Drie maart 2026, kort na de middag. Net voordat de Knoktestraat de Rue de Trieu wordt, sla ik rechtsaf, de Vierschaar in. Ik ruik ze eerder dan ik ze zie: de eerste bloeiende maartse viooltjes. Grote ereprijs, paarse dovenetel en kleine veldkers bloeien eveneens, maar die ruik je niet. Een struikje van het geslacht Prunus ziet wit van de bloesems. De eerste hommels doen er zich aan te goed. De temperatuur haalt nog niet de voorspelde achttien graden Celsius, maar warm is het alvast.
Zoals zo vaak de voorbije dertig jaar volg ik de grensweg tussen Oost-Vlaanderen en Henegouwen. Wallonië ligt links, het is er nog wat mistig. Rechts van de weg ligt een oud kasteeldomein zonder kasteel. Daar mogen gewone mensen niet komen. Links begint het bos. Ook dat is taboe voor wandelaars. ‘Attention Chasse, Propriété privée’ staat veelvuldig te lezen op metalen bordjes, half ingegroeid in de boomstammen waarop ze zijn vastgespijkerd. Aan de fietssporen te zien, zijn er heel wat mountainbikers die zich aandienen als jachtwild. De helling aan de Vlaamse kant staat vele meters lang vol met sneeuwklokjes. In tegenstelling tot die in mijn tuin zijn ze nog niet uitgebloeid.
Even verderop loopt een klein paadje dat naar een grote hooiweide leidt die bij het kasteeldomein behoort. Het bordje met ‘Privédomein, verboden toegang’ dat er vorig jaar stond, is verdwenen. Ik ga op bezoek bij de twee gigantische bomen die aan de rand van het grasland staan. Zelfs met de hulp van mijn spiegelbeeld kan ik hun stammen niet omarmen. De minst dikke van de twee verraadt op basis van de verdroogde vruchten die hij nog draagt zijn identiteit van tulpenboom. Zijn nog dikkere buurman is er ook een, maar waarom deze in tegenstelling tot zijn buur geen vruchten heeft gemaakt, is me een raadsel. Het zijn getuigen van een ver verleden, van toen er nog een kasteel stond. Via Norbert Desmet kwam ik te weten dat het op het einde van de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetters met de grond gelijk werd gemaakt, zodat ze geen spoor zouden achterlaten van de lanceerbasis voor hun beruchte V2-bommen.
Achter me klinken de luide stemmen van een lawaaierige groep wandelaars. Het is moeilijk om te ontsnappen aan het rumoer van de gemiddelde medemens. Vier statige, hoog opgeschoten bomen van het geslacht Chamaecyparis vangen mijn aandacht. Drie van hen staan op een rij, een behoorlijk aantal meters van elkaar. De dikste heeft een stamdoorsnede van bijna een meter. Zijn het restanten van een oude haag van ‘tuinsparretjes’? Nummer vier is beduidend jonger en heeft de rij verlaten, een zaailing vermoed ik. Ik besluit de dikste van dichtbij te gaan bekijken. Ik verdwijn ei zo na in een steile, diepe put waarvan de bodem niet meteen zichtbaar is. Er zijn nog meer van die putten. Ze lijken op verluchtingsschachten en liggen netjes op een rij. Er schijnt een legende te bestaan over een onderaardse tunnel die vanuit het kasteel vertrok en deze richting uitging. Wie weet wat zich daar nog meer onder de grond bevindt.
Boven de grond staat een vlek speenkruid met glanzende gele sterretjes te bloeien en steken de eerste scheuten van bosereprijs hun hoofdjes boven de afgevallen herfstbladeren. De hangende zegge zegt me dat het van nature behoorlijk nat is langs het wandelpad.
De lawaaigroep is me intussen voorbij. Hopelijk gaan ze naar de Bosbar en blijven ze daar. Een van hen staat te plassen, de rest van de groep wacht hem op, vijftig meter verderop. Luid pratend stapt hij naar hen toe. In zijn gsm of in zichzelf? Het is niet duidelijk. Ze gaan rechtdoor, dus neem ik het eerste pad naar rechts. Er groeit witte klaverzuring op het bermpje naast het pad. Ik sla opnieuw rechtsaf, een weinig gebruikt pad in. Het loopt langs de grens van het kasteeldomein, oude ijzeren paaltjes in de grond, versleten staaldraad ligt hier en daar te roesten. In de verte slaan drie reeën op de vlucht, hun witte konten in de lucht. Even verder waarschuwt de ruwe smele me dat het drassig wordt. Ik heb mijn oude wandelschoenen aan met twee scheurtjes in het leder van de rechterschoen. Voorzichtig stap ik over de pollen gras, dankbaar voor hun waarschuwing.
