In 2020 schreef ik voor het eerst een verslag van mijn ‘thuishokproject’. Nu – vijf jaar later – is het tijd voor een update. Het hok in kwestie is de vierkante kilometer (ook kwartierhok genoemd) met de ifbl-coördinaten[1] D2 58 11 in Nazareth. Ik woon min of meer in het midden van dit kwartierhok – vandaar dat ik het mijn thuishok noem – op een oud boerenerf met ongeveer 2500 m² wilde tuin eromheen en een biologische groentetuin. Daarrond liggen weilanden en maisakkers. De toegangsweg is een 350 meter lange, onverharde weg met aan weerszijden grachten, oude bomen en knotwilgen, die uitkomt op de provinciale weg (A35) die Deinze met Gavere verbindt. Van de A35 ligt ongeveer 300 m in het hok. Verder gaat het om een kleine 3 km gemeentelijke wegen. In totaal valt er ongeveer 8 km wegberm te bekijken. Er loopt ook 1 km van de Leebeek door het hok en er zijn heel veel grachten, enkele houtkanten en een hectare privé bos. Ik schat de totale oppervlakte aan landbouwgrond op ongeveer 90%. Een twintigtal huizen met hun bijbehorende tuinen maakt het plaatje volledig.

Het project bestaat erin dat ik elke vijf jaar het hele jaar door alle hoekjes en kantjes van die vierkante kilometer uitkam, op zoek naar planten. In 2009, toen ik dit voor het eerst grondig deed, resulteerde dit in een lijst van 220 plantennamen. In 2020 waren het er 306 en in 2025 zelfs 330. Tijdens de tussenliggende jaren noteer ik enkel de nieuwkomers die ik toevallig opmerk. Intussen staat de teller van wilde en verwilderde plantensoorten die de voorbije 36 jaar in mijn thuishok opgedoken zijn (en die ik op naam kon brengen) op 418. Uiteraard staan deze er niet elk jaar allemaal. Dat komen en gaan is nu net wat het interessant maakt en als het enigszins mogelijk is, probeer ik ook de oorzaken te achterhalen van de waargenomen veranderingen. Dat laatste is niet altijd even eenvoudig en meer dan eens blijft dit beperkt tot het maken van een logische redenering die wellicht het verdwijnen of verschijnen van een soort verklaart.

Vogelpootje © Henk Coudenys

Er worden in tuincentra steeds meer plantensoorten aangeboden, onder de vorm van plantgoed en/of zaden. Het is dan ook logisch dat er steeds nieuwe soorten verwilderen en in mijn thuishok opduiken. Eén hiervan is glanzige ooievaarsbek, een fraaie eenjarige met blinkende blaadjes die in 2023 voor het eerst aan het begin van mijn oprit opdook en dit sindsdien ook doet in de berm langs de tuin van de buren. Nochtans zie ik dit plantje nergens in de omgeving in een tuin groeien. De kans is reëel dat er na een stadsexcursie in Gent zaden aan mijn wandelschoenen zijn blijven plakken en dat ik die ooievaarsbekjes dus onbewust zelf heb ‘gezaaid’ nadat ik uit de auto was gestapt bij mijn terugkeer.

Grote maagdenpalm vond ik langs een gracht tussen een akker en enkele aaneengesloten tuinen. Deze plant was hoogstwaarschijnlijk uit een van die tuinen ontsnapt. Brede lathyrus is eveneens nieuw op mijn lijstje. Deze vlinderbloemige klimplant slingerde zich omhoog langs een hek rond een voormalig parkeerterrein, tot hij door een overijverige buur bij de lurven werd gegrepen en in de groene vuilnisbak verdween. Brede lathyrus profiteert van het warmer wordende klimaat en is zich het voorbije decennium heel snel aan het inburgeren.

Andere tuinvlieders zijn dan weer verdwenen, onder anderen tuinjudaspenning, Marokkaanse leeuwenbek, witte trompettabak en tripmadam. De eerste twee groeiden in een smal stukje wegberm naast een met betonplaten ommuurde hoeve waar de laatste jaren permanent auto’s geparkeerd staan, in tegenstelling tot vroeger. De witte trompettabak is een éénjarige plant die zich in een gracht had genesteld, tussen grassen en brandnetels. Er was bijgevolg weinig kans dat hij zich nog eens zou weten uit te zaaien.

Watermuur

De verdwijning van de tripmadam – een vetplantje met langwerpige ronde blaadjes – is onderdeel van een ander verhaal. Deze plant groeide al ruim dertig jaar in een berm tussen de rijweg van de A35 en het bijbehorende fietspad, in het gezelschap van zomeranjer, een andere tuinvlieder. De rest van die berm was begroeid met een kleurige gemeenschap van onder meer klein vogelpootje, kleine klaver en liggende klaver. De opeenvolging van schrale, droge voorjaren en zomerse hittegolven van de voorbije jaren, gecombineerd met het onnodig maaien van de verschraalde bermvegetatie in juni én in oktober, heeft deze vegetatie ernstig verstoord. Het extreem natte jaar 2024 was hierop weliswaar een uitzondering, maar dat heeft het tij niet gekeerd. Niet alleen de tripmadam is verdwenen, maar ook de liggende klaver. Van klein vogelpootje vond ik op die plek nog enkele ijle plantjes terug en de zomeranjer liet pas in oktober van dit jaar enkele jonge scheutjes zien. Er groeit nu vooral duinsterretje, een mosje dat algemeen is in de duinen en er ontkiemt steeds meer hertshoornweegbree. Het winterse strooizout, waar ondanks het zeer beperkt aantal vorst- en sneeuwdagen nog steeds uitbundig mee gestrooid wordt, heeft wellicht dus ook een bijdrage geleverd aan het verdwijnen van een fleurige bermvegetatie.

