Ook deze herfst zullen de vogels weer zuidwaarts trekken. Deze trek is ondertussen uitvoerig bestudeerd en vrij goed gekend. Eigenlijk vormen insecten de meest talrijke en meest diverse groep van de terrestrische migranten, maar daarover is veel minder geweten. Omdat ze zo klein zijn, is onderzoek dan ook heel wat moeilijker.

Glazenmakers (Anisoptera) en waterjuffers (Zygoptera) vormen de oeroude insectenorde Odonata, waarvan de voorouders de eerste vliegende organismen op aarde waren. Wereldwijd zijn er 6.390 soorten bekend. Van verschillende soorten weet men dat ze over lange afstanden migreren en zo een aanzienlijke invloed hebben op ecosystemen, onder andere door middel van biomassa- en nutriëntenoverdracht. Dit jaar verscheen een studie1 met een wereldwijd overzicht van de migratie-ecologie van libellen en waterjuffers. Een van de medeauteurs is J.W. Chapman, die eerder ook al baanbrekend onderzoek verrichtte naar het trekgedrag van vlinders.

Er worden twee soorten migratie onderscheiden: migratie over meerdere generaties, waarbij heen-en-terugreizen over verschillende generaties worden voltooid, en, nauwelijks voorkomend bij de Odonata, migratie binnen één generatie, waarbij dezelfde individuen het oorspronkelijke voortplantingshabitat verlaten en ernaar terugkeren.

Over het algemeen is migratie relatief ongebruikelijk bij libellen en waterjuffers: slechts 2,9% van de soorten zijn zekere of mogelijke trekkers. Voor zowel dag- en nachtvlinders als vleermuizen is dat ongeveer 3%, bij de vogels trekt ongeveer 19%. Vogels kunnen nu eenmaal een ongunstig seizoen niet overleven in de vorm van een ei, rups of pop (insecten) of door in winterslaap te gaan (zoals de vleermuizen). Bij de trekkers horen bij ons bekende soorten zoals bij de libellen de platbuik, viervlek, paardenbijter (in het Engels Migrant Hawker!), meerdere soorten heidelibellen en bij de juffers de zwervende pantserjuffer en de kleine roodoogjuffer.

Dit wil echter niet zeggen dat alle individuen van deze soorten ook trekkers zijn. Zo ving2 men met vogelnetten (!) in augustus en september aan de Baltische kust paardenbijters. Daar waren zowel libellen van ter plaatse als trekkers bij. Bij de trekkers vormden de mannetjes de meerderheid.

De meeste migrerende libellen lijken soorten te zijn die als ‘Niet bedreigd’ worden aangemerkt volgens de Rode Lijst van de IUCN en mogelijk weerbaar zijn tegen veranderingen in het milieu vanwege aanpassingen die verband houden met hun migratiestrategie.

Kampioen is de – bij ons niet voorkomende – treklibel (Pantala flavescens), die mogelijk tot meer dan 6.000 km kan afleggen.

Hoe de libellen bij langere afstanden navigeren, blijft onzeker. Mogelijk beschikken ze, zoals sommige vlinders, over een soort zonnekompas, maar ook gepolariseerd licht kan een rol spelen. Bij de trek zijn ze niet enkel gebonden aan de windrichting, maar ze kunnen ook trekken in een richting die afwijkt van de heersende windrichting.

In tijden van klimaatverandering kan een hoge mobiliteit zijn voordeel hebben. Zo komt de zadellibel, een zuidelijke soort, steeds meer voor in Europa. Een evolutie die we eerder zagen bij de vuurlibel, en ook de algemene paardenbijter breidt uit naar het noorden3.

Referenties

  1. JOHANNA S.U. HEDLUND J.S.U., MENZ M., CHAPMAN J.W. & HAYWARD A. (2026) – Flight of the dragons: a global review of migration in Odonata – Biol. Rev., 101: 2134–2157, doi: 10.1002/BRV.70170 ↩
  2. OELMANN Y., FIEDLER D., MICHAELIS R., LEIVITS M., BRAUN A., GSCHWIND Ph;, NEIDHARDT H. & WILLIGALLA C. (2023) – Autumn migration of the migrant hawker (Aeshna mixta) at the Baltic coast – Movement Ecology , doi.org/10.1186/s40462-023-00415-z ↩
  3. VINKO D., BILLQVIS M., DE KNIJF G., VAN GRUNSVEN R.H.A. & PRUNIER, F. (2024) – Aeshna mixta (Europe assessment). The IUCN Red List of Threatened Species 2024: e.T165499A208843381, doi.org/10.2305/IUCN.UK.2024-1.RLTS.T165499A208843381.en ↩