In maart 2016 werd Jurgen Couckuyt door de Vlinderstichting uitgeroepen tot vlinderbeheerder van het jaar. Jurgen Couckuyt beheert als vrijwilliger enkele reservaten van vzw Durme en is de uitvinder van het zogenaamde sinusbeheer, dat hij al minstens 15 jaar toepast in enkele reservaten. Het sinusbeheer kwam enkele maanden terug opnieuw in het nieuws, omdat er meer gericht onderzoek zal worden uitgevoerd naar een aantal aspecten ervan. Jurgen Couckuyt is ook een kenner van vlinders.
Bij sinusbeheer wordt niet alles gemaaid in één keer, zijn de overgangen tussen gemaaid en niet gemaaid niet recht maar gebogen (vandaar de naam), wordt er verschillende keren per jaar gemaaid en blijft er een deel niet gemaaid.
Het resultaat is een vegetatie waarin alle stadia van gemaaid tot niet gemaaid naast elkaar voorkomen, waardoor voedselaanbod beschikbaar blijft voor zowel volwassen vlinders als rupsen en de nodige structuren voor het afzetten van eitjes en verpoppen. Waarschijnlijk is die structurele variatie belangrijker dan de gebogen lijnen.
Belangrijk is dat een niet gemaaid deel tot laat in het voorjaar van het volgende jaar behouden blijft om overwinterende eieren, larven, rupsen, poppen, … toe te laten om de winter door te komen. In het ideale geval is er een niet gemaaid stuk tot drie jaar aanwezig. Dergelijk beheer is niet alleen voor vlinders, maar voor alle insecten en ongewervelden belangrijk, dus ook voor wilde bijen, sprinkhanen, wantsen, cicaden, spinnen, enz. De desastreuze gevolgen van het traditionele maaibeheer (waarbij het volledige perceel gemaaid wordt, met een eerste maaibeurt na eind juni en een tweede half september) op ongewervelden zijn al minstens 50 jaar bekend. Wanneer na de eerste maaibeurt een nog intensiever ritme toegestaan wordt, leidt dit onvermijdelijk tot een achteruitgang van zowel planten als dieren.
Ook voor planten is het traditionele maaibeheer weinig optimaal, wat o.a. blijkt bij het maaien van wegbermen volgens het bermbesluit. Op veel plaatsen verdwijnen soorten die niet in dit schema passen: in veel gevallen is dit voor een soort als rapunzelklokje en weideklokje een ramp. Dat dit maaibeheer steeds meer in vraag gesteld wordt, is dus een goede zaak.
Niet alleen de frequentie, maar ook de wijze waarop gemaaid wordt, is belangrijk voor de overleving van ongewervelden, jonge vogels en kleine zoogdieren. Het verschil tussen een maaibalk met een breedte van ongeveer een meter, getrokken door een paard of een ‘massey-fergusonke’ met 11 pk aan maximaal 5 km per uur, en een cirkelmaaier van 3 tot 9 m, aan een snelheid van minstens 10 km per uur maakt de kans om te ontsnappen voor veel organismen wel zeer klein. En dat zelfs met een maaibalk met een breedte van 1 m en een snelheid van 1 tot 2 km per uur slachtoffers gemaakt worden, mochten we zelf ondervinden toen we lang geleden voor de eerste keer de blekerij in Zeveren probeerden te maaien. De maaibalk gaf de geest, maar vooraleer het zover was, hadden vele kikkers één of meer achterpoten verloren.
Een bijkomend voordeel van het gefaseerd maaien, ligt in het feit dat het prooiaanbod voor predatoren en aaseters meer gespreid wordt in de tijd. Er is niet zoiets als een week van overvloed na het grootschalig maaien en daarna de broeksriem (als dat al geldt voor predatoren) aanhalen.
Een kritiek op het sinusbeheer ligt/lag erin dat het op grote oppervlakten niet toepasbaar is. Maar wat belet ons om ook in grote gebieden eens anders te gaan maaien? Het zou geen probleem mogen zijn om een tractor met een cirkelmaaier van maximaal 4 m (een kortere maaibalk zou natuurlijk nog beter zijn) drie of vier keer per jaar traag en ‘schots en scheef’ door een perceel te laten rijden. Er zijn dan veel meer vlucht- en ontwijkingsmogelijkheden voor ongewervelden, kikkers en padden en kleine zoogdieren. En mits voldoende ‘schots en scheef’ maaien, zullen er altijd niet gemaaide stukken overblijven die schuilplaats bieden aan organismen. Het vraagt natuurlijk enige omslag in het denken over beheer: in de natuur zijn rechte lijnen eerder een uitzondering dan een regel.
Eigenlijk wordt met sinusbeheer een soort extensief graasbeheer nagebootst. Zeer extensief jaarrond begraasde, niet te voedselrijke tot schrale graslanden behoren niet tot de ‘baseline’ van onze generatie natuurbeschermers. We hebben wel nog de soortenrijke natte graslanden gekend die éénmaal per jaar gemaaid werden (meestal pas in de tweede helft van juli), waarna in goede jaren nabeweiding volgde. In natte jaren bleven vele graslanden niet gemaaid en niet beweid, wat voor veel vogels (o.a. kwartelkoning, roodborsttapuit en paapje) een goede zaak was.
In Oost-Duitsland is zeer extensieve beweiding op grote oppervlakten ingesteld in een aantal voormalige militaire domeinen die na de eenmaking hun functie verloren en nu als natuurgebied worden gebruikt.
