Voor wie zich soms zorgen maakt over de toekomst is er goed nieuws, want we leven in de best mogelijke tijd ooit – en alles zal nog beter worden – toch als je Maarten Boudry mag geloven: “Milieuvervuiling en ontbossing dalen al decennia, hongersnoden zijn bijna verleden tijd”, al spreken krantenkoppen als ‘Recordaantal mensen leed honger in 2024 (DM, 17-05-2025) dat enigszins tegen. Bovendien “Zelfs voor dat opwarmende klimaat ontwikkelen we volop oplossingen” en “Indirect faciliteert groei ook morele vooruitgang. Geef die groei nog een paar decennia en we kunnen al het overblijvende leed van mensen en dieren lenigen.”
Voorwaarde is dan wel dat we die vooruitgang ook willen, en daar loopt het volgens hem tegenwoordig fout want de huidige westerse (afvallige) ‘progressieven’ houden de vooruitgang tegen. Het beloofde land is nabij, maar Greta Thurnberg en Anuna De Wever gunnen het ons niet met hun theorieën over degrowth: “Zelfverklaarde progressieven gaan de straat op voor achteruitgang en collectieve verarming.”
Het boek bestaat uit 5 hoofdstukken waarvan er een aantal voor Meander niet relevant zijn. Het hoofdstuk ‘De groene aanval op de moderniteit. Hoe progressieven zich afkeerden van groei en welvaart’ leunt meer aan bij onze interesse. Daarin onder andere een historisch overzicht van hoe volgens Boudry het vroegere progressieve, linkse denken sinds het begin van de vorige eeuw omgeslagen is. Daardoor zijn de huidige ‘progressieven’ tegen de (materiële) vooruitgang, daar waar een eeuw geleden het vooral de conservatieven waren die afkerig stonden tegen vooruitgang en verandering uit vrees voor hun positie. Boudry besteedt in het historisch overzicht onder andere aandacht aan publicaties zoals Silent Spring (Rachel Carson), het rapport van de Club van Rome, het boek Small is beautifull (Schumacher) en stelt: “Het beeld van milieuvervuiling als een zaak van gewetenloze kapitalisten die zichzelf verrijken ten koste van de natuur kreeg langzaamaan gestalte.”
In het boek passeren een aantal religies de revue, maar het geloof in de technologische vooruitgang lijkt bijna zelf een religie. Een religie die voor iedereen een nagenoeg ongebreidelde welvaart belooft, met als stuwende motor de economische groei en met als voorwaarde een onvoorwaardelijk geloof in de vooruitgang, enkel op die manier is het beloofde land in zicht. De structurele ongelijkheden, ecologische grenzen en irrationele krachten die deze moderniteit zelf voortbrengt, worden grotendeels genegeerd
Volgens Boudry is groei ook goed voor de natuur, ook in de landbouw, want “de oogsten per hectare stijgen nog steeds elk jaar, waardoor we steeds minder natuur hoeven in te palmen.” Nergens in het boek wordt duidelijk wat Boudry met natuur bedoelt, en over de desastreuze invloed van het hedendaagse landbouwsysteem op de gezondheid, natuur en biodiversiteit rept hij met geen woord. Voor Boudry “stellen moderne gewasbeschermingsmiddelen nauwelijks een probleem voor de volksgezondheid, omdat ze snel worden afgebroken en omdat de aanwezige restanten ver onder de superveilige drempels van voedselagentschappen liggen.” Ondertussen is in Frankrijk de ziekte van Parkinson erkend als beroepsziekte bij landbouwers en toonde recent onderzoek aan dat glyfosaat kankerverwekkend is bij ratten. Bovendien zijn er tientallen studies die de pesticiden aanwijzen als één van de voornaamste redenen van de achteruitgang van de biodiversiteit. Die literatuur schijnt Boudry ofwel niet te kennen, ofwel bewust te negeren.
Voor de schrijver lijken er twee soorten wetenschappers te bestaan. Je hebt enerzijds de ‘nuttige’, die onderzoek doen in functie van de vooruitgang en bv. nieuwe gewassen of gewasbeschermingsmiddelen ontwikkelen. Daartegenover staan de vervuilers van het eigen nest, die onder andere onderzoek doen naar de mogelijke gevolgen van deze producten en menen ons zo nu en dan te moeten waarschuwen voor de mogelijke gevaren voor mens en natuur. “De meeste academici zijn nu eenmaal eerder links, en net zoals vele linkse mensen zijn ze argwanend over het hele idee van vooruitgang.” Het is een zin die zo uit de mond van Trump, of Bart De Wever, had kunnen komen.
Boudry loopt ook niet hoog op met het voorzorgsprincipe: “We moeten eindelijk het conservatieve voorzorgsbeginsel begraven.” Het zet een rem op technologische innovatie en bovendien “is het nagenoeg onmogelijk om ooit met zekerheid te bewijzen dat iets veilig is”, wat flagrant in tegenstelling is met zijn vorige stelling dat alles veilig is (?). Anderzijds zegt hij dan weer dat “hoe krachtiger en beloftevoller de technologie, hoe groter de potentiële risico’s. Hals over kop vooruit rennen is dan niet verstandig.”
Waar Boudry wel gelijk heeft, is als hij onze Westerse hypocrisie tegenover de derde wereld aanklaagt: “Wie zijn wij, bosloze Europeanen, om tropische ontwikkelingslanden te vermanen dat ze hun oerwoud wel moeten laten staan.” Jammer genoeg verbindt hij daar niet de conclusie aan omhier voor meer natuur te pleiten. Boudry betoogt dat je de rijkdom van de armere landen niet verhoogt door zelf een kleiner deel van de bestaande taart te eten, maar door de hele taart te vergroten, waardoor je natuurlijk meteen je eigen stuk nog kan vergroten. En volgens hem kan het, want de grondstoffen zijn onuitputbaar.
Als het over energie gaat, is Boudry een fervent voorstander van kernenergie als enige haalbare schone energie. Kernafval is daarbij geen probleem, want “kernafval is minuscuul in omvang, supermakkelijk om veilig te bewaren, en heeft nog nooit een vlieg kwaad gedaan.” Hoe het kernafval dan wel moet worden opgeslagen, wordt niet uitgelegd. Na decennia onderzoek is daar dan ook nog steeds geen oplossing voor. Ter herinnering: kernafval blijft langdurig radioactief en gevaarlijk, variërend van honderden tot honderdduizenden jaren, afhankelijk van de samenstelling en de halveringstijd van de radioactieve stoffen.