Nu we toch bij de pekelflora beland zijn: in de berm aan de overzijde van diezelfde N35 dook in 2020 duinfakkelgras op. Het jaar daarop stond dit sierlijke grasje er nog steeds. In 2022 werd de wegberm echter grotendeels afgeschraapt, met duinfakkelgras en al.

Op een van die kaal geschraapte plekken kwam in 2024 een oude bekende nog eens aan de oppervlakte, namelijk grote windhalm. Dit slanke gras groeide vroeger overvloedig in graanakkers, waar je zijn bloeipluimen boven het graan zag uitsteken, maar was sinds 2011 verdwenen (en niet alleen uit mijn thuishok) met dank aan de betere zuivering van het zaaigraan. Zijn eenmalige verschijning op een tijdelijke pioniersplek leert ons dat er nog steeds een kiemkrachtige zaadbank van deze soort bestaat. Dit leidt tot de volgende vraag: moeten we een soort als verdwenen beschouwen als we hem enkele decennia lang nergens meer zien groeien of pas als de zaadbank van die soort zijn kiemkracht heeft verloren?

Een nieuwkomer in de bermen van de N35 is bleek vergeet-mij-nietje. Sinds 2021 is dit een vaste klant in het vroege voorjaar. Dit onopvallende plantje vestigt zich op de meest schrale plekjes, in het gezelschap van onder meer zandhoornbloem. Ook de opmars van dit vergeet-mij-nietje wordt wellicht ondersteund door het veranderende klimaat.

Bleekgele droogbloem is een uitgesproken warmte minnend plantje dat eveneens voor het eerst in mijn thuishok groeit. Ook teunisbloemen gedijen steeds beter en bloeien steeds vroeger naarmate de gemiddelde temperatuur stijgt. Resultaat: twee nieuwkomers van het geslacht Oenothera, namelijk grote teunisbloem en roodstengelteunisbloem, lieten zich bewonderen langs de bermen.

Klein liefdegras en stijf straatliefdegras, allebei afkomstig uit subtropisch Azië, groeiden sinds respectievelijk 2020 en 2023 tussen de kasseien van een oprit. Maar wegens verbouwingswerken aan het bijbehorende huis, werd die oprit grondig plat gesproeid. Exit liefdesgrasjes.

Herbiciden en biodiversiteit, het is sowieso een dubbelzinnig verhaal. In 2023 verscheen er een kleine populatie van gewone zandmuur op een gesproeid stukje berm. In 2024 was het al weer verdwenen. In 2025 ontdekte ik gewone spurrie aan de rand van een schapenwei, waar de vegetatie onder de elektrische afrastering was plat gespoten. Gewone spurrie is een akkeronkruid dat steeds minder algemeen wordt. De ongemakkelijke waarheid is dat het gebruik van herbiciden vaak een bijdrage levert aan de biodiversiteit, door het ontstaan of in stand houden van pioniersvegetaties. En toch pleit ik voor een totaalverbod op dat vreselijke spul, of toch minstens een verbod op het gebruik ervan door particulieren. Boeren houden zich ten minste nog aan een minimumdosering, terwijl de meeste mensen een tien- tot honderdvoudige dosis gebruiken om hun grindpaden en bermen ‘onkruid’vrij te houden. Herbiciden zijn overigens even bedreigend voor insecten als voor planten. Het zijn zenuwgiften die onder meer hun oriëntatievermogen ernstig verstoren. 

In de categorie ‘onrustwekkende verdwijningen’ staat de teloorgang van een aantal waterplanten uit de Leebeek hoog genoteerd. Het gaat onder meer om blauwe waterereprijs, watermuur, gele waterkers, grote waterweegbree, klein kroos en kleine watereppe. Waar deze planten groeiden, staat nu enkel nog grote egelskop. Deze laatste is veel toleranter voor stikstofvervuiling dan de andere uit het lijstje, ook al kunnen deze zelf ook wel tegen een stootje wat eutrofiëring betreft.