Het beeld is werkelijk indrukwekkend en de begroeiing varieert van kaal tot verruigd. Het beeld van bloeiende ratelaars naast kaalgevreten grasland, verspreide kleine stengels hondsroos met paapjes erop, dode stengels van distels van voorgaande jaren, grote oppervlakten bloeiend gras, ertussen runderen en paarden, schaarse meidoorns, al dan niet beschadigd door de grazers, grauwe klauwieren, we hebben het nooit gekend en het blijft verwonderen.
Nog verder naar het oosten zijn nog zeer extensieve gebruiksvormen zoals het hoeden van ganzen en koeien bekend. Die landen (o.a. Albanië, Servië, Roemenië, …) zijn gekend voor de zeer rijke vlinderfauna, die spijtig genoeg in snel tempo verdwijnt door de ook hier toenemende intensivering van de landbouw en het opkopen van landbouwgronden door de agrarische industrie.
Wat ook de wijze is waarop beheerd wordt, het zal nooit goed zijn voor iedere soort. Voor rupsen die overdag laag in de vegetatie verblijven, wordt best niet te kort gemaaid en voor veel soorten is een pollenstructuur essentieel. Voor sprinkhanen en wilde bijen die kale bodem nodig hebben, wordt dan beter diep gemaaid, met bodemverstoring als neveneffect. Voor veel plantensoorten bieden kale plekken kiemplaatsen. Voor weidemieren is maaien een ramp: ook in traditionele hooilanden ontbreken de hopen of zijn ze alleen in de perceelscheidingen te vinden.

Voor dagvlinders zie de literatuur bij het artikel over de koninginnenpage in vorige meander.
Voor sinusbeheer is de volgende website een goed uitgangspunt:
https://www.vlinderstichting.nl/sinusbeheer
en is dit artikel een must:
https://assets.vlinderstichting.nl/docs/69ff0fcd-1020-4559-aced-ef8bc14bd985.pdf
De andere artikelen geven een idee van toepassing in verschillende situaties. In een aantal gevallen is het sinusbeheer eerder een vorm van gefaseerd maaien, wat op zich al een grote vooruitgang is.
Gefaseerd maaien en strokenlandbouw komen ook aan bod in twee boeken over kiekendieven, nl.
De man op de dijk: Het grenzeloze verhaal van de grauwe kiekendief (2018)
Dwaalgast in het graan: de steppekiekendief in vier seizoenen (2020)
Voor de invloed van beheer op insecten is https://www.bestuivers.nl ook een goed uitgangspunt. Onder maaien is een korte bijdrage met aanbevelingen te vinden.
Voor sprinkhanen en de invloed van beheer op hun voorkomen zijn Die Heuschrecken Baden-Württembergs (1998) en Heuschrecken in Bayern (2003) echte basiswerken.
Voor wilde bijen zijn er recent twee kanjers van boeken bijgekomen, waarin veel gegevens over habitat voorkeuren en beheer:
Die Wildbienen Deutschlands door Paul Westrich (2019) en Wilde Bienen: Biologie, Lebensraumdynamik und Gefährdung. Artenporträts von über 510 Wildbienen Mitteleuropas door Heinz Wiesbauer (2023)
Een cynische column over de invloed van het traditioneel maaibeheer op weidevogels:
‘Hadden de reeën, hazen en fazanten maar de protocollen gelezen’ van Koos Dijksterhuis in Trouw. (19-06-2025)
In de natuurterreinen bij Paterswolde mag pas na 15 juni gemaaid worden. Maandag 16 gingen de maaiers meteen op pad. Dinsdag 17 werd het hooi gekeerd, met dieselwalm en machinegeronk. De verhakselde jonge haasjes, reeën en vogels trokken meteen een kwartet ooievaars aan. Twee blauwe reigers waren ook al present. Als het hooi straks wordt weggehaald, komen de kraaien, meeuwen, buizerds en torenvalken aan de beurt.
Het is mooi dat er later wordt gemaaid dan in de gangbare veehouderij, waar tegenwoordig soms eind maart al de cyclomaaiers rauzen. Negen meter breed wordt de boel met de snelheid van een fatbike geschoren. Van buiten naar binnen in steeds kleinere rechthoeken, waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Er leven dan ook weinig dieren in zo’n weiland, maar in de verwilderde en onbemeste velden bij Paterswolde zijn die er des te meer.
Hadden de reeën, hazen, fazanten, veldleeuweriken en graspiepers de draaiboeken, protocollen, reddingsplannen, convenanten, natuurdoeltypen, verordeningen en notulen maar gelezen. Niet voor 15 juni maaien, het staat er toch? Wegwezen dus!
Wacht toch met maaien tot augustus
Gelukkig kan zelfs de moderne machinerie niet alles in één klap wegvagen. Ik wandelde naar de nog onaangeroerde velden. Die liggen tussen sloten met riet en lisdodden en variëren van ruige, hoge vegetatie tot lage, dun begroeide stukken. Vogels kunnen er schuilen, broeden, eten, drinken, water- en stofbaden nemen.
Drie kwartier stond ik over zo’n veld te staren. Wat een leven bleek er te zijn! Er zongen veldleeuweriken, bezig met hun tweede of beginnend aan hun derde leg, er zong een sprinkhaanzanger, er zong zelfs een bosrietzanger. Vanuit de planten stegen kneuen op, rietgorzen, grasmussen, gele kwikstaarten en een blauwborstje. In een wilgenbosje scharrelde een familie roodborsttapuit. Een gezin graspiepers deed vliegoefeningen. Eén jong piepertje fladderde in verticale houding met een aandoenlijk kort staartje zo dichtbij, dat ik hem had kunnen pakken. Hij botste bijna tegen me op, ik stapte gauw opzij, en hij snorde over riet en rietgras terug naar zijn ouders. Hopelijk wordt niet voor de zomer alles weggemaaid.