Over mensen die kritiek hebben op het huidige systeem merkt Boudry schamper op dat ze “bijten in de hand die ze voedt”. Ze profiteren van het systeem waar ze tegelijk kritiek op hebben: “Degrowth is een luchtkasteel van witte westerlingen die zo vervreemd zijn van hun eigen welvaart dat ze hun westerse decadentie aan de rest van de wereld willen opdringen.” Blijkbaar is iedereen die het huidige systeem in vraag durft te stellen een verwend nest. Soms verdenk je hem ervan dat hij vindt dat die mensen hier dan ook maar moeten ophoepelen; niet toevallig pleit hij ook voor een streng migratiebeleid. En over verwend gesproken: enkel “omdat we een aantal paradepaardjes van de vooruitgang hebben afgeslankt”, zijn “er nog steeds geen vakanties naar de maan”, stel je voor!
Als je met een luxueuze bus zonder remmen een berg afdondert, kan je hopen dat de chauffeur vindingrijk genoeg is om er iets op te vinden. Doorgaans is dat enkel in actiefilms het geval, maar misschien waant Boudry zich wel Superman die uiteindelijk, Clark Kent-gewijs, vuist vooruit, de chauffeur heldhaftig tegemoetvliegt? En als het niet lukt? Jammer, volgende keer beter.
Karikaturaal? Inderdaad, maar dat is het boek op veel punten ook …
Het verraad van de verlichting, Maarten Boudry, 2025, Prometheus, ISBN 978 90 445 54356, € 27,5
In 2020 schreef ik voor het eerst een verslag van mijn ‘thuishokproject’. Nu – vijf jaar later – is het tijd voor een update. Het hok in kwestie is de vierkante kilometer (ook kwartierhok genoemd) met de ifbl-coördinaten[1] D2 58 11 in Nazareth. Ik woon min of meer in het midden van dit kwartierhok – vandaar dat ik het mijn thuishok noem – op een oud boerenerf met ongeveer 2500 m² wilde tuin eromheen en een biologische groentetuin. Daarrond liggen weilanden en maisakkers. De toegangsweg is een 350 meter lange, onverharde weg met aan weerszijden grachten, oude bomen en knotwilgen, die uitkomt op de provinciale weg (A35) die Deinze met Gavere verbindt. Van de A35 ligt ongeveer 300 m in het hok. Verder gaat het om een kleine 3 km gemeentelijke wegen. In totaal valt er ongeveer 8 km wegberm te bekijken. Er loopt ook 1 km van de Leebeek door het hok en er zijn heel veel grachten, enkele houtkanten en een hectare privé bos. Ik schat de totale oppervlakte aan landbouwgrond op ongeveer 90%. Een twintigtal huizen met hun bijbehorende tuinen maakt het plaatje volledig.
Het project bestaat erin dat ik elke vijf jaar het hele jaar door alle hoekjes en kantjes van die vierkante kilometer uitkam, op zoek naar planten. In 2009, toen ik dit voor het eerst grondig deed, resulteerde dit in een lijst van 220 plantennamen. In 2020 waren het er 306 en in 2025 zelfs 330. Tijdens de tussenliggende jaren noteer ik enkel de nieuwkomers die ik toevallig opmerk. Intussen staat de teller van wilde en verwilderde plantensoorten die de voorbije 36 jaar in mijn thuishok opgedoken zijn (en die ik op naam kon brengen) op 418. Uiteraard staan deze er niet elk jaar allemaal. Dat komen en gaan is nu net wat het interessant maakt en als het enigszins mogelijk is, probeer ik ook de oorzaken te achterhalen van de waargenomen veranderingen. Dat laatste is niet altijd even eenvoudig en meer dan eens blijft dit beperkt tot het maken van een logische redenering die wellicht het verdwijnen of verschijnen van een soort verklaart.
Er worden in tuincentra steeds meer plantensoorten aangeboden, onder de vorm van plantgoed en/of zaden. Het is dan ook logisch dat er steeds nieuwe soorten verwilderen en in mijn thuishok opduiken. Eén hiervan is glanzige ooievaarsbek, een fraaie eenjarige met blinkende blaadjes die in 2023 voor het eerst aan het begin van mijn oprit opdook en dit sindsdien ook doet in de berm langs de tuin van de buren. Nochtans zie ik dit plantje nergens in de omgeving in een tuin groeien. De kans is reëel dat er na een stadsexcursie in Gent zaden aan mijn wandelschoenen zijn blijven plakken en dat ik die ooievaarsbekjes dus onbewust zelf heb ‘gezaaid’ nadat ik uit de auto was gestapt bij mijn terugkeer.
Grote maagdenpalm vond ik langs een gracht tussen een akker en enkele aaneengesloten tuinen. Deze plant was hoogstwaarschijnlijk uit een van die tuinen ontsnapt. Brede lathyrus is eveneens nieuw op mijn lijstje. Deze vlinderbloemige klimplant slingerde zich omhoog langs een hek rond een voormalig parkeerterrein, tot hij door een overijverige buur bij de lurven werd gegrepen en in de groene vuilnisbak verdween. Brede lathyrus profiteert van het warmer wordende klimaat en is zich het voorbije decennium heel snel aan het inburgeren.
Andere tuinvlieders zijn dan weer verdwenen, onder anderen tuinjudaspenning, Marokkaanse leeuwenbek, witte trompettabak en tripmadam. De eerste twee groeiden in een smal stukje wegberm naast een met betonplaten ommuurde hoeve waar de laatste jaren permanent auto’s geparkeerd staan, in tegenstelling tot vroeger. De witte trompettabak is een éénjarige plant die zich in een gracht had genesteld, tussen grassen en brandnetels. Er was bijgevolg weinig kans dat hij zich nog eens zou weten uit te zaaien.