Ik heb moeite met het concept privébos en nog meer met het bestaan van private jachtterreinen. Het zijn late restanten van het feodale tijdperk. Dat begon ooit ongeveer zo: een grote bende gewapende agressievelingen liep het land onder de voet, onder leiding van een van hybris vergeven aanvoerder. Die verklaarde zichzelf tot koning en zei: ‘Al dit land is nu van mij’. Wie het hiermee niet eens was, werd over de kling gejaagd. Grote delen van ‘zijn’ land gaf hij in bruikleen aan de trouwste leden van zijn roversbende, vergezeld van ronkende titels zoals hertog, graaf of baron. Zij beschikten nu over leven en dood van alles en iedereen die toevallig ook in die landstreek woonde. In recentere tijden werden hun eigendomsrechten in notariële akten verankerd. Verpauperde deze landadel, dan verkochten ze grote partijen van hun grond aan industriëlen, rijk geworden op de rug van andermans arbeid. Die maakten er hun privéjachtterrein van, in navolging van de vorige eigenaars. En daar zitten we nu nog steeds mee opgescheept.
Bossen en andere natuurgebieden mogen van mij allemaal staatsbezit worden, beheerd onder het toeziend oog van een democratisch verkozen regering en een bekwame administratie. Ik heb geen enkel probleem om de toegang ontzegd te worden tot de omgeving van een dassenburcht of een nestplaats van oehoes, een kwetsbaar nat hooiland of een zeldzaam stukje bronbos. Het plezier van wereldvreemde enkelingen om ’s winters op al wat leeft te kunnen schieten, verdient geen privileges.
Aan het volgende kruispunt der boswegen bots ik weer op dezelfde groep wandelaars. Nu zie ik dat het om mensen met een mentale handicap gaat, vijf levenslang onvolwassenen van diverse middelbare leeftijden en één begeleider. Via de Pensemont wandelen ze het bos uit. Ik blijf in stilte achter. Wegens de toenemende temperatuur stop ik mijn jas in mijn schoudertas. Aan de overkant van mijn zitbank liggen verdorde adelaarsvarens plat tegen de grond. Het is een overwinteringsplek voor teken. James, mijn trouwe, luie huiskater, heeft vandaag net zijn eerste teek gevangen. Vorig jaar was dat pas op 23 maart en dat was ook al veel vroeger dan verwacht.
Een jaar geleden, rond dezelfde tijd van het jaar, hoorde ik in dit stuk van het bos twee raven met elkaar praten. ‘Croc’, zei de een, ‘crwek’ antwoordde de ander. Dat ging zo enkele minuten door. Ze kwamen steeds dichterbij en ik hield mijn verrekijker klaar. Plots zwegen ze. Eerder dan ikzelf hadden ze de pratende wandelaars gehoord die onze richting uit kwamen. Teleurgesteld knikte ik hen vriendelijk goeiedag. Even later hoorde ik het ‘trr trr trr’ van een zwarte specht. Ook hem kreeg ik niet te zien, maar om van muziek te genieten heb je enkel je oren nodig, niet je ogen.
Vandaag hoor ik alleen maar de alomtegenwoordige boomklevers en het geroffel van een onbepaalde specht. Zwart, groen of bont? De klankkleur van het tromgeroffel wordt vooral bepaald door de grootte van de holle boomstam die als percussie-instrument dienst doet.
Ik stap de Pensemont op, terug naar de grensweg. Van een gigantische tamme kastanje rest nog enkel de omgevallen stam, gesneuveld door het leven, niet door kettingzagen. Zijn geschiedenis staat op een infobord te lezen. Hij was de laatste overlevende van de kaalkap tijdens de Eerste Wereldoorlog. Interessant, maar fnuikend voor de fantasie. Ik had hem liever een leven zonder oorlogen toegedicht.
Bij gebrek aan vogels bestudeer ik de medemens. Een jogger, smartphone in de hand, sloft in tegengestelde richting, mismoedig naar zijn voeten kijkend, ondanks dat het voor hem bergaf gaat.
