De Krombeek is een waterloop 2e categorie die ontspringt nabij het natuurgebied ‘t Burreken en uitmondt in de Maarkebeek. In opdracht van de Dienst Integraal Waterbeleid van de Provincie Oost-Vlaanderen voerde het Provinciaal Centrum voor Milieuonderzoek (PCM), in samenwerking met het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO), op 21 mei 2024 een onderzoek naar de visstand uit in Maarkedal. De Krombeek is een belangrijke waterloop voor de beschermde soorten rivierdonderpad en beekprik.
Uit een eerder onderzoek naar de waterkwaliteit bleek dat de chemische waterkwaliteit relatief goed is, maar dat er toch een aantal knelpunten zijn. Zo kan de verhoogde concentratie van chemische zuurstofvraag (CZV) duiden op verontreiniging, vermoedelijk afkomstig van afspoeling, maar ook van resterende lozingen. Rivierdonderpad, maar in het bijzonder beekprik, zijn zeer gevoelige soorten die zelfs bij lichte verontreiniging niet kunnen gedijen. De eveneens verhoogde waarde voor zwevende stof kan in relatie gebracht worden met de erosieproblematiek. Het zuurstofgehalte scoort wel voldoende en is cruciaal voor de aanwezigheid van de doelsoorten. Daarnaast ligt het totaal fosforgehalte, zoals op de meeste plaatsen in Vlaanderen, boven de norm voor milieukwaliteit.
Tijdens het onderzoek naar de visstand in 2024 werd enkel bermpje en rivierdonderpad waargenomen. Over de jaren heen werden nog vier andere soorten waargenomen, namelijk beekprik, serpeling, paling en driedoornige stekelbaars.
De populatie rivierdonderpad lijkt momenteel in een goede toestand te verkeren. De bepaling van de lengteklassen en de dichtheden per vierkante meter geeft aan dat er een duurzame en zichzelf in standhoudende populatie aan rivierdonderpad aanwezig is in de Krombeek. Daarentegen werd er geen beekprik meer aangetroffen in de Krombeek. Vermoedelijk zal een combinatie van verschillende factoren hier aan de basis liggen van het verdwijnen of beperkt aanwezig zijn van de populatie. In de eerste plaats heeft de waterloop enorm te kampen met een erosieproblematiek. Naast bovengenoemde mogelijke oorzaken is er ook het vermoeden dat de genetische diversiteit van de populatie zeer beperkt was/is, gezien de populatie volledig geïsoleerd voorkomt binnen de Krombeek en er geen uitwisseling mogelijk is met populaties in de Verrebeek of Sassegembeek.
Een soort die wel voor de eerste keer op bijna alle locaties werd waargenomen is bermpje. Zowel kleine (juveniele) als grotere (adulte) individuen werden teruggevonden. Deze soort werd bij voorgaande onderzoeken slechts beperkt aangetroffen in het stroomafwaartse gedeelte, maar lijkt zich nu gevestigd te hebben in de Krombeek.
Verder werd er ook eenmalig serpeling aangetroffen in 2007, wat vermoedelijk het resultaat was van een eerdere uitzet op de Maarkebeek. Sporadisch werd er ook paling waargenomen, afkomstig van de uitzet van glasaal. Bij de laatste onderzoeken werd de soort echter niet meer aangetroffen.
De laatste maanden verschenen verschillende artikelen die nogmaals de aantasting van de open ruimte aankaarten.
Uit cijfers van het Departement Omgeving1 van het Vlaamse Gewest blijkt dat in 2023 de verharde oppervlakte in Vlaanderen gestegen is van 15,3 naar 15,7%. Dat betekent een verharding met minstens 10 hectare per dag. De toename ligt weer in lijn met de trend voor 2020, terwijl er tussen 2020 en 2022 een stabilisatie was. Het grootste aandeel van de bijgekomen verharding betreft geen nieuwe gebouwen, wel verharding als wegen, opritten, terrassen of parkeerterreinen.
Verharding is in vele opzichten een probleem. Het regenwater kan niet meer infiltreren, met als gevolg een groter risico op overstromingen en droogteproblemen, hitte in stads- en dorpskernen, minder CO2-opslag door planten en bodem en een verlies aan biodiversiteit. Verhoudingsgewijs is Vlaanderen na Nederland de grootste verharder. Ontharding en het vermijden van bijkomende verharding vormen daarom een belangrijk onderdeel binnen de strategische visie van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (zie https://omgeving.vlaanderen.be/nl/BRV).
Uit een Europese studie2 blijkt dat er in Europa elk jaar 1 500 km² verloren gaat aan bouwprojecten. Daarvan is 900 km² natuur; bij de overige 600 km² gaat het om landbouwgrond. Tussen januari 2018 en december 2023 ging ongeveer 9 000 km² verloren, dat is zo wat 1/3 van de oppervlakte van België. Europa verandert van groen naar grijs. Beetje bij beetje raken we groene ruimtes kwijt die ooit onderdak boden aan natuur, voedsel leverden en koolstof uit de atmosfeer verwijderden.