Watermuur
De verdwijning van de tripmadam – een vetplantje met langwerpige ronde blaadjes – is onderdeel van een ander verhaal. Deze plant groeide al ruim dertig jaar in een berm tussen de rijweg van de A35 en het bijbehorende fietspad, in het gezelschap van zomeranjer, een andere tuinvlieder. De rest van die berm was begroeid met een kleurige gemeenschap van onder meer klein vogelpootje, kleine klaver en liggende klaver. De opeenvolging van schrale, droge voorjaren en zomerse hittegolven van de voorbije jaren, gecombineerd met het onnodig maaien van de verschraalde bermvegetatie in juni én in oktober, heeft deze vegetatie ernstig verstoord. Het extreem natte jaar 2024 was hierop weliswaar een uitzondering, maar dat heeft het tij niet gekeerd. Niet alleen de tripmadam is verdwenen, maar ook de liggende klaver. Van klein vogelpootje vond ik op die plek nog enkele ijle plantjes terug en de zomeranjer liet pas in oktober van dit jaar enkele jonge scheutjes zien. Er groeit nu vooral duinsterretje, een mosje dat algemeen is in de duinen en er ontkiemt steeds meer hertshoornweegbree. Het winterse strooizout, waar ondanks het zeer beperkt aantal vorst- en sneeuwdagen nog steeds uitbundig mee gestrooid wordt, heeft wellicht dus ook een bijdrage geleverd aan het verdwijnen van een fleurige bermvegetatie.
Nu we toch bij de pekelflora beland zijn: in de berm aan de overzijde van diezelfde N35 dook in 2020 duinfakkelgras op. Het jaar daarop stond dit sierlijke grasje er nog steeds. In 2022 werd de wegberm echter grotendeels afgeschraapt, met duinfakkelgras en al.
Op een van die kaal geschraapte plekken kwam in 2024 een oude bekende nog eens aan de oppervlakte, namelijk grote windhalm. Dit slanke gras groeide vroeger overvloedig in graanakkers, waar je zijn bloeipluimen boven het graan zag uitsteken, maar was sinds 2011 verdwenen (en niet alleen uit mijn thuishok) met dank aan de betere zuivering van het zaaigraan. Zijn eenmalige verschijning op een tijdelijke pioniersplek leert ons dat er nog steeds een kiemkrachtige zaadbank van deze soort bestaat. Dit leidt tot de volgende vraag: moeten we een soort als verdwenen beschouwen als we hem enkele decennia lang nergens meer zien groeien of pas als de zaadbank van die soort zijn kiemkracht heeft verloren?
Een nieuwkomer in de bermen van de N35 is bleek vergeet-mij-nietje. Sinds 2021 is dit een vaste klant in het vroege voorjaar. Dit onopvallende plantje vestigt zich op de meest schrale plekjes, in het gezelschap van onder meer zandhoornbloem. Ook de opmars van dit vergeet-mij-nietje wordt wellicht ondersteund door het veranderende klimaat.
Bleekgele droogbloem is een uitgesproken warmte minnend plantje dat eveneens voor het eerst in mijn thuishok groeit. Ook teunisbloemen gedijen steeds beter en bloeien steeds vroeger naarmate de gemiddelde temperatuur stijgt. Resultaat: twee nieuwkomers van het geslacht Oenothera, namelijk grote teunisbloem en roodstengelteunisbloem, lieten zich bewonderen langs de bermen.
Klein liefdegras en stijf straatliefdegras, allebei afkomstig uit subtropisch Azië, groeiden sinds respectievelijk 2020 en 2023 tussen de kasseien van een oprit. Maar wegens verbouwingswerken aan het bijbehorende huis, werd die oprit grondig plat gesproeid. Exit liefdesgrasjes.
Herbiciden en biodiversiteit, het is sowieso een dubbelzinnig verhaal. In 2023 verscheen er een kleine populatie van gewone zandmuur op een gesproeid stukje berm. In 2024 was het al weer verdwenen. In 2025 ontdekte ik gewone spurrie aan de rand van een schapenwei, waar de vegetatie onder de elektrische afrastering was plat gespoten. Gewone spurrie is een akkeronkruid dat steeds minder algemeen wordt. De ongemakkelijke waarheid is dat het gebruik van herbiciden vaak een bijdrage levert aan de biodiversiteit, door het ontstaan of in stand houden van pioniersvegetaties. En toch pleit ik voor een totaalverbod op dat vreselijke spul, of toch minstens een verbod op het gebruik ervan door particulieren. Boeren houden zich ten minste nog aan een minimumdosering, terwijl de meeste mensen een tien- tot honderdvoudige dosis gebruiken om hun grindpaden en bermen ‘onkruid’vrij te houden. Herbiciden zijn overigens even bedreigend voor insecten als voor planten. Het zijn zenuwgiften die onder meer hun oriëntatievermogen ernstig verstoren.
In de categorie ‘onrustwekkende verdwijningen’ staat de teloorgang van een aantal waterplanten uit de Leebeek hoog genoteerd. Het gaat onder meer om blauwe waterereprijs, watermuur, gele waterkers, grote waterweegbree, klein kroos en kleine watereppe. Waar deze planten groeiden, staat nu enkel nog grote egelskop. Deze laatste is veel toleranter voor stikstofvervuiling dan de andere uit het lijstje, ook al kunnen deze zelf ook wel tegen een stootje wat eutrofiëring betreft.
Het wilgenstruweel langs de beek werd enkele jaren geleden grondig verwijderd waardoor er aan weerszijden enkele meters maïsakker bijkwamen. Gevolg: meer instroom van meststoffen uit de akkers. Ook aan de buitenrand van het struweel verdwenen enkele planten uit de brede, onregelmatige overgangszone naar de akkers, onder meer het redelijk zeldzame grasje bochtige smele. Sinds 2024 is er nu een kunstmatige bufferzone ingesteld ten opzichte van de beek, een strook van vijf meter waarin van alles wordt ingezaaid dat de natuur ten goede zou moeten komen. Het gaat onder meer om phacelia, een witte variant van de rode klaver, een krullige cultivar van slaapbol en (oef!) de natuurlijke variant van korenbloem. Enkel dat laatste kan beschouwd worden als een zinvolle herintroductie van een bedreigde inheemse plantensoort die uit de meeste akkers is verdwenen. Het brede wilgenstruweel was beter blijven staan, het deed zijn werk als beschermende buffer zeer goed.
Het verdwijnen van een aantal bosplanten uit een brede houtkant tussen twee akkers heb ik eveneens als pijnlijk ervaren. Drienerfmuur, ruwe smele, vingerhoedskruid, gewone salomonszegel en brede wespenorchis kon ik hier niet meer terugvinden. In dit geval is de verdroging wellicht de grootste boosdoener.