Het wilgenstruweel langs de beek werd enkele jaren geleden grondig verwijderd waardoor er aan weerszijden enkele meters maïsakker bijkwamen. Gevolg: meer instroom van meststoffen uit de akkers. Ook aan de buitenrand van het struweel verdwenen enkele planten uit de brede, onregelmatige overgangszone naar de akkers, onder meer het redelijk zeldzame grasje bochtige smele. Sinds 2024 is er nu een kunstmatige bufferzone ingesteld ten opzichte van de beek, een strook van vijf meter waarin van alles wordt ingezaaid dat de natuur ten goede zou moeten komen. Het gaat onder meer om phacelia, een witte variant van de rode klaver, een krullige cultivar van slaapbol en (oef!) de natuurlijke variant van korenbloem. Enkel dat laatste kan beschouwd worden als een zinvolle herintroductie van een bedreigde inheemse plantensoort die uit de meeste akkers is verdwenen. Het brede wilgenstruweel was beter blijven staan, het deed zijn werk als beschermende buffer zeer goed.

Het verdwijnen van een aantal bosplanten uit een brede houtkant tussen twee akkers heb ik eveneens als pijnlijk ervaren. Drienerfmuur, ruwe smele, vingerhoedskruid, gewone salomonszegel en brede wespenorchis kon ik hier niet meer terugvinden. In dit geval is de verdroging wellicht de grootste boosdoener.

Waar we dan weer niet rouwig om moeten zijn is dat er een grote populatie van de reuzenberenklauw werd verwijderd uit een wegberm die aan een paardenwei grenst. Deze invasieve exoot heeft weliswaar heel wat esthetische waarde als hij tot drie meter hoog in bloei staat, maar waar hij zich vestigt, verdringt hij alle inheemse soorten. Daarenboven veroorzaakt het giftige sap van die plant ernstige brandwonden in combinatie met zonlicht.

Er wordt voortdurend met nieuwe herbiciden geëxperimenteerd om allerlei grassen te weren uit de maïsakkers. Maar de grassen in kwestie zijn vooral afkomstig uit warmere streken en doen het bijgevolg steeds beter. Daarenboven gelijkt hun metabolisme vaak erg goed op dat van maïs waardoor ze moeilijk met chemicaliën kunnen bestreden worden. Desondanks lijkt kale gierst het onderspit te delven. Al enkele jaren vind ik dit gras niet meer terug, terwijl het tot in 2020 aan de opritten van diverse maïsakkers groeide. Daarentegen duiken nu steeds vaker Chinese naaldaar en gladde kransnaaldaar op diezelfde plekken op.

Andere nieuwkomers, maar dan als onkruid in mijn moestuin waren dit jaar de groene naaldaar en papegaaikruid. Kleine majer concurreert er met de groentes sinds 2019 en Franse amarant sinds 2024. Ook dit zijn stuk voor stuk warmteminnende soorten.

Een hoopgevende nieuwkomer op mijn lijstje was dit jaar watertorkruid. Ik vond het op de rand tussen een poel en een maïsakker, op honderd meter van mijn huis. Hoe vaak je ook rondloopt en rondkijkt in de directe omgeving van waar je woont, toch zijn er altijd nog plekjes die je voor het eerst ontdekt. Dit jaar liep ik voor het eerst langs een moeilijk te bereiken gracht en ontdekte ik enkele oude struiken van Gelderse roos.

De soortenlijst van 2025 werd verder nog aangedikt met de namen van enkele bramen: dauwbraam, heggedauwbraam, bolle haarbraam, vlakke stokbraam en zoete haarbraam. Hoe meer je bijleert, hoe meer je ontdekt.

Verklaringen vinden voor het verschijnen van nieuwe soorten is soms eenvoudig, maar vaak blijft het een raadsel. Een voorbeeld van het eerste zijn de twee exemplaren van het rapunzelklokje die dit jaar zomaar in mijn grasveld opdoken. Ze groeien vlak naast mijn vaste route van de deur naar de composthoop, op een plek waar vroeger een schuur stond en er dus veel steengruis en kalkrijke resten van cement in de grond zitten. Ik twijfel er niet aan dat deze leuke verschijning opnieuw een voorbeeld is van zaden die aan de zolen van mijn schoenen zijn blijven plakken na een excursie in de Vlaamse Ardennen.

Van raadselachtiger oorsprong is het jonge exemplaar van een Canadese populier die in een gracht langs de N35 is komen groeien. Canadese populieren zaaien zich normaal gezien niet uit, wegens hun onvruchtbaar zaad van hybride oorsprong. Ze vermeerderen zich wel via wortelscheuten. Maar de dichtstbijzijnde oude boom van die soort, staat vijftig meter en twee geasfalteerde straten verderop … Misschien gaat het eerder om een takje, afgerukt door een stormwind, dat heeft kans gezien om wortel te schieten.

Er zijn nog heel wat meer soorten verdwenen en verschenen de voorbije vijf jaar, maar wat de toekomst te bieden heeft, is even onvoorspelbaar als het weer en het klimaat. Vijf jaar geleden stonden er twee soorten net buiten mijn vierkante kilometer, langs de N35, namelijk zilverschildzaad en dubbelkelk. Beide soorten leken aan een opmars bezig in onze regio, dus was ik ervan overtuigd dat ze al zeer snel ook in mijn thuishok zouden opduiken. Intussen zijn ze letterlijk in geen velden en wegen meer te bespeuren, toch niet in Nazareth.

Henk Coudenys, Plantenwerkgroep Vlaamse Ardennen plus


[1]      IFBL is de afkorting voor Instituut voor Floristiek van België en Luxemburg