Woningen en wegen zijn de grootste oorzaken, maar ook voor commerciële activiteiten, luxewoningen en toerisme moeten natuur en landbouw vaak wijken. Meerdere kleine ingrepen dienen om aan de wensen van toeristen tegemoet te komen, elke ingreep tast de ongerepte natuur aan die diezelfde toeristen juist komen bekijken.
Uit een grootschalige analyse van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, waarover Apache bericht, blijkt dat bijna een kwart van de landbouwgrond in Vlaanderen vandaag niet meer gebruikt wordt voor landbouw. De nieuwswebsite stelt dat landbouworganisaties en een deel van politiek Vlaanderen in het verleden Natuurpunt aanvielen, omdat de vereniging ‘gesubsidieerd’ landbouwgrond aankoopt om er natuur van te maken. Maar uit de berekening op basis van de ruimteboekhouding blijkt dat amper twee procent van het landbouwgebied voor natuur gebruikt wordt en 4,5 procent bebost is. Een groter probleem zijn de kapitaalkrachtige Vlamingen die graag akker- en weilanden kopen om paarden en andere hobbydieren te houden of hun tuinen te vergroten. Blijkbaar roept dit minder weerstand op. Ook ruim wonen in oude hoeves op het platteland is in trek, net als het verbouwen van loodsen en stallen voor allerlei andere activiteiten dan landbouw. Dat zorgt ervoor dat de prijzen voor landbouwgrond vandaag vaak de landbouwkundige waarde overstijgen, waardoor landbouwers moeilijk kunnen concurreren met kapitaalkrachtige kopers die grond gebruiken voor niet-landbouw gerelateerde activiteiten. In het Apache-artikel krijgt Stad Deinze trouwens een pluim, omdat ze een leegstaand varkensbedrijf lieten afbreken om er terug landbouwgrond van te maken.
Op de twee luchtfoto’s zie je de situatie rond de Callemoeie-vijver (Nazareth) in 1971, toen nog in aanleg, en nu.
Met het LEADER-project Uilenspiegel versterkt Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen tot Dender (RLVAD) het leefgebied van de vijf uilensoorten die in de Vlaamse Ardennen broeden: bosuil, kerkuil, oehoe, ransuil en steenuil. Doel is om het leefgebied aantrekkelijker te maken voor zowel de uilen als hun prooidieren door houtkanten, hagen, heggen, boomgaarden en kleine bosjes aan te planten.
Samen met vrijwilligers van onder andere de Steenuilenwerkgroep van Natuurpunt en de Kerkuilenwerkgroep van Vogelbescherming Vlaanderen plaatst en herstelt RLVAD ook meer dan 150 marterproof nestkasten voor kerk- en steenuil. Ook scholen dragen hier hun steentje bij: leerlingen uit de richting houtbewerking van Atheneum Geraardsbergen en Atheneum Herzele bouwen mee aan nieuwe nestkasten.
Voor de inventarisatie van de uilen gaan we aan de slag met audiomoths, dit zijn kleine akoestische loggers die nachtelijke geluiden registreren. Zo komen we te weten waar er uilen aanwezig zijn, ook moeilijker te inventariseren soorten zoals de ransuil.
Door hun nachtelijke levenswijze blijven onze uilen meestal onder de radar en zijn ze niet zo gekend bij het brede publiek. Daarom werken we ook aan een mobiele, interactieve tentoonstelling over de uilen van de Vlaamse Ardennen. Zo bereikt het project scholen, gemeenten en evenementen, en groeit de waardering voor deze bijzondere vogels bij een breder publiek. De tentoonstelling zal voor het eerst te bezichtigen zijn op de Vlaamse Ardennendag 2026 op zondag 26 april op de Provinciale Erfgoedsite van Ename.
Ook de MMMuilkes zorgen voor extra draagvlak voor onze uilen. Met dit nieuwe streekproduct komt er, tien jaar na het succes van het Steenuilke-bier, een smakelijke opvolger – dit keer in pralinevorm. Deze ambachtelijke pralines, ontwikkeld in samenwerking met Miss Vanilla uit Oudenaarde, zijn vervaardigd met streekproducten. Een deel van de opbrengst gaat naar de bescherming van deze uilensoorten en de versterking van de vrijwilligerswerking. MMMuilkes zijn te koop via de webwinkel van Miss Vanilla: www.missvanilla.be/Menu. In de nabije toekomst zullen de MMMuilkes ook op andere verkooppunten in de regio beschikbaar zijn.
Het Uilenspiegelproject steunt op een nauwe samenwerking met vele partners, maar is vooral mogelijk dankzij de enthousiaste inzet van tientallen vrijwilligers die zich belangeloos inzetten voor de uilen van onze streek. Wil jij je ook engageren om één of meerdere nestkasten op te volgen samen met andere vrijwilligers, of wil je meewerken aan het inventariseren van de uilen met de audiomoths? Meld je dan aan via het online formulier op www.rlvad.be/uilenspiegel. Samen kunnen we onze uilen de wind onder de vleugels geven!
Dit project is medegefinancierd door de Europese Unie, de Vlaamse overheid en de provincie Oost-Vlaanderen binnen het plattelandsprogramma LEADER.