Waar we dan weer niet rouwig om moeten zijn is dat er een grote populatie van de reuzenberenklauw werd verwijderd uit een wegberm die aan een paardenwei grenst. Deze invasieve exoot heeft weliswaar heel wat esthetische waarde als hij tot drie meter hoog in bloei staat, maar waar hij zich vestigt, verdringt hij alle inheemse soorten. Daarenboven veroorzaakt het giftige sap van die plant ernstige brandwonden in combinatie met zonlicht.
Er wordt voortdurend met nieuwe herbiciden geëxperimenteerd om allerlei grassen te weren uit de maïsakkers. Maar de grassen in kwestie zijn vooral afkomstig uit warmere streken en doen het bijgevolg steeds beter. Daarenboven gelijkt hun metabolisme vaak erg goed op dat van maïs waardoor ze moeilijk met chemicaliën kunnen bestreden worden. Desondanks lijkt kale gierst het onderspit te delven. Al enkele jaren vind ik dit gras niet meer terug, terwijl het tot in 2020 aan de opritten van diverse maïsakkers groeide. Daarentegen duiken nu steeds vaker Chinese naaldaar en gladde kransnaaldaar op diezelfde plekken op.
Andere nieuwkomers, maar dan als onkruid in mijn moestuin waren dit jaar de groene naaldaar en papegaaikruid. Kleine majer concurreert er met de groentes sinds 2019 en Franse amarant sinds 2024. Ook dit zijn stuk voor stuk warmteminnende soorten.
Een hoopgevende nieuwkomer op mijn lijstje was dit jaar watertorkruid. Ik vond het op de rand tussen een poel en een maïsakker, op honderd meter van mijn huis. Hoe vaak je ook rondloopt en rondkijkt in de directe omgeving van waar je woont, toch zijn er altijd nog plekjes die je voor het eerst ontdekt. Dit jaar liep ik voor het eerst langs een moeilijk te bereiken gracht en ontdekte ik enkele oude struiken van Gelderse roos.
De soortenlijst van 2025 werd verder nog aangedikt met de namen van enkele bramen: dauwbraam, heggedauwbraam, bolle haarbraam, vlakke stokbraam en zoete haarbraam. Hoe meer je bijleert, hoe meer je ontdekt.
Verklaringen vinden voor het verschijnen van nieuwe soorten is soms eenvoudig, maar vaak blijft het een raadsel. Een voorbeeld van het eerste zijn de twee exemplaren van het rapunzelklokje die dit jaar zomaar in mijn grasveld opdoken. Ze groeien vlak naast mijn vaste route van de deur naar de composthoop, op een plek waar vroeger een schuur stond en er dus veel steengruis en kalkrijke resten van cement in de grond zitten. Ik twijfel er niet aan dat deze leuke verschijning opnieuw een voorbeeld is van zaden die aan de zolen van mijn schoenen zijn blijven plakken na een excursie in de Vlaamse Ardennen.
Van raadselachtiger oorsprong is het jonge exemplaar van een Canadese populier die in een gracht langs de N35 is komen groeien. Canadese populieren zaaien zich normaal gezien niet uit, wegens hun onvruchtbaar zaad van hybride oorsprong. Ze vermeerderen zich wel via wortelscheuten. Maar de dichtstbijzijnde oude boom van die soort, staat vijftig meter en twee geasfalteerde straten verderop … Misschien gaat het eerder om een takje, afgerukt door een stormwind, dat heeft kans gezien om wortel te schieten.
Er zijn nog heel wat meer soorten verdwenen en verschenen de voorbije vijf jaar, maar wat de toekomst te bieden heeft, is even onvoorspelbaar als het weer en het klimaat. Vijf jaar geleden stonden er twee soorten net buiten mijn vierkante kilometer, langs de N35, namelijk zilverschildzaad en dubbelkelk. Beide soorten leken aan een opmars bezig in onze regio, dus was ik ervan overtuigd dat ze al zeer snel ook in mijn thuishok zouden opduiken. Intussen zijn ze letterlijk in geen velden en wegen meer te bespeuren, toch niet in Nazareth.
Henk Coudenys, Plantenwerkgroep Vlaamse Ardennen plus
[1] IFBL is de afkorting voor Instituut voor Floristiek van België en Luxemburg
Op 22 september kwamen vertegenwoordigers van het Landschapspark Vlaamse Ardennen en het Parc naturel du Pays des Collines samen in Kluisbergen voor een overleg over een duurzame en grensoverschrijdende samenwerking. Beide regio’s delen namelijk een gemeenschappelijk landschap en maatschappelijke uitdagingen en willen via gezamenlijke projecten en beleidsafstemming hun krachten bundelen.
Beide regio’s kampen met gelijkaardige uitdagingen, zoals het verlies aan open ruimte door versnippering en verstedelijking, beperkte vervoersalternatieven voor bewoners en bezoekers in landelijke gebieden, de nood aan kwalitatieve jeugdverblijven en educatieve natuurprogramma’s, de fragmentatie van toeristische informatie en onthaalstructuren, …
Daarnaast zijn er echter ook sterke opportuniteiten, zoals de uitbouw van een grensoverschrijdend fiets- en wandelnetwerk, de versterking van onthaalpoorten zoals La Salettekerk in Maarkedal en Maison du Pays des Collines in Ellezelles als toegangspoorten tot het landschap, de ontwikkeling van gezamenlijke educatieve trajecten voor scholen en jeugdgroepen, gekoppeld aan natuurbeleving en erfgoed, …
Tijdens de vergadering werd een engagementsverklaring opgesteld waarin beide regio’s zich verbinden tot het opstarten van een gezamenlijk projectteam dat de samenwerking coördineert en concrete acties uitwerkt.
De provincie Oost-Vlaanderen is, na West-Vlaanderen, de minst beboste provincie van het Vlaamse gewest. Met een bebossingsgraad van zo’n 5% steekt onze provincie schril af tegen de Vlaamse bebossingsgraad van 11% en de Belgische van 22%. Er is dus werk aan de winkel.
Op zondag 23 november 2025 hebben we ons steentje bijgedragen om een klein stukje bos te creëren. Dit kan ons enkel blij en fier maken. En … dat dit kan gebeuren in een unieke samenwerking tussen vrijwilligers van Natuurpunt en een bedrijf uit de houtverwerkende nijverheid is iets wat zeker perspectieven opent naar de toekomst.
