Zoals in de vorige Meander aangekondigd gaan we de boel op stelten zetten, en hoe kunnen we dat beter dan met steltmuggen? Wanneer je dit artikel leest is de prille herfst in het land, en dat is een goed moment om leden van deze muggenfamilie eens op te zoeken. Ze vliegen namelijk vooral van de herfst tot de lente. Steltmuggen of Limoniidae vind je vooral op vochtige plekken, zoals op mos of rottende houtstronken in het bos. Hun eitjes zetten ze ook vooral af in die habitat (vochtige grond, water). Geen angst voor steken, dat doen ze niet.
Steltmuggen lijken wat op langpootmuggen (Tipulidae), maar zijn kleiner (lichaamslengte 5-15 mm). Hun snuit (rostrum) is niet zo lang (anatomisch gezien zijn de palpen korter), en ze houden hun vleugels in rust gevouwen over het achterlijf (langpootmuggen houden die gespreid). Taxonomisch behoren Limoniidae en Tipulidae beide tot de Tipuloidea (in het Engels ‘craneflies’ genoemd).

Wereldwijd zijn er meer dan 10.000 soorten gekend, in West-Europa enkele honderden. Volgens de recentste (mij gekende) bron zouden er in België 176 soorten gekend zijn. In de lente zijn er trouwens voor België nog 11 nieuwe soorten toegevoegd. Deze muggen zijn tot nu toe ook nog weinig bestudeerd, hun onopvallendheid en frêle lichaam zullen daar niet vreemd aan zijn. Determinatie tot op soortniveau vereist ook dikwijls microscopisch onderzoek (bino). Dan is dikwijls het hypopygium (geslachtsdeel) van mannetjes bepalend. Niet voor leken dus. We kunnen opmerken dat de familie Limoniidae soms ook wel eens een parafyletische groep genoemd wordt (cfr. fylogenetica). Dat betekent dat ze alle een gemeenschappelijke voorouder delen, maar dat niet alle nakomelingen ervan ook in de groep zijn opgenomen. Eigenlijk komt het er op neer dat er voor experts nog veel werk aan de winkel is.
Dat betekent niet dat het niet de moeite waard zou zijn om ze te fotograferen en de foto’s op te laden naar waarnemingen.be. Tip: onder meer de antennes, vleugeltekening of vleugeladering kunnen belangrijk zijn voor determinatie.

Ze hebben een belangrijke functie in het ecosysteem. Enerzijds zijn het detrivoren (afvaleters), de larven breken dus organisch materiaal af, ze eten onder meer plantenresten, schimmels, rottend hout. Anderzijds zijn zowel de larven als de volwassen dieren een eiwitbron voor andere (grotere) diersoorten (vissen, amfibieën, spinnen, vogels, …).
Welke families en genera vinden we bij ons terug? Alvorens een overzicht te geven wil ik er op wijzen dat vele Nederlandse namen nog maar een paar jaar geleden werden toegekend. Ik zal ze hier ook gebruiken, maar zelf vind ik de Latijnse benamingen nog altijd het meest overzichtelijk.

Het geslacht Limonia is gemakkelijk herkenbaar aan de vlekken of banden op de vleugels.
De moerasdriestip (Limonia phragmitidis) (1) is zeer algemeen.

En de namen tuintweestreep (Limonia hercegovinae) en tuindriestreep (Limonia nubeculosa) (2) geven al een indicatie waar die onder meer te vinden zijn.
Het geslacht Dicranomyia kenmerkt zich door hun gedrag. Deze muggen hebben de gewoonte om in stilstand op en neer te bewegen, vandaar dat ze ook wel eens trilmuggen genoemd worden.

De borststreeptrilmug (Dicranomyia modesta) (3) en de zwermtrilmug (Dicranomyia chorea) zijn de meest algemene soorten. Ik stel vast dat waarnemingen.be ook de geelvleugeltrilmug (Dicranomyia luteipennis) waarmerkt als zeer algemeen voorkomend, maar er valt vreemd genoeg geen enkele waarneming onder. Misschien word jij de eerste waarnemer?
Ook nog algemeen is de fraaie zwarte trilmug (Dicranomyia morio) (4).

Het geslacht Epiphragma telt hier maar één soort, de bosringvleugel (Epiphragma ocellare) (5). Maar deze fraaie mug is wel zowat de grootste steltmug die je hier vindt.
Het geslacht Pseudolimnophila telt maar twee (zeldzame) soorten. Ik had ooit het geluk een bruine kraagsteltmug (Pseudolimnophila sepium) (6) te kunnen spotten.

Het geslacht Austrolimnophila telt hier 2 zeer zeldzame species, en ook de algemene gewone pijlstaartmug (Australolimnophila ochracea) (7).
Het geslacht Gnophomyia heeft één zeer zeldzame soort, het naaldboomgeelhaltertje (Gnophomyia lugubris), en het algemene populiergeelhaltertje (Gnophomyia viridipennis) (8).

Het (gele) haltertje waarnaar verwezen wordt, betreft het kleine, knotsvorige orgaantje dat de mug (zoals ook sommige andere muggen/vliegen) gebruikt als biologische gyroscoop (evenwicht). Je ziet het onderaan de vleugelbasis.
Beide soorten zijn eigenlijk op foto nauwelijks te onderscheiden. De foto hierbij is genomen in het Lozerbos, waar deze mugjes soms massaal voorkomen, en is dan ook goedgekeurd als aannemelijk G. viridipennis.

Ilisia is een geslacht met Ilisia maculata (9) (aha, nog geen Nederlandse naam!) als algemeen voorkomend.
Neolimonia kent hier enkel de stronkviervlek (Neolimonia dumetorum) (10).

Van het geslacht Pilaria kan ik de tweekleurige steltpoot (Pilaria discicollis) (11) voorstellen.
Het geslacht Molophilus (‘molletjes’) telt hier een 20-tal soorten. Ik had ooit het geluk om een zwarthaarmolletje (Molophilus niger) (12) te kunnen fotograferen op bemoste boomschors langs de Schelde. Wil je die ook spotten, dan moet je goed uitkijken, het is een millimetergeval.

Het geslacht Chionea moet je hier niet zoeken. Chionea belgica vind je (in de winter) maar op een paar plaatsen in het zuidoosten van het land. Spijtig genoeg vooral op de Hoge Venen, en we weten allemaal wat daar is gebeurd…
Volgende keer gaan we het pad van de insectenwereld even verlaten, en schakelen we over van zespoten naar achtpoten, om kennis te maken met een (grotendeels) onzichtbare wereld vol vreemde wezentjes.
Bronnen
- Voor enkele interessante bronnen en info zie site ccw.naturalis.nl.
- BEUK P., SOORS J, D’OLIVEIRA M., PEETERS K., DEK, N-J. MENTEN J., SCHMITZ L., LAMBERTS S., WIJKER A. OOSTERBROEK P. (2026) – Negentien steltmuggen (Diptera: Limoniidae) nieuw voor België en/of Nederland – Phegea 54(1)