11 augustus 2026
In memoriam Karel De Waele
Op 27 november 2026 zou Karel De Waele 86 worden, maar die datum haalde hij niet meer. Hij overleed op 6 augustus. Een maand eerder had hij onverwacht de diagnose van terminale kanker gekregen. Op slag koos hij ervoor om euthanasie aan te vragen, omdat geen enkele behandeling nog tot een kwaliteitsvolle verlenging van zijn toch al lange en zeer rijke leven had kunnen leiden. In ons laatste gesprek, enkele weken geleden, vertelde hij me dat hij er volkomen vrede mee had. Zijn leven voelde afgerond aan. Zijn geest was nog even helder als altijd, maar zijn lichaam was op.
Drie jaar eerder was zijn vrouw Alma overleden. Ze was meer dan zomaar een levenspartner: samen hadden ze de wereld rondgereisd, geleefd, geleerd, drie kinderen grootgebracht en zich ingezet voor het natuurbehoud, eerst bij de Wielewaal en later bij Natuurpunt.
Toen hij dertig was, richtte Karel in de schoot van de toenmalige Wielewaal de plantenwerkgroep van de Vlaamse Ardennen op, de eerste plantenwerkgroep in Vlaanderen. Enkele jaren later was hij mede-oprichter van de Nationale Werkgroep Botanie. Het zou zijn grote passie worden: planten leren kennen, inventariseren en plantenexcursies gidsen. In 2005 resulteerde dit in de uitgave van De Flora van de Vlaamse Ardennen, die we gerust mogen beschouwen als zijn levenswerk. Tot enkele weken voor zijn dood bleef hij de verspreidingskaartjes aanvullen met de nieuwe vondsten in ‘zijn’ regio. Ook de centrale databank van FLO.WER, een samenwerkingsproject tussen de diverse plantenwerkgroepen van Natuurpunt en het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek (INBO), bleef hij tot op het laatst met nieuwe plantenwaarnemingen aanvullen.
In ons laatste gesprekje vertrouwde hij me zijn visie op de dood toe: “Na mijn dood verspreidt mijn energie zich over de aarde en dient als voeding voor andere levende wezens. Dit is mijn visie op reïncarnatie.” Nuchter als altijd. In een laatste mailtje liet hij me ook nog weten: “Mijn plantenwerkgroepen zijn in goede handen. Ik heb er vertrouwen in dat ze zullen blijven voortbestaan.” Om te eindigen met: “Ik ben dankbaar voor onze vriendschap.”
Deze boodschap was niet louter voor mij bestemd, maar tevens voor alle mensen met wie hij zijn liefde voor de natuur in het algemeen en zijn fascinatie voor de plantenwereld in het bijzonder had mogen delen, voor alle trouwe vrienden van wie hij niet persoonlijk afscheid had kunnen nemen. Het was aan mij om na zijn overlijden deze boodschap over te brengen.

Die dankbaarheid was wederzijds en dat geldt ongetwijfeld voor allen die hem goed gekend hebben, vaak vijftig jaar of langer. Nuchter, goedgehumeurd, ernstig, vriendelijke plaagstootjes uitdelend, toegewijd … dit is hoe ik Karel heb ervaren. Je kon met hem van mening verschillen over de determinatie van een plant of over een visie op het leven; de discussie bleef altijd respectvol. Hij had ook een uitzonderlijk geheugen. Een voorbeeld hiervan maakten we mee tijdens een plantentocht in de Scheldemeersen tussen Eke en Zevergem, enkele jaren geleden. Toen we enkele private visvijvers passeerden, herinnerde hij zich plots dat hij daar tussen die vijvers, ergens in het begin van de jaren 70 van de vorige eeuw, enkele exemplaren van addertong had gevonden. We gingen op zoek en vonden een grote populatie van dit zeldzame varentje, op dezelfde plek als meer dan een halve eeuw geleden.
Naast botanie en reizen had Karel tevens een grote liefde voor cultuur: onder meer theater, muziek en schilderkunst waren hem veel aandacht waard. Toen hij en Alma vijftig jaar gehuwd waren, werd dat gevierd met een boottocht op de Leie, tussen Gent en Deinze. Ik mocht mee als muzikant en samen met een bevriende celliste musiceerden we buiten op het dek. Terwijl de familie benedendeks zat te tafelen, sloop Karel telkens weer naar boven om genietend van de muziek de plantengroei op de voorbijglijdende oevers in zich op te nemen. Vaak als ik hem zag, moest ik denken aan een liedje van Willem Vermandere, maar met een lichtjes aangepaste tekst:
‘Lat mie mô lopen langs de stroate en ’k èn mien plantjes da’k zo gèren zien van ’s ochtends vroeg toet ’s avonds loate en ’k èn mien streeplieste bie mien.’
Tot op de laatste ochtend van zijn leven bleef hij ‘plantenpraatjes’ posten op Facebook waarin hij op zijn lucide en humoristische manier inging op de etymologie van plantennamen, hoe je de plant in kwestie kon herkennen, waar hij voorkwam en waar hij die plant zelf was tegengekomen. Velen onder ons bezorgden hem plantenfoto’s, zodat hij niet zonder inspiratie zou komen te vallen. Pas op het einde van zijn laatste schrijfseltje, niet toevallig over het bosvergeet-mij-nietje, maakte hij bekend dat hij nog diezelfde dag euthanasie zou krijgen.
Karel hield nu eenmaal graag het stuur in eigen handen, zowel letterlijk als figuurlijk. Als we samen ergens naartoe gingen, dan reed hij, niet ik. Zo ook toen hij geplaagd werd door een frozen shoulder en hij met zijn rechterhand niet in staat was om de versnellingspook te bedienen. Uiteindelijk kreeg ik hem zo ver dat hij tot drie zou tellen, telkens hij naar een andere versnelling wou overschakelen. Bij ‘drie’ mocht ik dan schakelen. Maar het stuur uit handen geven?
Dat deed hij wel toen hij 70 werd en het tijd vond om de verantwoordelijkheid voor de plantenwerkgroepen uit handen te geven. Hij wou geenszins ‘de schoonmoeder uithangen’ ten opzichte van de nieuwe trekkers, maar bleef wel met raad en daad beschikbaar om bij te springen waar hij maar kon. We hadden een hele ploeg nodig om het werk dat hij decennialang in zijn eentje had gedaan van hem over te nemen.
We zullen hem missen.