Het stukje bos dat wij aangeplant hebben, wordt een levend aandenken aan Jo Cosijn. Het was het laatste stukje grond dat Jo gekocht heeft en het zal terecht het Cosijnbos genoemd worden. Elke keer dat wij er voorbij gaan, alleen of in groep, zullen we zo aan hem denken.
Met bijna 100 vrijwilligers werden 18 soorten aangeplant, goed voor 975 bomen en struiken, een rijke bron van voedsel en habitat voor heel wat dieren.
Wie hem gekend heeft, zal zich Jo vooral herinneren als een geëngageerde man voor wie de natuur en onze leefomgeving hoog op zijn prioriteitenlijst stonden. De kunstzinnige Jo, muziekliefhebber en fotograaf, was door zijn werk, het Agentschap Natuur en Bos, beroepshalve verbonden met de natuur.
Maar ook in zijn vrije tijd speelden natuur en milieu een grote rol. Het was een feest om Jo te zien genieten van de voorjaarsbloeiers in het Eeckhoutbos of van de schilderachtige landschappen van de Vlaamse Ardennen.
Als voorzitter van Natuurpunt Vlaamse Ardennen, conservator van de Maarkebeekvallei en redacteur van het natuurtijdschrift Meander trok hij aan de kar om deze prachtige streek te helpen beschermen. En door zijn innemende persoonlijkheid slaagde hij erin om deze groep vrijwilligers om te smeden tot een groep vrienden. Zijn persoonlijkheid zorgde er ook voor dat hij de geknipte man was om te onderhandelen met de stakeholders van dit landschap. Soms met mooie resultaten, soms met ontgoochelingen. Maar Jo bleef gedreven doorzetten. Een woord van dank zijn we verschuldigd aan de vele medewerkers van de firma Eurabo en de werkgroep Maarkebeekvallei. Maar dit evenement was ook niet mogelijk geweest zonder de vlekkeloze voorbereiding van de conservator, Ludo Bauwens. Dikke pluim!
De najaarsmaanden september, oktober en november 2025 brachten een indrukwekkende reeks bijzondere vogelwaarnemingen voort in de regio Vlaamse Ardennen plus. De vogeltrek schakelde in september en oktober al snel naar een hogere versnelling. Met het naderen van de winter veranderde het beeld opnieuw en doken de eerste overwinteraars op.
In september kwam een zomertaling nog even op bezoek op de Weiput. De laatste waarneming van een woudaapje kwam van de Donk in Oudenaarde (Jerry VDP). Mogelijk heeft de soort er opnieuw gebroed. Op dagen met goede trek was het meteen raak: ooievaars trokken in grote groepen over, met een recordgroep van 168 ex. Ook lepelaars (18 en 21 ex.) en purperreiger passeerden. Aan de trektelposten werd morinelplevier vijfmaal gezien (Davy DG, Ludo VDL). In Maarkedal zat een draaihals (Bart H).
De roofvogeltrek was bijzonder sterk, met o.a. 16 visarenden, 60 wespendieven, meer dan 300 bruine kiekendieven, de eerste blauwe kiekendieven, 12 rode wouwen, één zwarte wouw, twee smellekens en talrijke boomvalken. Daarnaast noteerden we enkele grote zeldzaamheden: grauwe kiekendief over Rozebeke (Hilbran V, Kristof DM) en een juveniele zeearend over de Koekamer (Sander C, Brecht). Dat is al de tweede zeearend over Vlaamse Ardennen plus dit jaar! Een dwergarend vloog over Rozebeke (Hilbran V) en Mater (Lieven DV). Dat is de tweede én derde waarneming van de soort dit jaar.
De absolute topper van september was echter een kortteenleeuwerik, gehoord en gezien boven Franskouter – de allereerste voor Vlaamse Ardennen plus (Hilbran V.). De waarneming werd gestaafd met een geluidsopname.
De vierde en vijfde graszanger van het jaar in Vlaamse Ardennen plus werd ontdekt in Meigem (Benny C) en in Zingem (Jacques VH). Verder trokken o.a. grote lijster, grauwe en bonte vliegenvanger, gekraagde roodstaart, tapuit, paapje en roodborsttapuit door. Iets zeldzamer: viermaal duinpieper en een roodkeelpieper in Horebeke (Bart H) en eenmalige meldingen van appelvink, kruisbek en Europese kanarie.
Koperwiek
In oktober schakelt de vogeltrek naar de hoogste versnelling. De eerste wintergasten arriveren: smient, wintertaling en pijlstaart duiken op de plassen op, en op de meeuwenslaapplaats nemen de aantallen toe met opnieuw Pontische meeuw, geelpoot- en zwartkopmeeuw. Ook koperwiek en kramsvogel komen massaal binnen. Opvallend was de sterke influx van pimpelmezen en de vele barmsijzen.
Op 18 oktober trokken op verschillende plaatsen kraanvogels over, met o.a. een groep van 30 ex. over Gavere (Simon VDV). Lepelaar werd gemeld aan de Weiput en in de Langemeersen, waar ook een jonge koereiger langere tijd verbleef. Kleine zilverreiger werd viermaal gezien. Bij de roofvogels noteerden we nog vier haviken, enkele rode wouwen, twee smellekens en enkele dagen van sterke trek van buizerd. Velduil werd driemaal op trek gezien. Middelste bonte specht werd gemeld in Ronse en Ruien; zwarte specht in Ronse, Nokere en Zingem. De zesde graszanger van het jaar werd gezien en gehoord in de Langemeersen (Piet A). Gekraagde roodstaart werd nog gezien in Petegem-Schelde en Sint-Lievens-Houtem, en ook tapuit en roodborsttapuit werden op trek gemeld. Grote lijster – als broedvogel bijna verdwenen – werd nog enkele keren op trek gezien. Appelvink werd viermaal gemeld; kruisbek in Ronse en Nazareth.
Op 19 oktober vlogen drie zwarte ibissen over Mullem, pas de vierde waarneming ooit voor Vlaamse Ardennen plus (Davy DG). Storm Amy blies begin oktober een jan-van-gent naar Eke (Kay P), de derde in Vlaamse Ardennen plus sinds 2000 en de eerste op foto! Bovendien vloog daar ook een mannetje steppekiekendief over (Kay P), prachtig gefotografeerd. Aan de regiogrens in Oombergen werd een grijze wouw gezien (Dimitri VDB), eveneens een grote zeldzaamheid: nog maar de derde voor Vlaamse Ardennen plus. In Berchem werd een bladkoning geringd (Thijs L).