Over Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen tot Dender (RLVAD)
RLVAD vzw werkt samen met gemeenten, provincie, middenveldorganisaties, overheden en inwoners om het landschap van de Vlaamse Ardennen tot de Dender te versterken. De werking steunt op twee domeinen: bouwen en beheren van het landschap, met terreinacties zoals aanleg en herstel van houtkanten en poelen, groepsaankoop streekeigen bomen en planten, …
beleven van het landschap, via trage wegen, natuurspeelzones en educatieve initiatieven die bewoners dichter bij hun omgeving brengen. Biodiversiteit vormt de rode draad doorheen beide domeinen. RLVAD zet sterk in op soortenbescherming, van uilen en akkervogels tot amfibieën en vleermuizen, door bijkomende leefgebieden te ontwikkelen en te herstellen. Met 14 medewerkers en 20 gemeenten in haar werkingsgebied bouwt RLVAD elke dag aan een wijs landschap met veerkracht.
We hebben het in Meander al meerdere keren gehad over het shifting baseline syndrome waarbij mensen gewend zijn geraakt aan verarmde natuur. “Omdat we ons de massa aan ander leven niet herinneren, nemen we aan dat de uitgedunde aantallen die we kennen normaal zijn.” Anderen spreken van landschapspijn of natuuramnesie. Niet alleen zeldzame soorten leggen het loodje. Wat ooit gewoon was, wordt steeds zeldzamer en omdat we het nooit meemaakten, dreigen we ook te vergeten hoe overvloedig al het andere leven niet eens zo lang geleden was. Journaliste en auteur Tine Hens dook in haar eigen natuurgeheugen en schreef een boek over de planten, dieren en natuurfenomenen die op het punt staan te verdwijnen. In ‘Archief van mogelijk verlies’ vertelt ze in twaalf hoofdstukken, in een mengeling van fictie en non-fictie, over gletsjers, kieviten, palingen, korenbloemen, spreeuwen (en vogelvangers), olmen, vroedmeesterpadden, sneeuw (en handelaars in kunstsneeuw), duisternis (en de tevergeefse strijd om een straatlamp voor haar deur kwijt te geraken), stilte, vuurvliegen (en verzet) … Ze zoekt in haar boek naar antwoorden op vragen als: wat doet dat verlies met onze natuurbeleving? En wat is er nodig voor herstel? Uit het boek spreekt verdriet en verwondering en het roept op tot actie. Maar het voedt vooral de liefde voor het leven dat ons omringt. Dat is ook de taak van Natuurpunt.
Componiste Ellen Jacobs maakte op basis van de geluiden die bij de twaalf hoofdstukken horen, een unieke soundtrack en het boek is geïllustreerd met houtsneden van illustrator Jan De Kinder
“Dit boek is een recept
voor verwondering en een
dam tegen geheugenverlies.
Het voedt de liefde voor
het leven dat ons omringt.”
Archief van een mogelijk verlies, Tine Hens. Uitgeverij ISBN 9789462675445, € 29,90
Het is ondertussen genoegzaam bekend dat de landbouw de voornaamste oorzaak is van de achteruitgang van de biodiversiteit. Het massale gebruik van pesticiden speelt daarbij een belangrijke rol. Pesticiden zijn niet alleen terug te vinden in de bodem, het grond- en oppervlaktewater, maar ook in de lucht.
Bij onderzoek1 in Europa werden in totaal 58 pesticiden waargenomen in de atmosfeer. Op basis van de concentraties in de vrije troposfeer, dat is de onderste laag van de atmosfeer, en op locaties in het Noordpoolgebied werden daarbij 22 pesticiden geïdentificeerd die vatbaar zijn voor langeafstandstransport in de atmosfeer. Daarbij waren er 15 stoffen die zijn goedgekeurd voor gebruik in de landbouw in Europa, maar ook 7 verboden stoffen. Opvallend is dat vanwege zijn persistentie atrazine in de lucht blijft circuleren, zelfs 25 jaar na het verbod in Europa. Het potentiële risico voor het milieu en de menselijke gezondheid blijkt ook uit het feit dat van de pesticiden die zijn aangemerkt als vatbaar voor transport op lange afstand er 2 kankerverwekkend zijn, 6 genotoxisch, 10 hormoonontregelend en 9 schadelijk voor voortplanting of nageslacht. De wetenschappers wijzen erop dat het atmosferische transport en de persistentie van pesticiden zijn onderschat en dat de risicobeoordeling ervan moet worden verbeterd.
Ook naar pesticiden in de waterdruppels in de wolken deed men onderzoek. Op de top van de Puy de Dôme in de Auvergne (Frankrijk) hebben wetenschappers gedurende twee jaar en in verschillende seizoenen letterlijk wolken ‘opgezogen’ met behulp van een apparaat dat het water uit de wolken kan opvangen. De resultaten2 tonen de aanwezigheid aan van tweeëndertig stoffen, waaronder herbiciden, insecticiden, fungiciden, additieven, biociden en hun transformatieproducten. De helft van de monsters vertoonde bovendien totale concentraties van pesticiden die hoger waren dan de Europese normen voor drinkwater. Volgens schattingen van de onderzoekers zouden de wolken op lage en gemiddelde hoogte boven Frankrijk tussen de zes en honderdveertig ton pesticiden kunnen bevatten.
