Onderweg naar Zwitserland op familiebezoek passeerden we deze zomer de Elzas, ooievaarsland bij uitstek, en daar op een parking langs de autostrade hielden we even een stop om onze boterhammen op te eten. Weinig volk op de ruime, groen ingerichte ruimte met bankjes en bomen: iedereen haast zich naar de cafetaria, de klassieke toeristenval onderweg. We krijgen gezelschap van een ooievaar, voorzichtig steeds dichterbij komend, loerend naar onze maaltijd, duidelijk het schooien gewoon … Een familie met 4 kinderen houdt ook halt en onze tafelgenoot ziet daar meer voordeel in: met een halve sandwich vertrekt hij naar zijn nabije nest ‘op paal’ met 3 jongen. Geklepper klinkt luid boven het geraas van de auto’s. Die ooievaar is bekeerd tot de supermarkt. Zijn buurtwinkel, de graslanden met muizen en sprinkhanen, heeft hij verlaten of die is daar ook verdwenen onder een reusachtig maïsveld.

Later las ik dat men plaatselijk het aantal ooievaarsnesten op palen wil minderen wegens ‘overlast in de reservaten’: de te talrijke ooievaars plunderen de populatie sprinkhanen, maar ook amfibieën, grondbroeders e.a. Langzaam sijpelt de link door met andere ‘sympathieke’ soorten die we tot onze avifauna zijn gaan rekenen en die een link naar de supermarkt vertonen. Je kan aan een lange lijst beginnen, met enige rekbaarheid van kauw en koereiger tot oehoe en zeearend. En geef toe, ook wij hebben onze buurtwinkels opgeofferd voor de o zo makkelijke grootwarenhuizen. Het begon in de Makro tijd met volle parkings en hoevelen onder ons rijden niet tot over de Franse grens om met ‘mijn wagen volgeladen’ met … wijn en bronwater terug te keren.

Ik zal misschien wel een van de weinigen zijn die niet jubelend de supersoorten verwelkomt, met uitzondering van de klimaatvolgers als hop, Cetti’s zanger, bijeneter, Orpheusspotvogel en co. Daar zijn ook de soorten bij die bij hun terugtrek uit Afrika vergeten de rem dicht te halen: en ‘doorschieten’ – slangenarend, grijze wouw, dwergooruil – maar die zich moeilijk definitief zullen vestigen. Ook bij insecten kennen we dat fenomeen. Maar dan is er de groep die zich wel definitief lijkt te vestigen, zowel vogels (koe- en zilverreiger, nijlgans, oehoe…), zoogdieren (wasbeer, bever en hervestiging van wolf, steenmarter en otter) als vissen, insecten… Daarbij zitten ook een pak exoten.

De vraag daarbij blijft de mogelijke invloed op de ‘oude’ soorten: als we het voorbeeld van de oehoe nemen, nu al een wat vertrouwde soort in Vlaanderen en Nederland, met daar een toename van 10 paar in 2010 naar 129! territoria in 2025, waarvan 80% in bossen (bron: Uilen 2025), dan blijven toch wat bedenkingen hangen. Waar die arriveert in de bossen van de Vlaamse Ardennen, verdwijnt de ransuil net als de egel, en vermindert ook de populatie van bosuil aanzienlijk.

Voedselkwantiteit speelt een kapitale rol en daar hebben we weinig zicht op. Naast de favoriete, zeer algemene prooien zoals houtduif en kraaiachtigen, behoren ook holenduiven, spechten en zelfs jonge hazen en vossen tot het dieet. Het speelt een rol dat de nieuwkomers weinig kieskeurig zijn: als de uilen in het bos opgegeten zijn, schakelen ze over naar een ander bos of nemen ze ratten (tot 90% in de buurt van bewoning!) in hun menu op, onuitputtelijk … Overschakelen naar de stad lijkt een kwestie van tijd; met daar grote voorraden aan ratten, duiven, kauwen e.a. is het daar een gedekte tafel. Nestelen doen ze hier en daar al in gebouwen of op een kunstrots in een pretpark. Oehoes in de stad zijn in Duitsland al relatief algemeen.

Net als bij de ooievaars van in het begin, hebben koereigers de neiging ‘om op te ruimen’: het is een soort die graag in groep foerageert en in gestrekte formatie door hooilanden marcheert en kikkers, sprinkhanen en jonge vogels in één doortocht binnenspeelt. Laat die maar eens los in onze snippers van intensief beheerde reservaten … Ze doen me denken aan de Romeinen die Europa veroverden … We tasten nog in het duister over de impact op de ‘kleinschalige oude natuur’, de buurtwinkel.

Voedsel is cruciaal, denk aan de zeearend, die zich kon vestigen, steunend onder meer op de toename van vele ganzensoorten met jongen, maar dat voedsel is tegelijk ook de basis van het verdwijnen van soorten. Daarbij komen onze, nu allicht te laat vertroetelde akkervogels in zicht: waar ooit bij het oogsten van graan op de overblijvende stoppel nog een hele wintervoorraad achterbleef, is dat nu opgedroogd door betere oogsttechnieken en andere bedrijfsvoering waarbij stoppels ingezaaid worden met groenbemesters. Weg ringmussen, leeuweriken, kneus en gorzen, wellicht stilaan onbekende soorten voor een erg nabije toekomst. Andere soorten lijden mee, als voorbeeld in ‘mijn winkel’: in Wortegem vormden in 2002 vogels in de braakballen van ransuilen op het einde van de winter dikwijls meer dan de helft van de prooien. Deze werden op de slaapplaatsen gevangen, juist op tijd om bij het einde van de winter het gebrek aan muizen op te vangen en toen nog een populatie uilen te redden?

We beleven een ongelofelijke schaalvergroting, dichtbij en wereldwijd, en dat resulteert in een snelle verarming van de natuur. Ik kijk dan ook wat argwanend naar de euforie bij het verschijnen van de ‘grote nieuwe’ soorten. Soms lijkt men die te bejubelen om het grote verlies te verdoezelen met een wereld van superaanbiedingen, net als in de grootwarenhuizen, en misschien werkt dat zelfs wel (“het gaat toch goed met de natuur, de zeearend is terug”). Mijn vrees is dat we net als met de buurtwinkel, straks hopeloos overgeleverd zijn zonder verweer aan ‘de groten der aarde’, en dat natuur daarbij compleet ondergeschikt zal zijn, of het nu al is. Wanneer gaan we eindelijk eens natuur op landschapsschaal bekijken en de natuur de ruimte geven om zichzelf te gaan reguleren over grote oppervlakte?