Ondertussen lijkt de raaf een vaste poot aan de grond te hebben. Na een vermeend broedgeval dit jaar, zwol de activiteit in het najaar terug aan met geregeld waarnemingen uit het zuiden van de regio (Ronse, Brakel, Maarkedal). Ook oehoe is al enkele jaren een vaste broedvogel geworden en liet zich dit najaar ook opnieuw vaak horen. Wie het minder goed vergaat, is de ransuil: amper 4 waarnemingen dit najaar!
November begon meteen met een klapper: op 1 november ontdekte Davy DG een Humes bladkoning in zijn tuin, de allereerste ooit voor Vlaamse Ardennen plus. De vogel bleef enkele dagen ter plaatse, waardoor ook andere vogelaars konden meegenieten.
Ondertussen nemen ook de watervogelaantallen langzaam toe, al blijven grote groepen door het zachte weer nog uit. Op de Tweeling in Eke doken drie krooneenden (Kay P) en een grote zaagbek op, en ook de eerste kolganzen werden er gezien. Kraanvogeltrek bracht een groep van zeven over Ename (Simon DM) en een solitaire vogel verbleef een week in de Langemeersen (Lotte VDW).
Grote zilverreigers zijn overal aanwezig, met tot acht exemplaren in Zingem. In de Langemeersen zaten ook een kleine zilverreiger en een koereiger, die later opnieuw in Ruien opdook. Verder werden goudplevier, bokje (Eine, Roborst), meer en meer houtsnip (10 waarnemingen) en een bonte strandloper aan de Callemoeie gemeld. Havik werd vijfmaal gezien. De laatste bruine kiekendieven (3 waarnemingen) maakten plaats voor blauwe (11 waarnemingen), die komen overwinteren. Rode wouw werd gemeld in Eine en Zottegem; smelleken driemaal.
Waterpiepers zijn opnieuw gearriveerd, keep lijkt een sterk winterjaar tegemoet te gaan, en appelvink werd in Rozebeke en Ronse gemeld. De influx van (kleine) barmsijs viel stil na begin november. De enige geelgors van de maand vloog over Rozebeke.
Tot slot werd in de Heurnemeersen een Siberische tjiftjaf gezien én gehoord, een ondersoort van de gewone tjiftjaf (Davy DG).
Dit overzicht is alleen mogelijk dankzij alle meldingen op www.waarnemingen.be, ook van de ‘gewone’ soorten. Alleen zo worden trends zichtbaar. Wat vroeger algemeen was, is dat vandaag soms niet meer: denk aan grote lijster, ringmus, ransuil of verdwenen broedvogels zoals matkop en grauwe gors. Daarom: een grote dankjewel aan alle waarnemers!
‘In het spoor van de bever’ bracht op 16 november 50 kinderen en 25 volwassenen samen onder de tent op de binnenkoer van Klein Zwitserland. Het initiatief was een samenwerking tussen het Bezoekerscentrum Vlaamse Ardennen Boembekemolen, de JNM van de Vlaamse Ardennen, Natuurpunt Zwalmvallei en VZW Broes. Met dank aan deze laatste dat we op hun aangename plek deze activiteit konden uitrollen. Volwassenen en kinderen werden ontvangen met een PowerPointpresentatie over de bever, gemaakt door Stein De Rouck. De volwassenen gingen op stap met Stein om sporen en plekken van de bever te spotten. De kinderen konden kiezen uit 4 workshops: net als de volwassenen op zoek naar sporen van de bever, bouwen van een beverdam en beverburcht, groenhout snijden of bouwen met bamboe.
Na afloop hoorden we enkel positieve respons.
Een foto, van de met kinderen gebouwde beverburcht op de beverdam kunnen we jullie niet onthouden.
De egel, stekelig sympathiek Libellen na de zomer, ook bij u? Cijfers zeggen (soms) niet alles Vleermuizenkolonie vestigt zich in Faunahuis Brakel De hoornaars van 2025 Op een grote paddenstoel Waar moet de koninginnenpage heen? Veranderingen in de moestuin Slankpootvliegen De Everbeekse Bossen, voor fijnproevers en rustzoekers Bijzondere vogelwaarnemingen zomer 2025
Een mens timmert voortdurend aan zijn territorium. Bouwen en verbouwen, schikken en herschikken, plaatsen en verplaatsen. Het stopt nooit.
Zo hadden mijn partner en ik besloten om onze kast met Chinese draak te verhuizen. We besloten de leegte die de draak had achtergelaten op te vullen met een kast uit de vergeetput van ons schuurtje.
De kast werd uit het schuurtje gehaald, tot groot chagrijn van de spinnen die er een perfect habitat hadden gevonden. De ideale locatie om hun maag naar hartenlust met andere invertebraten te vullen. Voor de spinnen was het alsof ik met een grote kobbejager door het landschap ging en alle stallen wegvaagde. Stallen waarin de mensen andere zoogdieren gevangen houden om hun maag naar hartenlust te vullen.
Eens het spinrag en stof verwijderd, was de kast klaar voor een grondige opknapbeurt. De combinatie van schuurtje en kast is nu eenmaal niet ideaal. De twee lades werden uit de kast gehaald en bij het omdraaien verscheen in een sierlijk en breedvoerig handschrift de geboorteakte van de kast.
Godveerdegem Den 7 December 1920 C D Tollenaere Schrijnwerker Meubelmaker.
De kast viert zijn 105e verjaardag! Al 105 jaar is de kast de vriendelijke gastheer voor onze O zo broodnodige (?) spulletjes. Al 105 jaar zijn de planken van een al lang verdwenen eik een onderdeel van ons menselijk nest. Van duurzaamheid gesproken! Binnen 105 jaar blijft van de meubelen van de door iedereen gekende multinationale meubelgigant geen spaander meer over. Onze Godveerdegemse meubelmaker kende het begrip duurzaamheid niet, maar paste het zonder problemen toe.