Sommige van de pesticiden die in de wolken zijn aangetroffen, zijn niet meer toegestaan in Europa. Dit betekent dat pesticiden vanuit landen waar ze nog steeds worden gebruikt en zijn toegestaan, in de atmosfeer en in de wolken terecht kunnen komen. Ook deze resultaten lijken dus te bevestigen dat pesticiden over lange afstanden door de atmosfeer worden getransporteerd. Bovendien zou er ook een verband kunnen bestaan met het gebruik van grondwater voor irrigatie in de land- en tuinbouw. De verontreiniging van het grondwater met verboden, maar persistente pesticiden is algemeen bekend en het feit dat deze door irrigatiepraktijken weer aan de oppervlakte komen, zou ook de verklaring kunnen zijn van hun aanwezigheid in de atmosfeer en in de wolken.
1 MAYER L. et al., (2024) – Widespread Pesticide Distribution in the European Atmosphere Questions their Degradability in Air – Environmental Science & Technology: 58(7), 3342-3352
Voor elke natuurminnende mens is de huidige klimaat aanpak een doorn in het oog. Zelfs de top in Belem, Brazilië, is niet hoopgevend. Feit is dat de impact van de klimaatverandering stiefmoederlijk wordt behandeld. Dit is zelfs eufemistisch uitgedrukt. Het gaat snel; de focus, de aandacht, de aanpak moet sterker, moet prioritair.
Maar hoe kan ik iets doen? Het is mij niet meer duidelijk met alle tegenwerkende, mist spuiende, verlammende lobbyisten en politici. In de krant ‘De Morgen’ van zaterdag 22 november betoogt Valerie Trouet: “De beste remedie tegen doemverhalen is meer actie”. Ik put daar even moed uit om dit spandoek dan maar op de afsluiting van mijn weide, naast mijn huis, op te hangen langs de bescheiden Slijpstraat. Ik wil deze graag ter beschikking stellen voor evenementen. Ieder die wil, kan dit spandoek tijdelijk gebruiken.
In ieder geval, het spandoek is klaar voor de Vlaamse Ardennendag 2026, 26 april in Ename.
En in het kader van meer actie neemt de milieu-klimaatraad van de stad Zottegem het initiatief om Wim Thierry (VUB) te vragen een voordracht te brengen rond ‘klimaatverandering en intergenerationele rechtvaardigheid’ in maart 2026. Wim Thierry is klimaatwetenschapper verbonden aan de VUB. Hij werkte mee aan 2 IPCC-rapporten (2019 en 2021). Hij ontwierp een website voor jongeren: MYCLIMATEFUTURE.INFO, waarmee zij de klimaatgevolgen voor zichzelf, waar ook ter wereld, kunnen volgen. Hij ontving de Arne Richter Award (2023) en de Scientific Award Climate Research (2024).
Maar bovenal, Wim spreekt door, zegt waar het op staat. De urgentie wordt niet geminimaliseerd.
Het natuurreservaat Paddenbroek in Kluisbergen wordt nu reeds iets meer dan 10 jaar officieel beheerd door Natuurpunt, en wie zegt beheren, zegt ook maaien en begrazen. In het begin, voor en ook kort nadat het gebied in 2013 de officiële titel van reservaat kreeg, werd gekozen voor het Oost-Vlaamse roodbont rund, afkomstig uit de kudde van Ename. Toen die wegvielen, kregen we de mogelijkheid om Galloways in te zetten op het terrein. Beide rassen met hun eigen typische graasgewoontes en ook karakter. De Galloways werden een drietal jaar geleden verkocht door de eigenaar, de begrazing viel stil, en we zagen het gebied stilaan dichtgroeien, nog verder verruigen en de pitrus rukte snel op daar waar de runderen veelvuldig liepen.
Tijd dus om op zoek te gaan naar iets nieuws en vooral lichters. Zo kwamen we in najaar 2023 in contact met Yves Meulenijzer van Greensheep uit Maarkeldal. Na meerdere terreinbezoeken, afrasteren en wegwerken van de laatste pijnpuntjes werden op 10 oktober van dit jaar de eerste schapen op het terrein geplaatst. Aanvankelijk werd gekozen voor drie rassen (Hebridean, Houtlander en Voskoppen), elk met hun eigen graaspatroon en ook lievelingsvoedsel. Dit plan was echter van korte duur, want door enkele incidenten met loslopende honden waren we genoodzaakt om enkel verder te doen met het Hebridean-ras. Forse kerels, die zich ondanks hun kleine gestalte niet zomaar laten doen. In plaats van in paniek weg te lopen van een hond, gaan die rustig op een afstand de boel in de gaten houden. Dit bleek, nu enkele weken later, ook de juiste keuze te zijn en verdere incidenten bleven uit. Al zal de sensibilisering via onze Facebookpagina (‘Vrienden van het Paddenbroek’ voor de geïnteresseerden) en artikeltjes in de gemeenteboekjes ook hun steentje bijgedragen hebben. Het ras is uitermate geschikt voor dit soort gebieden en vraagt heel weinig verzorging. Schuilmogelijkheden hebben ze eigenlijk niet nodig, maar ze krijgen de ‘observatiehut’ ter beschikking als stal. Zolang de waterstand het toelaat, en drinkwater beschikbaar is, zullen ze in het gebied blijven. Een korte winterpauze acht ik wel nodig, daar ik uit ervaring weet dat het gebied tijdens de wintermaanden weleens volledig durft onder te lopen. In het voorjaar, ergens midden april, worden ze dan opnieuw verwacht om ons klein, maar rijk reservaat te helpen beheren.
