazelmuis en de grote hoefijzerneus), terwijl een derde soort, de ingekorven vleermuis, een recordaantal exemplaren kende. Dit bewijst dat natuurherstel vruchten afwerpt, al is blijvende actie cruciaal voor een duurzame toekomst.

Een historisch weerzien met de hazelmuis

Hazelmuis © René Janssen

De eerste opmerkelijke ontdekking deze winter was die van de hazelmuis. Voor het eerst in 50 jaar is deze soort vastgesteld in de provincie Oost-Vlaanderen. Tot voor kort was de soort in Vlaanderen enkel nog bekend in het Limburgse Voeren. In de ons omringende landen gaat de hazelmuis nog sterk achteruit door de verdwijning van geschikt landschap: houtkanten, geleidelijke bosranden en hakhoutbossen …

De vondst kwam aan het licht doordat karakteristieke aangeknaagde hazelnoten gevonden werden in Ronse, pal op de taalgrens. Dat sluit aan bij een eerdere waarneming in het nabijgelegen Frasnes-lez-Buissenal (Henegouwen), waar een kat een exemplaar mee naar huis nam.

Spectaculaire vleermuizenvondsten

Naast de hazelmuis zijn er spectaculaire resultaten uit de vleermuizenmonitoring. Zo werd de grote hoefijzerneus voor het eerst ooit waargenomen in de Vlaamse Ardennen. In een onderaardse gang werd een overwinterend exemplaar gevonden. Dit is de tweede winterwaarneming in heel Vlaanderen. Deze soort kende eind vorige eeuw een dramatische achteruitgang, in sommige gebieden tot meer dan 99%. Deze achteruitgang wordt gelinkt aan nu verboden bestrijdingsmiddelen zoals lindaan en DDT, de verdwijning van kleinschalige landschappen, rustige verblijfplaatsen, en het gebruik van antiparasitaire middelen in de veeteelt, waardoor veel van de prooidieren verdwenen. Van de ingekorven vleermuis werden 13 exemplaren geteld, het grootste aantal in de Vlaamse Ardennen in 50 jaar.

Grote hoefijzerneus © Daan Dekeukeleire

Een landschap onder druk

De terugkeer van deze typische soorten voor een biodivers landschap is hoopgevend, maar de situatie blijft fragiel. Sommige soorten duiken opnieuw op, maar andere soorten zoals de eikelmuis zijn in de regio ernstig bedreigd en balanceren op de rand van lokaal uitsterven.

De drie soorten zijn Europees beschermd onder de Habitatrichtlijn. Ze hebben nood aan een specifiek ‘mozaïeklandschap’: een afwisseling van bossen verbonden door een dicht netwerk van hagen en houtkanten.

Win-win voor landbouw en natuur

Natuurherstel hoeft niet ten koste te gaan van de landbouw. Sterker nog, er is sprake van een duidelijke win-win. De grote hoefijzerneus jaagt op mestkevers, waardoor zij baat hebben bij het behoud van familiale, grondgebonden veeteelt. De ingekorven vleermuis voedt zich in grote mate met vliegen die voorkomen in koeienstallen. Dit helpt de landbouwer om een goed dierenwelzijn te bewerkstelligen.

Oproep tot actie: samen voor ‘Vlaanderens Mooiste’

De ondertekenaars van dit bericht engageren zich om het leefgebied van deze dieren verder te herstellen. Het Landschapspark Vlaamse Ardennen zet in op het belang van het fijnmazig verweven landschap en van kleine landschapselementen voor heel wat soorten, als beschutting voor nestgelegenheid en als veilige verbindingsweg. Het Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen tot Dender begeleidt landeigenaars bij de aanplanting en het beheer van houtkanten en boomgaarden.

Natuurpunt voert verder onderzoek uit en richt eigen gebieden in als geschikt leefgebied en verblijfplaats.

De Stad Oudenaarde engageert zich om aanplantingen van bomenrijen te stimuleren en storende lichtvervuiling aan te pakken.

Jodelende wulpen en keukentafels, landbouw door vogelogen

Jodelende wulpen en keukentafels, landbouw door vogelogen

Ben Koks is een Nederlandse ornitholoog, meer bepaald een natuur- en weidevogeldeskundige, die vooral bekend werd om zijn werk rond bescherming van akkervogels en het ontwikkelen van ideeën om landbouw en natuur beter te combineren. Hij is intussen internationaal erkend als onderzoeker van de grauwe kiekendief en andere akkervogels. Koks richtte de Werkgroep Grauwe Kiekendief op en later Harrier Conservation International voor onderzoek en bescherming van deze vogels. Voor zijn werk ontving hij onder meer de Heimans en Thijsse Prijs (2017).

Zonder zijn inspanningen en initiatieven zou de grauwe kiekendief in Nederland begin jaren 1990 uitgestorven zijn. Hij wist intensief samen te werken met boeren en groenvoederdrogerijen, waardoor de grauwe kiekendief alle kansen kreeg in de akkerlanden. Ben Koks ligt bijgevolg aan de basis van een zeldzaam succesverhaal in biodiversiteitsherstel. In zijn boek ‘Jodelende wulpen & keukentafels’ toont de auteur aan dat boerenland cruciaal is voor vogels en dat samenwerking, kennis en toewijding kwetsbare soorten effectief kan beschermen.

De auteur legt ook oplossingen op tafel voor een toekomstbestendig agrarisch landschap, zoals het Biodivers Akker Mozaïek (BAM) en het revitaliseren van graanstoppels. Landschappen, landbouwpraktijken en vogelpopulaties zijn de laatste decennia ingrijpend veranderd. Koks beschrijft voorbeelden uit de praktijk van gemiste kansen en toont aan hoe we hieruit kunnen leren om tot betere concepten in de toekomst te komen, met de ecologie van een selectie vogelsoorten als leidraad. Hij neemt meer bepaald grauwe kiekendief, veldleeuwerik, patrijs, geelgors, wulp en grutto als voorbeelden. Vervolgens toont Koks aan hoe we met essentiële ingrediënten zoals menselijke inzet, langjarig onderzoek en monitoring voor agro-ecologische recepten komen tot een duurzame landbouw die iedereen ten goede komt. Jodelende wulpen en keukentafels is ronduit een inspirerend en hoopgevend boek dat aanzet tot een multidisciplinaire aanpak van vogelbescherming.

Koks B., 2026. Jodelende wulpen en keukentafels, landbouw door vogelogen, uitgeverij Noordboek, Gorredijk, 272 blz., ISBN 978 905615 255 1, € 24,90. Een aantal bladzijden van het boek zijn als preview te lezen op de website van de uitgeverij.