Mijn geest blijft maar voortmijmeren. Van welke eik kwamen de planken? Waar zou hij gestaan hebben? Stond hij in een bos of langs de kant van de weg? Was hij aangeplant of had hij spontaan zijn plaatsje gevonden? Zouden er nog rechtstreekse nazaten van bestaan? Dan moeten die eiken meer dan 105 jaar oud zijn. Voor een eik niet onoverkomelijk, nog in de fleur van zijn leven.
Hoe oud zou onze eik geworden zijn? Ik begin de jaarringen te tellen in een lade, beginnend aan een knoest van een weer: 33 jaarringen. Ik reken uit, dat is al 1887. Kan ik op een andere plaats nog meer ringen tellen? De breedste plank meet 30 cm. Ik begin jaarringen te tellen, tien jaarringen voor 2,5 cm. De boenwas maakt het tellen moeilijk, ik geef het op. Toch even schrikken. Grof berekend kostte het de natuur meer dan 100 jaar om die plank te maken. De rechtstreekse nakomeling van de boom is pas nu rijp voor een nieuwe kast! Een reden te meer om zorgzaam met ons bomenbestand om te gaan.
“Plant een boom!” Het liedje van nonkel Bob schiet door mijn hoofd. Ik zoek de volledige tekst op. “Plant een boom, plant een boom! Wie kan er nu goed leven zonder groen? Plant een boom, plant een boom! Ja, aan natuurbescherming moet je doen!” Het liedje dateert van 1970, nog altijd even fris en actueel.
Ik kan het mijmeren niet laten. Hoeveel dieren hebben van de kastboom zijn bloesems en eikels gegeten? Zaten meikever en eikenpage op de boom? Hoeveel vogels hebben kunnen broeden in de boom? Hoeveel gallen, insecten, spinnen en schimmels heeft de boom gehuisvest? Vragen waarop ik nooit een antwoord zal krijgen.
Al poetsend kom ik in contact met de niet-zichtbare delen van de kast. Een klein bosje komt tevoorschijn. Hier geen eik meer, maar pijnboom, olm en populier. De populieren legplanken zijn na 105 jaar nog altijd in uitstekende staat. Ik kan er zonder zorgen mijn spulletjes opleggen. Ik stop mijn mijmeringen en ga naar de bloedmaan kijken. Het is 7 september 2025.
Als je tijdens een nachtelijke wandeling in je tuin opgeschrikt wordt door een gesnurk, is de kans groot dat je te maken hebt met een egel. Je mag je dan gelukkig prijzen want in meer dan de helft van de landen waar de West-Europese egel voorkomt, is hij in aantal afgenomen. Daarom wordt hij op de rode lijst van de natuurbeschermingsorganisatie International Union for Conservation of Nature and Natural Resources (IUCN) nu zelfs geclassificeerd als ‘bijna met uitsterven bedreigd’! Intensieve landbouw, verlies aan leefgebied, steeds meer wegen, meer auto’s op die wegen, versnippering (onder andere met tuinafsluitingen), afname insecten, vergiftiging, … het zorgt er allemaal voor dat de egel steeds zeldzamer wordt. Ook robotmaaiers die ’s nachts actief zijn veroorzaken veel slachtoffers. Ondertussen namen producenten verschillende maatregelen[1] om de toestellen vriendelijker voor egels te maken. Toestellen met pivoterende messen, beschermende platen en voorwielaandrijving maken minder slachtoffers, maar vooral de jonge egels (met een gewicht lager dan 200 g) blijven kwetsbaar.
Opvangcentra krijgen ook steeds meer zieke egels binnen. De egelziekte is een bacteriële infectie die zorgt voor wonden op en rond de kop, gezwollen poten, onderhuidse abcessen en zweertjes. Het wordt nog erger wanneer vliegen hun eitjes in deze wonden leggen en er vervolgens maden uitkomen. Egels met deze aandoening zijn vaak heel erg verzwakt en zelfs met de best mogelijke zorg raakt een groot aantal onder hen er niet meer bovenop. Zie je overdag een egel rondscharrelen, dan is dat trouwens een slecht teken want egels zijn normaal enkel actief in de schemering en ’s nachts. Dergelijke dieren kan je best naar een opvangcentrum brengen.
Uit Deens onderzoek[2] bleek dat de egels er in woonwijken normaal gesproken tien tot 14 tuinen per nacht bezoeken. Hier eten ze een grote verscheidenheid aan prooien, voornamelijk insecten, slakken, naaktslakken en wormen. Het zijn ook aaseters die zich tegoed doen aan allerlei dode dieren. Ze kunnen echter ook grotere levende prooien aan, zoals jonge vogels die uit hun nest zijn gevallen of amfibieën zoals salamanders en kikkers. Het zijn uitstekende zwemmers en ze vangen soms vissen in tuinvijvers. Ze lusten eieren en deinzen er niet terug om ook je (niet afgesloten …) kippenhok binnen te dringen. In mijn tuin laten ze zich ook soms verleiden door de graanmengeling die ik gebruik in de vangkooi met inloop voor ratten. Egels kauwen soms ook op de uitwerpselen van vossen en likken het speeksel daarna op hun stekels, waarschijnlijk om hun geur te maskeren tegen roofdieren.
Bij een ander onderzoek naar egels bleek dat rodenticiden, insecticiden en herbiciden respectievelijk in 84, 43 en 50% van de dieren werden aangetroffen. Bij de 115 onderzochte egels werd bij 79% meer dan één bestrijdingsmiddel gedetecteerd met tot negen van de 19 onderzochte stoffen in één dier. Bromadiolon werd het meest aangetroffen en in de hoogste concentraties. Bromadiolon is een sterk anticoagulerend rattengif.
Bij de aanleg en onderhoud van je tuin kan je zelf rekening houden met egels. Gebruik (uiteraard …) geen pesticiden en voorzie rommelhoekjes en overwinteringsplaatsen.