Onze kudde werd gevormd door 3 afzonderlijke groepjes bokken samen te zetten. Een nieuwe leider werd gekozen door de kudde, en ja, het kon er soms hevig aan toe gaan. Niettegenstaande ze nog maar twee maanden in het gebied vertoeven, zijn er wel al enkele zaken op te merken. De grenzen van hun nieuwe koninkrijk, ’t is te zeggen de afrastering, werden volledig door hen in kaart gebracht en wat me daarbij vooral opviel, is dat alles, maar dan ook alles, tot op 1 één meter van de draad vakkundig afgegraasd werd. Netels, bramen en jonge boompjes moesten eraan geloven, wat voor mij al aangeeft wat ze voor de rest van het gebied zullen kunnen betekenen, ook in hoekjes waar de runderen weinig tot niet kwamen. Afhankelijk van de begrazingsdruk zullen gedurende het jaar schapen bijgezet en/of weggehaald worden. Dit alles door een nauwe opvolging en snelle reactie van Yves samen met het beheerteam. De bedoeling is namelijk om het gebied weer open te krijgen, weliswaar niet over de totale oppervlakte. Want waar we met de runderen kozen om het volledige gebied te begrazen, zal dit nu beperkt zijn tot iets meer dan 2 ha, ook om praktische redenen. Voor de andere stukken krijgen we sinds een tweetal jaar hulp van onze bever. Door ze lang in het gebied te houden, gaan we met korte vegetatie de winter in. Dit, in combinatie met een iets verhoogde waterstand geregeld via de kantelsluis, zorgde enkele jaren geleden voor iets wat ik al sinds mijn jeugdjaren niet meer gezien had: tot wel 300 watersnippen! Elke stap deed er wel enkele opvliegen. Daar wordt een mens gelukkig van.
Grazers doen niet alleen heel nuttig werk, maar zorgen ook voor extra natuurbeleving in het natuurreservaat. De schapen werden dan ook enthousiast verwelkomd door de vele fotografen en wandelaars. Op Facebook kregen we veel positieve berichtjes en de fotogenieke schapen haalden zelfs onmiddellijk het AVS–weerbericht.
Wil je ze zelf eens aan het werk zien, breng gerust een bezoekje aan het Paddenbroek. Er is altijd wel iets te zien, of gewoon om eens het kopje leeg te maken.
In maart 2016 werd Jurgen Couckuyt door de Vlinderstichting uitgeroepen tot vlinderbeheerder van het jaar. Jurgen Couckuyt beheert als vrijwilliger enkele reservaten van vzw Durme en is de uitvinder van het zogenaamde sinusbeheer, dat hij al minstens 15 jaar toepast in enkele reservaten. Het sinusbeheer kwam enkele maanden terug opnieuw in het nieuws, omdat er meer gericht onderzoek zal worden uitgevoerd naar een aantal aspecten ervan. Jurgen Couckuyt is ook een kenner van vlinders.
Bij sinusbeheer wordt niet alles gemaaid in één keer, zijn de overgangen tussen gemaaid en niet gemaaid niet recht maar gebogen (vandaar de naam), wordt er verschillende keren per jaar gemaaid en blijft er een deel niet gemaaid.
Het resultaat is een vegetatie waarin alle stadia van gemaaid tot niet gemaaid naast elkaar voorkomen, waardoor voedselaanbod beschikbaar blijft voor zowel volwassen vlinders als rupsen en de nodige structuren voor het afzetten van eitjes en verpoppen. Waarschijnlijk is die structurele variatie belangrijker dan de gebogen lijnen.
Belangrijk is dat een niet gemaaid deel tot laat in het voorjaar van het volgende jaar behouden blijft om overwinterende eieren, larven, rupsen, poppen, … toe te laten om de winter door te komen. In het ideale geval is er een niet gemaaid stuk tot drie jaar aanwezig. Dergelijk beheer is niet alleen voor vlinders, maar voor alle insecten en ongewervelden belangrijk, dus ook voor wilde bijen, sprinkhanen, wantsen, cicaden, spinnen, enz. De desastreuze gevolgen van het traditionele maaibeheer (waarbij het volledige perceel gemaaid wordt, met een eerste maaibeurt na eind juni en een tweede half september) op ongewervelden zijn al minstens 50 jaar bekend. Wanneer na de eerste maaibeurt een nog intensiever ritme toegestaan wordt, leidt dit onvermijdelijk tot een achteruitgang van zowel planten als dieren.