Ik zie heel wat aardhommels die kriskras heen en weer vliegen om dan plots tussen de afgevallen bladeren te duiken, op zoek naar muizengaten in de grond. Het zijn pas ontwaakte koninginnen die een nestplaats zoeken. Matriarchen noem ik ze liever, dat klinkt minder feodaal. Ik vraag me bezorgd af of ze wel voldoende te eten vinden, zo vroeg in het jaar. Overal verschijnen de bladeren van wilde hyacinten, maar het duurt nog een tijdje eer ze in bloei staan en voor voedzaam stuifmeel en nectar zullen zorgen. Vorig jaar zag ik de eerste hyacintbloemen op één april. De weinige vroege voorjaarsbloeiers staan op dit moment aan de bosranden, een halve tot een hele kilometer verderop. In hommelvlucht is dat vlot drie maal zo ver. Rechtdoor vliegen kunnen deze beestjes niet zo goed. (Op 14 maart zou ik bij een volgende wandeling de eerste bloeiende wilde hyacinten zien, dus nog twee weken vroeger dan het jaar voordien!)
Boven aangekomen blijkt de Bosbar dicht. Het is ook gewoon een schooldag annex werkdag en dus niet interessant vanuit commercieel oogpunt. Ik zet me op een bankje om een groep vinken gade te slaan. Een man houdt zijn smartphone hoog in de lucht. Hij heeft enkel oog voor zichzelf en voor wat hij op Instagram kan posten. Het zijn alvast niet de vinken. Er komt een klein gezinnetje aangewandeld: man, vrouw, zoontje van tien en hondje aan de leiband. Ik vermoed dat de jongen vrij heeft wegens een pedagogische studiedag en ik denk: geniet ervan, nu dat nog kan. De jogger komt weer aangesloft. Hij is terug boven geraakt en doet trouw wat de app op zijn smartphone hem opdraagt. Hoe zou je ook kunnen wandelen, lopen of de omgeving in je op kunnen nemen zonder de hulp van zo’n ding?
Voor mij gaat het terug omlaag, niet naar de Liefdesbron, maar via een parallel bospad terug naar de voet van de Pensemont. Van de liefdesbron heb ik tien jaar geleden een slokje genomen. Het heeft zijn werk gedaan. Links ligt een weiland waar twee zomers geleden twee reeën lagen te zonnen, een mannetje met verse horens en een hinde. Ondanks de wandeldrukte was er toen niemand die naar hen bleef staan kijken.
Ik passeer het heideveld waarvoor enkele jaren geleden ruimte werd gecreëerd. Goed voor de biodiversiteit, niet te groot, niet te klein, precies zoals het moet zijn. De adelaarsvarens aan de bosrand liggen er winters uitgeblust bij. Voor hen begint de lente pas over enkele weken. Terug op de Vierschaar zie ik het gezinnetje weer. De jongen loopt vijftig meter voorop, daar achter volgt de man. De vrouw, met een berg jassen over de arm en het hondje nog steeds aan de leiband, is achterop geraakt. Ze loopt luidkeels te telefoneren. Het speenkruid heeft intussen al dubbel zoveel gele sterbloempjes geopend als anderhalf uur geleden. Rechts van me zit een buizerd in het bos. Van zodra hij ziet dat ik hem zie, vliegt hij ervandoor. Een mens die naar me kijkt, is een mens die me kan neerknallen, zegt zijn overlevingsinstinct. Hij heeft gelijk. Hij bevindt zich in een privaat jachtgebied.
Op de zitbank met opschrift ‘Daar aan de overkant, het weidse Waalse land’ zit een ouder koppel te genieten van het uitzicht. De Henegouwse mist is volledig opgetrokken. Op de picknickbanken even verderop zitten twee mannen op hun smartphone te scrollen. Ze laten het weidse landschap aan zich voorbijgaan.
Daar ergens in Henegouwen is een wielerwedstrijd bezig, met cameradrones en helikopters in de lucht en joelende mensen langs de kant, gelukkig ver genoeg van hier. Over enkele weken zal het ook op deze plaats weer van dat zijn, tenzij de Trieu uit het parcours van de Ronde van Vlaanderen zou zijn geschrapt. Ik hou niet van massa-evenementen. Er bestaat immers een exponentieel verband tussen de grootte van de aanwezige massa en de mate van verstoring van de natuur.
‘Ooit was dit Romeinse grond, hier stond kasteel Calmont’, lees ik op een zitbank in de Knoktstraat. Het een heeft niets met het ander te maken, maar het rijmt lekker. Aan de oprit van het kasteeldomein staat te lezen dat hier opleidingen voor jachthonden doorgaan. Ik wandel terug naar mijn auto. Hij staat geparkeerd tussen 1945 Sylvain Grysolle en 1946 Rik Van Steenbergen, in de Ronde Van Vlaanderenstraat. Zo meteen ga ik toch even TV kijken, nieuwsgierig of Wout Van Aert rechtop is kunnen blijven in zijn eerste koers van het jaar.