RASMUSSEN S.L., BERG T.B., DABELSTEEN T. & JONES O.R. – The ecology of suburban juvenile European hedgehogs (Erinaceus europaeus) in Denmark – Ecology and Evolution. 9:13174–13187, DOI: 10.1002/ECE3.5764
RASMUSSEN S.L., ROSLEV P., NIELSEN J.L. PERTOLDI C. & VORKAMP K. – Pesticides in the population of European hedgehogs (Erinaceus europaeus) in Denmark – Front. Vet. Sci. 11:1436965, doi: 10.3389/fvets.2024.1436965
Terwijl we dit schrijven, eind augustus, dwarrelen er blaadjes van de linde naar beneden alsof het begin oktober is. Na een al kurkdroog voorjaar viel er gemiddeld genomen over alle weerstations van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) maar 66 procent van de normaal te verwachten neerslag in de maanden mei, juni en juli. Extremen lijken het nieuwe normaal te worden Door droogtestress stoten de bomen hun bladeren vroegtijdig af om vocht te besparen. De Vlaamse wijnboeren wrijven zich ondertussen wel in de handen en zien een recordoogst tegemoet. Ook in onze streek zie je meer en meer wijngaarden verschijnen. Ons klimaat begint dan ook steeds meer te lijken op het klimaat van de Franse Champagnestreek, maar dan 30 jaar geleden. Ook voor het andere fruit is het een recordjaar. Goed nieuws voor ons Vlaamse Ardennen fruitsap. De persen zullen overuren moeten draaien.
Deze zomer leek het zuiden van Europa wel constant in vuur en vlam te staan met recordoppervlaktes natuur die vernietigd werden. Tot en met 19 augustus verwoestten natuurbranden in de landen van de Europese Unie in totaal bijna een miljoen hectare gebied. Dat is ongeveer een derde van de totale oppervlakte van België! Mensen zagen hun huis in vlammen opgaan en er vielen ook slachtoffers te betreuren. Minder aandacht is er voor de onherstelbare schade aan de natuur en tegelijk werden weer grote hoeveelheden CO2 de lucht ingeblazen. De hitte op zich eist ook slachtoffers. In Spanje kostte de hitte tussen midden mei en midden juli aan zo’n 1118 mensen het leven (De Morgen, 20-08-2025) en ook bij ons is er oversterfte. Toch lijkt gelatenheid, of onwil/onkunde te overheersen. Ondertussen reageren klimaatwetenschappers wereldwijd ontzet op een, op maat van Trump gemaakt, overheidsrapport dat stelt dat het opwarmende klimaat helemaal geen probleem is. Nooit eerder was een aanval van de regering Trump op de klimaatwetenschap zo brutaal; wetenschappelijke feiten doen er steeds minder toe. En dat er ook bij ons nog mensen zijn die vinden dat het allemaal wel meevalt kan je lezen in een boekbespreking in dit nummer.
Goed nieuws komt er dan weer van het Internationaal Gerechtshof (ICJ) dat stelt dat het mensenrecht op een schoon, gezond en duurzaam milieu essentieel is om ook van andere mensenrechten te kunnen genieten. Daarom moeten landen maatregelen nemen om het klimaatsysteem te beschermen. Die verplichting heeft bovendien ook betrekking op toekomstige generaties. De uitspraak van het ICJ, het belangrijkste gerechtelijk orgaan binnen de Verenigde Naties, is niet bindend, maar wel zwaarwegend. Het advies kan bijvoorbeeld door rechters aangegrepen worden tijdens de beoordeling van klimaatzaken. Je hoort de politici al toeteren over activistische rechters.
Geen zinnig mens, laat staan een minister, zal het waarschijnlijk nog in zijn hoofd halen om het roken van een sigaret, of het drinken van alcohol te vergoelijken. Eigenlijk deed minister Brouns wel iets gelijkaardig nadat de Hoge Gezondheidsraad zijn nieuwe adviezen bekend maakte. Eén van die adviezen was om het eten van rood vlees te beperken. Van bewerkt rood vlees zoals charcuterie eet je wekelijks beter niet meer dan 30 gram. De ‘Vlaams minister van Omgeving voor Landbouw’ was er als de kippen bij om verontwaardigd te reageren: “Een boterham met salami slecht voor de gezondheid? Komaan zeg.” en “Wat is er eigenlijk mis met af en toe een stukje goed vlees van eigen bodem? Wat is er mis met genieten? Met traditie? Met een bord dat niet alleen gezond is, maar ook gewoon lekker.”. Een aperitiefje vooraf bij het eten, glaasje wijn bij de maaltijd en een digestief achteraf met een sigaret slecht voor de gezondheid? Komaan zeg, wat is er mis met traditie …
Om de boeren tegemoet te komen versoepelde dezelfde Brouns ook het vergunningenstelsel. Voor een reeks stedenbouwkundige ingrepen is voortaan geen omgevingsvergunning meer nodig. Zo geldt er nu een vrijstelling voor het draineren van landbouwpercelen. Landbouwers mogen een perceel draineren om het gebruik of de exploitatie ervan mogelijk te maken of te houden, zonder vergunning. Dat er tegenwoordig überhaupt nog mag gedraineerd wordt is op zich al onbegrijpelijk!
Brouns trekt ook ten strijde tegen mensen die, volgens hem, onterecht beroep aantekenen tegen vergunningen want: “Voor sommigen is het een verdienmodel geworden om in beroep te gaan. Dat moet stoppen. Wie onrechtmatig beroep instelt tegen een vergunning, zonder zelf een ernstig nadeel te ondervinden, moet daarvoor bestraft worden”.
Dat we niet steeds hulpeloos en hopeloos moeten toekijken, bewijst het protest in Frankrijk tegen de wet Duplomb. Deze in juli goedgekeurde wet komt tegemoet aan veel eisen van de boeren. Zo werd het gebruik van een insecticide dat een paar jaar geleden verboden werd, weer toegestaan. Dat insecticide, acetamiprid, is schadelijk voor bijen en zou ook gevolgen kunnen hebben voor de menselijke gezondheid. Een petitie daartegen haalde in een mum van tijd meer dan 2 miljoen handtekeningen. Zelfs honderden chef-koks uitten hun ongenoegen in een opgemerkte open brief. De toestemming werd daarop weer ingetrokken omdat de Grondwettelijke Raad oordeelde dat die in strijd is met het recht op een gezond leefmilieu. Op kleinere schaal bewijst het faunahuis in het Burreken dat we dicht bij huis als individu ook kunnen bijdragen tot de bescherming van kwetsbare soorten. Daar vestigde zich een kolonie dwergvleermuizen in één van de voorzieningen.
Ondertussen kunnen we weer uitkijken naar het fenomeen van de herfsttrek van de vogels, de trektelposten worden ook dit jaar weer bemand en staan steeds garant voor natuurbeleving.