Ook voor planten is het traditionele maaibeheer weinig optimaal, wat o.a. blijkt bij het maaien van wegbermen volgens het bermbesluit. Op veel plaatsen verdwijnen soorten die niet in dit schema passen: in veel gevallen is dit voor een soort als rapunzelklokje en weideklokje een ramp. Dat dit maaibeheer steeds meer in vraag gesteld wordt, is dus een goede zaak.
Niet alleen de frequentie, maar ook de wijze waarop gemaaid wordt, is belangrijk voor de overleving van ongewervelden, jonge vogels en kleine zoogdieren. Het verschil tussen een maaibalk met een breedte van ongeveer een meter, getrokken door een paard of een ‘massey-fergusonke’ met 11 pk aan maximaal 5 km per uur, en een cirkelmaaier van 3 tot 9 m, aan een snelheid van minstens 10 km per uur maakt de kans om te ontsnappen voor veel organismen wel zeer klein. En dat zelfs met een maaibalk met een breedte van 1 m en een snelheid van 1 tot 2 km per uur slachtoffers gemaakt worden, mochten we zelf ondervinden toen we lang geleden voor de eerste keer de blekerij in Zeveren probeerden te maaien. De maaibalk gaf de geest, maar vooraleer het zover was, hadden vele kikkers één of meer achterpoten verloren.
Een bijkomend voordeel van het gefaseerd maaien, ligt in het feit dat het prooiaanbod voor predatoren en aaseters meer gespreid wordt in de tijd. Er is niet zoiets als een week van overvloed na het grootschalig maaien en daarna de broeksriem (als dat al geldt voor predatoren) aanhalen.
Een kritiek op het sinusbeheer ligt/lag erin dat het op grote oppervlakten niet toepasbaar is. Maar wat belet ons om ook in grote gebieden eens anders te gaan maaien? Het zou geen probleem mogen zijn om een tractor met een cirkelmaaier van maximaal 4 m (een kortere maaibalk zou natuurlijk nog beter zijn) drie of vier keer per jaar traag en ‘schots en scheef’ door een perceel te laten rijden. Er zijn dan veel meer vlucht- en ontwijkingsmogelijkheden voor ongewervelden, kikkers en padden en kleine zoogdieren. En mits voldoende ‘schots en scheef’ maaien, zullen er altijd niet gemaaide stukken overblijven die schuilplaats bieden aan organismen. Het vraagt natuurlijk enige omslag in het denken over beheer: in de natuur zijn rechte lijnen eerder een uitzondering dan een regel.
Eigenlijk wordt met sinusbeheer een soort extensief graasbeheer nagebootst. Zeer extensief jaarrond begraasde, niet te voedselrijke tot schrale graslanden behoren niet tot de ‘baseline’ van onze generatie natuurbeschermers. We hebben wel nog de soortenrijke natte graslanden gekend die éénmaal per jaar gemaaid werden (meestal pas in de tweede helft van juli), waarna in goede jaren nabeweiding volgde. In natte jaren bleven vele graslanden niet gemaaid en niet beweid, wat voor veel vogels (o.a. kwartelkoning, roodborsttapuit en paapje) een goede zaak was.
In Oost-Duitsland is zeer extensieve beweiding op grote oppervlakten ingesteld in een aantal voormalige militaire domeinen die na de eenmaking hun functie verloren en nu als natuurgebied worden gebruikt.
Het beeld is werkelijk indrukwekkend en de begroeiing varieert van kaal tot verruigd. Het beeld van bloeiende ratelaars naast kaalgevreten grasland, verspreide kleine stengels hondsroos met paapjes erop, dode stengels van distels van voorgaande jaren, grote oppervlakten bloeiend gras, ertussen runderen en paarden, schaarse meidoorns, al dan niet beschadigd door de grazers, grauwe klauwieren, we hebben het nooit gekend en het blijft verwonderen.
Nog verder naar het oosten zijn nog zeer extensieve gebruiksvormen zoals het hoeden van ganzen en koeien bekend. Die landen (o.a. Albanië, Servië, Roemenië, …) zijn gekend voor de zeer rijke vlinderfauna, die spijtig genoeg in snel tempo verdwijnt door de ook hier toenemende intensivering van de landbouw en het opkopen van landbouwgronden door de agrarische industrie.
Wat ook de wijze is waarop beheerd wordt, het zal nooit goed zijn voor iedere soort. Voor rupsen die overdag laag in de vegetatie verblijven, wordt best niet te kort gemaaid en voor veel soorten is een pollenstructuur essentieel. Voor sprinkhanen en wilde bijen die kale bodem nodig hebben, wordt dan beter diep gemaaid, met bodemverstoring als neveneffect. Voor veel plantensoorten bieden kale plekken kiemplaatsen. Voor weidemieren is maaien een ramp: ook in traditionele hooilanden ontbreken de hopen of zijn ze alleen in de perceelscheidingen te vinden.
Voorbeeld van maaien zonder vastgelegde route. De drie maaibeurten (geel, groen en roze) kunnen in willekeurige volgorde uitgevoerd worden, met een tussenperiode van bv. 6 weken. Zoals uit de figuur blijkt, zijn er niet gemaaide stukken (wit), eenmaal (1 kleur), tweemaal (2 overlappende kleuren) en driemaal gemaaide (3 overlappende kleuren) stukken.
Voor dagvlinders zie de literatuur bij het artikel over de koninginnenpage in vorige meander.
Voor sinusbeheer is de volgende website een goed uitgangspunt:
De andere artikelen geven een idee van toepassing in verschillende situaties. In een aantal gevallen is het sinusbeheer eerder een vorm van gefaseerd maaien, wat op zich al een grote vooruitgang is.
Gefaseerd maaien en strokenlandbouw komen ook aan bod in twee boeken over kiekendieven, nl.
De man op de dijk: Het grenzeloze verhaal van de grauwe kiekendief (2018)
Dwaalgast in het graan: de steppekiekendief in vier seizoenen (2020)
Voor de invloed van beheer op insecten is https://www.bestuivers.nl ook een goed uitgangspunt. Onder maaien is een korte bijdrage met aanbevelingen te vinden.
Voor sprinkhanen en de invloed van beheer op hun voorkomen zijn Die Heuschrecken Baden-Württembergs (1998) en Heuschrecken in Bayern (2003) echte basiswerken.
Voor wilde bijen zijn er recent twee kanjers van boeken bijgekomen, waarin veel gegevens over habitat voorkeuren en beheer:
Die Wildbienen Deutschlands door Paul Westrich (2019) en Wilde Bienen: Biologie, Lebensraumdynamik und Gefährdung. Artenporträts von über 510 Wildbienen Mitteleuropas door Heinz Wiesbauer (2023)
Een cynische column over de invloed van het traditioneel maaibeheer op weidevogels:
‘Hadden de reeën, hazen en fazanten maar de protocollen gelezen’ van Koos Dijksterhuis in Trouw. (19-06-2025)
In de natuurterreinen bij Paterswolde mag pas na 15 juni gemaaid worden. Maandag 16 gingen de maaiers meteen op pad. Dinsdag 17 werd het hooi gekeerd, met dieselwalm en machinegeronk. De verhakselde jonge haasjes, reeën en vogels trokken meteen een kwartet ooievaars aan. Twee blauwe reigers waren ook al present. Als het hooi straks wordt weggehaald, komen de kraaien, meeuwen, buizerds en torenvalken aan de beurt.
Het is mooi dat er later wordt gemaaid dan in de gangbare veehouderij, waar tegenwoordig soms eind maart al de cyclomaaiers rauzen. Negen meter breed wordt de boel met de snelheid van een fatbike geschoren. Van buiten naar binnen in steeds kleinere rechthoeken, waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Er leven dan ook weinig dieren in zo’n weiland, maar in de verwilderde en onbemeste velden bij Paterswolde zijn die er des te meer.
Hadden de reeën, hazen, fazanten, veldleeuweriken en graspiepers de draaiboeken, protocollen, reddingsplannen, convenanten, natuurdoeltypen, verordeningen en notulen maar gelezen. Niet voor 15 juni maaien, het staat er toch? Wegwezen dus!
Wacht toch met maaien tot augustus
Gelukkig kan zelfs de moderne machinerie niet alles in één klap wegvagen. Ik wandelde naar de nog onaangeroerde velden. Die liggen tussen sloten met riet en lisdodden en variëren van ruige, hoge vegetatie tot lage, dun begroeide stukken. Vogels kunnen er schuilen, broeden, eten, drinken, water- en stofbaden nemen.
Drie kwartier stond ik over zo’n veld te staren. Wat een leven bleek er te zijn! Er zongen veldleeuweriken, bezig met hun tweede of beginnend aan hun derde leg, er zong een sprinkhaanzanger, er zong zelfs een bosrietzanger. Vanuit de planten stegen kneuen op, rietgorzen, grasmussen, gele kwikstaarten en een blauwborstje. In een wilgenbosje scharrelde een familie roodborsttapuit. Een gezin graspiepers deed vliegoefeningen. Eén jong piepertje fladderde in verticale houding met een aandoenlijk kort staartje zo dichtbij, dat ik hem had kunnen pakken. Hij botste bijna tegen me op, ik stapte gauw opzij, en hij snorde over riet en rietgras terug naar zijn ouders. Hopelijk wordt niet voor de zomer alles weggemaaid.
Een dikke 28 jaar geleden kocht Natuurpunt Ronse enkele weilanden aan in de ‘Pyreneeën’, een wijk aan de rand van Ronse. De naam verwijst naar een café met een rolschaatspiste dat ‘De Pyreneeën’ heette.
De weilanden werden jarenlang gebruikt door een plaatselijke landbouwer, die ze dus ook regelmatig bemestte. Er werd beslist om deze weiden niet te bebossen, maar om te zetten naar schraal, bloemenrijk grasland. In samenwerking met Carlos D’Haeseleer, een consulent van Natuurpunt, werd een beheerplan opgesteld, en vol goede moed begonnen we aan het verarmen van de gronden. De vorige pachter bleef instaan voor het hooibeheer met respect voor de richtlijnen van het beheerplan. Twee keer per jaar werden de weiden gemaaid en als vergoeding kreeg de landbouwer het hooi en ontving hij een symbolische vergoeding, waardoor de pachtwet niet van toepassing was.
Natuurpunt Ronse zorgde daarnaast voor het aanplanten van een gemengde haag van sleedoorn en meidoorn, aangevuld met enkele eiken, elzen en esdoorns. Het overtollige plantgoed werd in de Bovenweide-West gebruikt om een scherm aan te leggen, zodat de weide in drie grote stukken kon worden opgesplitst. Oorspronkelijk werd er gekozen voor begrazing, maar na één jaar moesten we dit stopzetten, omdat de koeien teveel schade aanrichtten aan de jonge haag.
Eind 2024 begonnen enkele mensen binnen Natuurpint Ronse te twijfelen of het beheer wel het gewenste effect had. Sommigen stelden zelfs voor om het gebied alsnog te bebossen. Om helemaal zeker te zijn dat we sowieso de juiste beslissing zouden nemen, nodigden wij David Claeys-Bouuaert uit om samen met ons te kijken waar het eventueel was misgelopen. Tot onze grote verbazing kregen wij te horen: “ge zijt gulder goe bezig”. Pardon? Goed bezig? En ja hoor, blijkbaar wel.
Er bleken al verschillende kale plekken te ontstaan en de grasmat was minder dicht, wat het kiemen van verschillende (nieuwe) planten vergemakkelijkte. Raaigras en witbol waren vrijwel al verdwenen en maakten plaats voor reukgras en vossenstaart. Grote pollen knoopkruid waren aanwezig, net als rolklaver en een soort havikskruid (dicht of muurhavikskruid). Allemaal mooie soorten die wijzen op een verbetering!
Gesterkt door de opmerkingen van David en de aanwezigheid van deze plantjes, hebben we besloten om het beheer verder te zetten en het beheer nog iets gerichter aan te pakken. Elk jaar zal een ander deel van dit weiland minder, heel laat of zelfs helemaal niet gemaaid worden.
Op 18 november bezocht ik samen met Philippe Moreaux deze weide om te bepalen welk perceel in 2026 niet gemaaid wordt. Op de terugweg werd onze aandacht getrokken door enkele felgroene/felgele, vettig glanzende paddenstoeltjes: wasplaten!! De orchideeën onder de paddenstoelen en typische bewoners van schraal grasland. En niet zomaar de meer frequent voorkomende zwartwordende wasplaat, wel het zeldzamere papegaaizwammetje.
Zo blijkt maar weer dat ook in natuurherstel geduld een schone deugd is.
Tijdens de Nacht van de Duisternis, op zaterdag 11 oktober, trokken buurtbewoners en geïnteresseerden er in Zegelsem (Brakel) op uit voor een bijzondere avondwandeling in het pikkedonker. De Provincie Oost-Vlaanderen en Natuurpunt Vlaamse Ardennen plus wilden ermee aantonen hoe waardevol duisternis is voor mens en natuur.
Wandelen in de duisternis
De duisterniswandeling was voor velen een verrassende ervaring. Wandelen zonder kunstlicht scherpt de zintuigen aan en biedt een unieke kijk op de omgeving. De tocht vertrok aan het Faunahuis, waar bezoekers meteen ook een blik konden werpen op de nieuwe demonstratieverlichting. Die toont niet alleen hoe het niet moet, maar vooral hoe het wél kan: gericht, gedimd en met aangepaste kleurtemperaturen die de natuurlijke omgeving zo min mogelijk verstoren.
Nachtverlichting is mooi, maar niet zonder gevolgen
Hoewel verlichting vaak als vanzelfsprekend wordt gezien, toont steeds meer onderzoek aan dat nachtelijk kunstlicht een schaduwzijde heeft. Het verstoort onze biologische klok en belemmert de slaap. Ook dieren ondervinden hinder. Glimwormen raken hun weg kwijt, vleermuizen vermijden verlichte vliegroutes en nachtvlinders en planten raken in de war door continue belichting.
Bewust kiezen en slim verlichten
De beste verlichting voor mens en natuur is simpelweg géén verlichting. Is het toch nodig? Bekijk verlichting dan met een kritische blik: verlicht enkel waar en wanneer het nodig is, vermijd overbelichting en gebruik aangepaste kleuren zoals amber of rood. Dat kan je zien bij de nieuwe demonstratieverlichting aan het Faunahuis. Die is er gekomen dankzij een mooie samenwerking en financiële steun van de Provincie Oost-Vlaanderen.
Belangrijke rol voor lokale besturen
De komende jaren schakelen steden en gemeenten over op ledverlichting op straat. Het is een uitgelezen kans om stil te staan bij het soort verlichting en om kosten te besparen.
De vijf Vlaamse provincies willen gemeenten daarbij inspireren met een gids over verlichting. Samen met de duisternisbehoeftekaart, die aangeeft welke gebieden ecologisch het meest nood hebben aan duisternis, wil die gids gemeenten helpen om keuzes te maken qua verlichting per wijk en straat. Er moet natuurlijk altijd gezocht worden naar een goed evenwicht tussen licht en donker: mensen moeten zich veilig voelen op straat en in het verkeer en er moet aandacht zijn voor de natuur. Je moet dus echt gemeente per gemeente en straat per straat aan de slag